MEDITATIE
Uw weg was in de zee, en Uw pad in groote wateren, en Uwe voetstappen werden niet bekend.Psalm 77 vers 20.
De dichter spreekt in deze woorden over de leidingen Gods met Zijn volk Israël bij de uittocht uit Egypte en in 't bijzonder toen Israël voor de Roode Zee zich bevond, met de vijand op hun hielen. Dat was een hachelijke toestand! De vijand achter, de zee voor. En toch.... de Heere gaf uitredding.
Uw weg was in de zee. Israël was daar niet toevallig gekomen. Het was onder het bestuur Gods, dat zulks geschiedde. En nu zou Israël verlost worden op een wijze, die men niet verwacht had. Het had zeker ook wel gedacht aan allerlei reddingsmogelijkheden. Door het midden der vijanden of over de zee, maar dat de weg in en door de zee zou zijn, neen, dat verwachtte het volk niet. En toch was de weg des Heeren zoo, en niet anders.
De vijand achter, de zee voor.
Dat is de weg, die de Heere met de Zijnen houdt. Op uitwendig gebied, zooals bij Job. Vele zijn de tegenspoeden der rechtvaardigen. De slagen kunnen zoo zwaar zijn, dat men er onder denkt te bezwijken. Job weeklaagde: Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd en mij met Zijn wet omsingeld. Zie, ik roep met geweld, doch ik word niet verhoord; ik schreeuw, doch daar is geen recht. Heere, in den druk heb ik wel met het gehoor der ooren U gehoord, maar nu eerst ziet U mijn oog. De uitwendige rampen waren hem een beeld van Gods verbolgenheid.
Als wij getroffen worden door rampen, dan willen wij wel bekennen, dat de Heere het doet, dan hooren wij Hem wel met het gehoor onzer ooren, maar wij zien niet naar Hem op, wij blijven zoo dikwijls staren op onze rampen. En dan hebben wij zulke harde gedachten van den Heere.
Dan zegt Sion : Mijn weg is voor den Heere verborgen en mijn recht gaat voor mijn God voorbij. Dan is het alsof de Heere een lust in kastijden heeft, alsof Hij Zijn barmhartigheden heeft toegesloten en opgehouden heeft genadig te zijn. Dan denken wij met Job, dat de Heere ons vernietigen wil, of met David, dat wij door de handen der tegenpartij der s zullen omkomen. Doch gelukkig, als wij leeren verstaan, dat Gods weg in de zee is en Zijn voetstappen in de groote wateren. Dan erkennen wij dat wij verhaald hebben, hetgeen wij niet verstonden, dingen, die voor ons te wonderlijk waren, die wij niet wisten. Dan is de kastijding niet langer een vrucht van lust tot plagen, maar van eeuwige en teere liefde. En dan komt de schuldbelijdenis en het berouw, dat we zoo van den Heere konden denken.
De vijand achter, de zee voor. Zoo is het als de Heere een ziel ontdekt door Zijn Heiligen Geest aan zonde en schuld. De gerechtigheid des Heeren, die roept: geef rekenschap van uw rentmeesterschap. De zee van Gods toorn voor den voet, waarin men voor eeuwig denkt om te komen. De uitkomst is voor zulk een van alle kanten afgesneden ; geen redding is er meer bij menschen. Alles is als 't ware toegemuurd. Uw weg was in de zee en Uw pad in groote wateren. Bij Israël was Gods weg in de zee. Zou het dan bij het geestelijk Israël anders zijn ?
God handelt nog altijd anders, dan wij denken. Daarom, dwaas zijn we, als wij de uitkomst en uitredding aan de door ons bepaalde middelen en wegen willen binden. De Heere moet aan Zijn eere komen; niet onze, maar Zijn wijsheid moet grootgemaakt worden. Daarom is de Heere vrij in Zijn weg en werk. ..
Israël moest in de diepte der zeë tweeerlei leeren.
Zijn strafwaardigheid en onmacht.
Zijn strafwaardigheid, want de diepe zee was voor Israël als een geopend graf.
