NIENKE
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen
„Als een echte zakenman geeft hij niet te veel, maar ook niet te weinig. Ook hier betoont hij zich een reëel koopman, die weet wat hij wil, bij wien niemand tekort komt, maar die, te midden van de vele zorgvuldigheden des levens, die hem uit zijn huis en zelfs uit zijn land doen gaan, niet zóó in h«t stof opgaat, dat zijn hart niet meer spreken kan, maar ook nog uitleven mag boven de dingen van deze wereld.
„En dat alles wordt nu bewezen aan een wildvreemde en die zijn vijand is".
Met groote aandacht en inspanning had de gemeente geluisterd naar deze eenvoudige, maar ernstige prediking. Wat kon dominé Buitenveld de dingen altijd treffend, maar juist zeggen. Geen woord ging boven de bevatting der hoorders, en toch was zijn taal en stijl overeenkomstig de plaats, waar men zich bevond, vol ernst en degelijkheid, 't Was alsof hij de H. Schrift nader bij de menschen bracht. Het Woord begon door de prediking voor hen te leven, 't Waren zoozeer geen nieuwe dingen, die hij verkondigde, en toch ook al weer nieuw, juist door de wijze, waarop hij sprak. Ditmaal scheen zijn woord toch bijzonder in te slaan. Wat wilde ds. Buitenveld en waar wilde hij heen ? Nu en dan wierp deze of gene eens een blik door de kerk, om op het gelaat van de vrienden en bekenden te lezen, hoe men daarover dacht, 't Was eene prediking, zoo uit het volle, rijke, maar vaak ruwe leven. En het scheen alsof de prediker het er op had toegelegd, al zijne hoorders te brengen onder den machtigen greep van het Godswoord, dat, zonder aanzien des persoons, zulke geweldige dingen zeggen kan, tegen hoog en laag, rijk en arm, voornaam en gering, vroom en goddeloos !
Tot verpoozing vroeg ds. Buitenveld de gemeente te zingen :
'k Wil nimmer iemands nadeel zoeken, Schoon hij mijn nadeel zoekt ; Mijn vijand wil ik nooit vervloeken. Ofschoon hij mij vervloekt.
Zachtmoedig wil ik hem bejeeg'nen. Al dreigt hij, 'k dreig hèm niet ; En scheldt hij mij, ik wil hem zeeg'nen. Omdat mijn Heer 't gebiedt.
Evenwel niet allen zongen mee. Tal van kerkgangers herinnerden zich niet, dat zij dit lied ooit gezongen hadden ; doch dit was niet de éénige reden, waarom sommige monden gesloten bleven. Boer Santema zag al maar in zijn opengeslagen bijbel, zooals deze, met dat mooie gedreven koperwerk, voor hem op den lessenaar lag, zonder ook maar even te verraden, wat er in hem omging.
Gewoonlijk zong hij nooit mee, omdat hij niet muzikaal was aangelegd en voor hem al de noten de zelfde hoogte hadden. Daarom had hij indertijd ook niets gevoeld voor de vernieuwing en vergrooting van het kerkorgel en hoorde men op Donia-state. zelden of nooit muziek. Alleen wanneer er visite was of een der huwbare dochters bezoek van e; n minnaar kreeg, bood de piano wel eens een afleiding of diende men met de verkregen kunst te geuren, doch zoo door de week was het speeltuig gesloten, evengoed als het kabinet en de brandkast, 't Geloei van de koeien en 't geblaat der schapen, en 't gehinnik van den vos en de merrie in de fenne, waren voor hem, naast den zilveren klank van het geld, de schoonste geluiden. Dat alles was voor hèm muziek.
Vandaar, dat zijn mond gewoonlijk gesloten bleef, wanneer de gemeente in haar lied deelnam aan den dienst in het heiligdom en uiting gaf aan het zieleleven der kinderen Gods. Maar vooral, wanneer de dominé van die psalmen of gezangen liet zingen, die zoo persoonlijk waren en die zoo rechtstreeks verklankten, wat daar binnen vaak leeft, of ook het hart of geweten in beroering en onrust brachten, steeg zijn afkeer tegen alles, wat tot den zang of de muziek in betrekking stond. Daarom had hij in den grond 't land aan Gurbe Schoenmaker, als die zoo boven alles uitkraaide, precies als de groote haan van Donia-state, die onder zijne rasgenooten in wijden omtrek ook het eerste en laatste woord meende te moeten hebben ; en vooral had Gurbebaas het eens bedorven, toen hij, zonder erg, in zijn tegenwoordigheid ging zeggen : „Alleen de boozen zingen niet".
Geen wonder dus, dat ook vanuit de kerkvoogdijbank geen onverdeelde instemming met het gemeentegezang gevonden werd ; doch dan was daar nóg eene bijzondere reden voor, gelijk nader blijken zal.
Na het zingen kwam het meer toepasselijk gedeelte van de preek, 't Geen hij tot hiertoe gezegd had, zou, naar ds. Buitenveld verwachtte, geen tegenspraak onder de hoorders vinden, omdat hij feitelijk niets anders gedaan had dan het Woord laten spreken. Doch nu kwam er een ernstige roepstem tot de gemeente; aldus sprak hij : „Daar zal er waarschijnlijk niet één in ons midden gevonden worden, die in theorie niet toestemt, dat het optreden van den Samaritaan door den Heiland wordt aanbevolen, en Hij daarmede wil te kennen geven, ook al wil de hooghartige Wetgeleerde dit niet toestemmen, dat het dit is, wat van de tempelgangers, dus van de kinderen Gods, de gemeente des Heeren, verwacht moet kunnen worden. Niet van a^ kinderen der wereld in de eerste plaats, al kan het niet ontkend, dat onder dezen edele karakters zijn, vaak edeler en beminnelijker dan van menigen belijder, doch van diegenen vooral, die belijden je gelooven, die erkennen door de genade Gods en de barmhartigheid van Jezus Christus te zijn verlost, en die op Zijne zaligheid hopen".
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's