UIT DE HISTORIE
Paulus' prediking niet van menschelijken oorsprong ; de apostel is geen menschenbehager, maar weet zich dienaar van Christus ; hoofdstuk 1 vers 10—12. {IV J.
Vervolg vers 11 en 12.
Gij zegt : de kerk is heilig, en de vaderen zijn heilig. Het is waar. Maar hoe heilig de kerk ook is, toch moet zij bidden : vergeef ons onze schulden. Zoo zijn ook de vaderen, hoe heilig ze ook geweest zijn, alleen door de vergeving der zonden zalig geworden. Daarom moet men noch mij, noch de kerk, noch de vaderen, noch de apostelen, noch eer. engel uit den hemel gelooven, wanneer wij iets leeren, dat tegen Gods Woord ingaat, hetwelk tot in eeuwigheid moet blijven staan. Was dit niet zoo, dan zou het argument van de valsche apostelen tegenover de leer van Paulus heel wat meer gewicht in de schaal gelegd hebben, want het is voorwaar, zeg ik, een groote, zeer groote zaak, dat zij de geheele kerk, benevens heel den kring der apostelen, den Galaten voor oogen stelden tegenover den eenen Paulus, die bovendien nog later gekomen was, en veel minder aanzien had. De argumenten der valsche apostelen waren wel zeer krachtig en van verstrekkende gevolgen. Want niemand wil gaarne beweren, dat de kerk dwaalt, en toch moet men zulks noodzakelijkerwijze zeggen, wanneer zij iets leert, dat tegen het Woord van God ingaat.
Petrus, de voornaamste onder de apostelen, leefde en leerde eens in strijd met Gods Woord ; hij dwaalde dus. En hoewel deze dwaling .oogenschijnlijk slechts onbeduidend was, ontveinsde Paulus haar niet, omdat hij zag, dat zij een verderf zou kunnen zijn voor de gansche kerk ; daarom wederstond hij Petrus in het aangezicht en bestrafte hem, omdat hij niet overeenkomstig de waarheid van het Evangelie wandelde. Dientengevolge moeten noch de kerk, noch de vaderen, noch de apostelen, noch een engel gehoord worden, wanneer zij niet het zuivere Woord Gods brengen en leeren.
Paulus' bizondere roeping; hoofdstuk 1 vers 13—2i. (l).
Want gij hebt mijnen omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgde, en ze verwoestte ; en dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijnen ouderdom in mijn geslacht. Vers 13 en 1.
Deze plaats heeft geen afzonderlijke verklaring noodig. Paulus wijst hier echter op zich zelf als voorbeeld, als hij zegt : Ik heb krachtiger en met meer volharding het.Farizeïsme en het Jodendom verdedigd, dan gij en uw valsche leejaren. Wanneer dus de gerechtigheid, 'die uit de Wet is, iets was, dan zou ook ik van haar niet zijn afgeweken ; voordat ik Christus kende, heb ik, om de Wet Ic volbrengen, mij geoefend en heb ik zulke vorderingen willen maken, dat ik vele lieden van mijn geslacht heb overtroffen. Ten einde de gerechtigheid, die uit de Wet is, te verdedigen, heb ik zóó geijverd, dat ik de gemeente Gods op zijn bitterst vervolgde, en haar verwoestte. Want daar ik hiertoe van de overpriesters macht ontving, heb ik vele heiligen in de gevangenis geworpen, en het oordeel overgebracht, wanneer zij gedood moesten worden. En uit vele synagogen heb ik lieden gestraft en tot lastering gedwongen ; en bovenmate tegen hen woedend, heb ik ze vervolgd tot in vreemde steden toe.
Zijnde overvloedig ijverig voor mijne vaderlijke inzettingen. Slot vers 11.
Hieronymus merkt terecht op, dat Paulus hier de vaderlijke overleveringen niet farizeesch of menschelijk noemt. Want de apostel handelt hier niet over de farizeesche inzettingen, maar over een heel wat belangrijker zaak. Hij rekent zelfs de Wet van Mozes onder de vaderlijke inzettingen, omdat zij van de vaderen ontvangen en door hen overgeleverd is. Voor deze inzettingen, zoo zegt hij, heb ik onder het Jodendom bovenmate geijverd. Op dezelfde wijze spreekt hij in Filippenzen 3 vers 5 en 6 : „naar de Wet een Parizeer ; naar den ijver een vervolger der gemeente ; naar de rechtvaardigheid, die in de Wet is, zijnde onberispelijk". Het is, als wil hij zeggen : Ik zou openlijk kunnen roemen, en het heele Joodsche volk uitdagen, ook de besten en heiligsten uit de besnijdenis, omdat gij mij niemand kunt aanwijzen, die heftiger en met meer vuur voor de Wet van Mozes gestreden heeft, dan ik vroeger gedaan heb. Boven anderen ijverde ik buitengewoon voor de inzettingen der vaderen, dat wil zeggen : ik deed mijn uiterste best, om de gerechtigheid, die uit de Wet is, te verkrijgen. Dit, Galaten, moet u bewegen, om die bedriegers niet te gelooven, welke de gerechtigheid der Wet maken tot een zaak van het allergrootste gewicht daar ik, wanneer het in dit opzicht op roemen aankomt, heel wat meer te roemen héb.
Indien iemand, dan heb ik, alvorens het licht des Evangelies mij opging, eerbiedig de wetten van den paus in acht genomen, en voor de vaderlijke inzettingen geijverd ; met grooten ernst heb ik die, als zijnde heilig voor voor onze zaligheid noodzakelijk, bevorderd en verdedigd. Met vlijt heb ik getracht, ze te houden, terwijl ik mijn lichaam afmartelde door gebeden, vasten, waken en andere oefeningen, evenals alle lieden, die mij heden ten dage zoo bitter haten en vervolgen, omdat ik thans aan al die werken het vermogen, om te kunnen rechtvaardigen, ontneem. Ik was namelijk wat het in acht nemen dezer inzettingen betreft zóó vlijtig en bijgeloovig, dat ik mijn lichaam een zwaarder last oplegde, dan het met het oog op z'n gezondheid zonder gevaar verdragen kon. Volkomen onbaatzuchtig heb ik den paus vereerd : zonder prebenden en eereambten te aanvaarden. Wat ik gedaan heb, deed ik met een eenvoudig hart, uit oprechten ijver en tot eer van God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's