Zie, Israël, zoo spreekt de Heere, zoo zijt gij waardig om begraven te worden, en als Ik u verlos, dan is het vrije genade.
Maar het moest ook zijn onmacht en nietigheid leeren.
Daar het door twee muren van water optrok, moest het volk wel zijn nietigheid erkennen.
Gods weg is in de zee.
Gods kinderen ervaren dan eigen doemwaardigheid. Zij worden in hun zonden ingeleid, zoodat zij Gods doen leeren billijken, ook als de Heere hen kwam te verwerpen. Dan is het genade, ja, genade alleen, als zulk een behouden wordt. Dan wordt het onbegrijpelijk, dat God aan zulk een nog genade bewijzen wil. Men leert de dood schrijven op eigen kracht en wijsheid. Wie anders dan de Heere kan uit zulk een diepte opvoeren ? En zoo worden Gods deugden grootgemaakt; Zijn heiligen Naam ten prijs.
Gods weg was in de zee, Zijn pad in groote wateren. De zee was diep en lang. Zoó lang, dat Pharao met al zijn heir daarin verdronk. En dat was een machtig heir. En toch was het pad door de zee zoo uitgestrekt, dat het voorste gedeelte het einde niet bereikt had, toen het achterste gedeelte daarin was ingedaald.
Welnu, in die groote wateren was de weg des Heeren bij Israël. Ook dat was voor Israël geloofsbeproeving. Het kon de weg niet overzien, 't Was maar niet even in de diepte dalen, om dadelijk weer boven te komen. Neen, eenmaal de voet in de diepte gezet, zagen zij voor zich een lang pad. Op dien langen en diepen weg moest hun oog alleen op Hem gericht zijn, die de weg wel lang, maar nooit te lang voor Zijn volk maakt.
Zoo is dikwijls de weg van den Heere met Zijn volk lang en diep.
De kinderen des Heeren moeten het leeren door het geloof te leven, als ziende den Onzienlijke. En dat is een moeilijke les. Smal is het pad, dat ten hemel leidt, zoodat de ziel wel eens zucht: wie kan dan zalig worden ? Bij menschen is het onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.
Uw voetstappen werden niet bekend.
Uw voetstappen werden niet bekend. Aan wie niet ?
Allereerst aan Pharao niet. Had hij het geweten, dat de Heere Israël voorging, hij zou teruggeschrokken zijn. Maar Pharao was met blindheid geslagen. In hem zou Gods almacht verheerlijkt worden. En toen de voetstappen Gods hem bekend werden, was het te laat. Toen was hij met zijn heir reeds begraven in de golven.
Maar ook van Israël geldt het, dat de voetstappen des Heeren niet bekend werden. Immers geloof en twijfel waren gemengd in hun hart en reeds spoedig had het ongeloof weer de overhand. Was hun vertrouwen sterk geweest, dan was er voor kleinmoedigheid geen plaats geweest voor de verdere reis. Want als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn ? De dichter zingt: De Heere is aan de spits getreden dergenen, die mij hulpe biên. Waar de Heere voorgaat, daar moeten de wateren wijken, 't Water zag, o God, U komen, 't Water zag U en de stroomen steigerden vol schrik omhoog.
De voetstappen des Heeren worden niet bekend. Hoe dikwijls wordt dit ook gevonden in het leven van Gods gunstgenooten. Vandaar zooveel bezwaren, zooveel twijfelingen.
En toch, de Heere vergist zich niet in de wegen.
Zijn voetstappen zijn gezegende voetstappen.
Zoó diep immers kan de zee niet zijn, of de Heere is er. De Heere gaat voor, al ziet Zijn volk den Heere niet. Dan leert men zien op den oversten Leidsman en Voleinder, Jezus Christus, die in onze benauwdheden benauwd is geweest en de Voorspraak is bij den Vader.
Hij gaat ons voor op het pad van gehoorzaamheid en vertrouwen, zoodat wij er van verzekerd zijn: het gaat door nood en dood — naar 't morgenrood; en onder 't kruis — naar Huis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's