De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Heidelbergsche Catechismus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Heidelbergsche Catechismus

naar de verklaring van ZACHARIAS URSINUS (21)

4 minuten leestijd

Nu zullen we de bewijsplaatsen der Schrift opnoemen, enkele tegenwerpingen oplossen en den oorsprong en de bron van het kwade duidelijk maken.
De Schriftuurplaatsen, die leeren, dat God geen oorzaak van de zonde is, zijn vele ; enkele uit dit aantal aan te geven is voldoende.
Eerst een plaats uit de Apocrifen : „Want God heeft den dood niet gemaakt en heeft geen vermaak aan het verderf der levenden".
(Boek der Wijsheid 1 : 13). Vervolgens lezen we : „Zou Ik eenigszins lust hebben aan den dood des goddeloozen ? spreekt de Heere, Heere ; is het niet, als hij zich bekeert van zijne wegen, dat hij leve ? " (Ezech. 1-8 : 23).
„Want Gij zijt geen God, die lust heeft aan goddeloosheid ; de Booze zal bij U niet verkeeren. De onzinnigen zullen voor Uwe oogen niet bestaan ; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid . (Ps. 5 : o en 6). „Alleenlijk, ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mensch recht gemaakt neett, maar zij hebben vele vonden gezocht". (Pred. 7 : 30). „Onze ongerechtigheid bevestigt Gods gerechtigheid". (Rom..3 : 5). „Daarom, gelijk door éenen mensch de zonde in de wereld ingekomen is en door de zonde de dood". (Rom. 5 : 12).
„Want ik weet, dat in mij, dat is mijn vleesch, geen goed woont". (Rom. 7 : 18).
Uit deze Schriftuurplaatsen maken wij de gevolgtrekking, dat God niet de werker der zonde is, maar dat de oorsprong van hel kwade uit den mensch zelven voortkomt door het ingeven des duivels ; zoodat wij zeggen, dat de duivel de menschenmoorder van den beginne is, maar deze had toch niets kunnen uitrichten, tenzij de mensch vrijwillig in het kwade had toegestemd.
Roepen wij den val van onzen vader Adam ons in het geheugen terug. God heeft Adam geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, dat is : Hij had hem geschapen zeer goed, zeer volmaakt, zeer heilig, zeer rechtvaardig en onsterfelijk. Hij had hem met zeer uitnemende gaven voorzien, zoodat hem niets ontbrak tot zijn geluk in God. Hij was toch begaafd met een Goddelijk verstand, zijn wil was gansch zeer vrij en heilig, hij had het vermogen om het goede of het kwade te doen, ja. God gaf hem ook een wet om aan te toonen, wat hij moest doen of laten. De Heere had immers gezegd : „Van den boom der kennis, des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten". (Gen. 2 : 17). God eischte alleen gehoorzaamheid en geloof, opdat de mensch geheel zijn God zou vertrouwen en in alles van Hem zou afhangen, niet door dwang genoodzaakt, maar door vrije daad het willende. Het moest zijn een liefdedienst, waarbij het kind zijn Vader beminde en gehoorzaamde.
In de Apocrifen lezen we : „Hij heeft van den beginne den mensch gemaakt en hem gelaten in de hand zijns raads. En heeft gezegd : indien gij wilt, gij zult de geboden houden en het geloof om te doen, hetgeen Mij welbehaagt". (Jezus Sirach 15 : 14 en 15). Toen dus de slang den mensch verzocht en hem aanraadde, om van den verboden boom te eten, wist de mensch het volkomen, dat de raad van de slang streed met het voorschrift Gods : „Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten ; ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven". (Gen. 2 : 17). Het lag dus in de beslissing van den mensch, die door God goed geschapen was en den wil Gods kende, om te eten of niet te eten. God had hem Zijn oordeel bekend gemaakt, uitdrukkelijk bevelende niet te eten. En door de waarschuwing, waarbij gewezen werd op het gevaar van het sterven, dat dreigde, hield Hij hem van het eten terug. De Satan heeft geen geweld gebruikt, hij kon het ook niet ; hij overreedde en overtuigde slechts. Toen nu de wil der vrouw henen neeg naar het woord van den duivel, week haar geest van Gods Woord af, en toen de goede wet was verworpen, volvoerde zij het kwade werk. Daarop bracht zij haar man, die vrijwillig volgde, tot deelgenootschap aan het kwade. De Schrift zegt : „En de vrouw zag dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust voor de oogen, ja een boom, die 'begeerlijk was om verstandig te maken ; en zij nam van zijne vrucht en at ; en zij gaf ook haren man met haar en hij at". (Gen. 3:6).
Hier hebben we dus den aanvang van het kwade : den duivel. Hier hebben we, wat des menschen wil bewoog : de onwaarheid, de algeheele leugen des duivels en het aanlokkelijke gezicht van den boom. Vrijwillig doen dus Adam en Eva wat zij doen, bedrogen door de hoop op meer uitnemende wijsheid, welke de verleider hun had voorgespiegeld.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Heidelbergsche Catechismus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's