De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (2)
J. A. Wonnser, 1807—1862, werd geboren te Amsterdam. Door het lezen van Brakel's „Redelijke Godsdienst" tot bekeering gekomen, sloot hij zich eerst aan bij de Evangelisch-Lutherschen, waar hij gedoopt was, en daarna bij de Hervormde Gemeente (1833).
In 1836 voegde hij zich bij de Christelijk-Afgescheiden gemeente. Door haar erkenning vragen bij de Overheid, in 1839, gevoelde hij zich diep teleurgesteld. Hij werd als ouderling daar geschorst. Daarom bracht hij zijn kinderen in de Hervormde Kerk terug (op de catechisatie van ds. Hasebroek) en ging ook met zijn vrouw in 1861 tot haar over. Door de oprichting van een Gereformeerd Seminarie, wilde hij de Gereformeerden binnen en buiten de Hervormde Kerk samenbrengen. In den kring van het Reveil was hij een geziene figuur, bekwaam met de pen. Vooral in „De Nederlander" was hij mr. Groen van Prinsterer, met wien hij reeds vanaf 1842 bevriend was, tot grooten steun door zijn artikelen. Het beroemde Eindprotest, geschreven in 1854, tegen de Kerkelijke besturen, was zijn werk.
Van de afzonderlijk uitgegeven geschriften noemen we : „De onkerkelijke richting, die zich bij vele geloovigen openbaart" (1849) en „De Kinderdoop", waarvan de hoofdgedachte is : „Leer der natie haren doop verstaan en waardeeren — en Kerk en Staat zijn gered".
Over dat laatste boekje gaan we nu een paar artikelen schrijven.
Gelijk in ons eerste artikel reeds gezegd is, is dat boekje : De Kinderdoop, opnieuw uitgegeven en nu ingedeeld in 21 Hoofdstukken.
Wij gaan eerst iets vertellen uit het eerste Hoofdstuk :
I. Een gedoopte natie — een Christelijke natie.
Er zijn eenvoudige waarheden en eenvoudige instellingen, welker diepe beteekenis en hooge belangrijkheid, voor de Kerk en voor het Christelijk-maatschappelijk leven, juist door hun algemeene bekendheid en gebruik, veelal worden voorbijgezien.
Ik geloof — zegt Wormser — daaronder te mogen rekenen : de instelling van den Kinderdoop.
Tegenwoordig wordt ieder gedwongen, over de belangen van den Staat zijn gedachten te laten gaan. Temeer, waar het oppermachtige liberalisme, gedreven door een anti-christelijken geest van vrijzinnigheid, allerlei operaties op het volksleven onderneemt, om, onder mooie leuzen, heel het volksleven te onttrekken aan de tucht van Gods Woord en te onderwerpen aan de heerschappij der „verlichte Rede". Godsdienst was, zoo noodig, goed voor de binnenkamer (men citeerde dan zelfs : „Gods verborgen omgang vinden zielen, enz., en dus moest men met z'n godsdienst in het verborgen blijven !...), maar in School, Wetenschap, Maatschappij en Staat, had men met de geopenbaarde Waarheid Gods niet te maken (later zei men : „verknoei alles toch niet met uw bijbelteksten" ). Wie het dan ook voor de rechten van het Woord Gods opnam in het openbare leven, werd gehaat en achteruitgezet ; men werd gerekend tot „de nacht-school". Uit regeering en wetgeving moest zooveel mogelijk verwijderd worden, wat er aan herinnerde, dat Nederland eens een positief Christelijk land was. Het ideaal was een z. g. n. neutrale, d. w. z. godsdienstlooze Staat.
Het is tegen deze „operatiën" der liberale machthebbers, tegen dit pijnlijk uitsnijden van alle Christelijke elementen uit het openhare leven, dat Wormser protest aanteekent.
Zelfs de theologische wetenschap moest „neutraal" zijn.
Nu ben ik twee dingen tegelijk : ik ben lid van den Staat èn lid van de Kerk. Als de Staat mij roept, ben ik lid van de Kerk. En de Kerk leert mij, dat het volk van Nederland, waartoe ik behoor, een gedoopte natie is ; en deze mag dus — dat staat voor mij als lid van de Kerk vast — niet behandeld worden, alsof er geen Kinderdoop ware.
Staat en Kerk moeten natuurlijk onderscheiden worden, maar mogen nooit in anti- Christelijken zin gescheiden worden. De gedoopten mogen dat nooit toelaten. In den Staat komt een gedoopt volk aan 't woord ; en een gedoopt volk weet, dat de Staat niet van God en Zijn Woord kan en mag gescheiden worden. Zoo'n Staat zou onmogelijk zijn als anti-nationaal, omdat Kerk en Staat, godsdienst en staatkunde, in ieder lid van de natie op het nauwst vereenigd zijn.
Wel kan in een land, waar de Kerk gescheurd is, en zich in verschillende, elkander somtijds vijandige, deelen openbaart, de Staat weigeren één van die deelen, met uitsluiting van de andere, als de Kerk te erkennen. Maar de Staat kan zich nooit ontslaan van zijn betrekking tot de Kerk in haar geheel.
En noch staatkundige, noch theoloog zijnde — aldus Wormser — wensch ik, eenvoudig burger en eenvoudig lid van het geheele lichaam der natie, wat een organisch geheel is, mijn bezwaar in het midden te brengen tegen de liberalistische operaties, tegen de verwijdering van alle Christelijke beginselen uit onze nationale instellingen.
En ik grond mij daartoe op het feit : dat onze geheele natie is gedoopt.
[In Wormser's dagen gaf bij de volkstelling van 1849, niemand zich op als „behoorende tot geen enkele Kerk". Dat is nu zoodanig veranderd, dat ongeveer één zevende deel der bevolking, 1443 per 10.000 inwoners, als „behoorend tot geen enkele Kerk" nu te boek staat ; wat wel niet zeggen wil, dat die allen zich opgeven als „godsdienstloos", maar het feit spreekt toch overduidelijk van treurige toestanden.]
Héél onze natie is nu — in onze dagen — zeker niet meer in haar geheel een gedoopte natie, maar Gode zij dank kan nog wèl gezegd worden „onze natie is in haar overgroote meerderheid gedoopt, en als zoodanig een „gedoopte natie". En hiermede is zakelijk het uitgangspunt van Wormser's betoog gehandhaafd.
Onze natie bestaat maar niet uit menschen, waarmee niets gebeurd is, maar die geteekend zijn door het teeken van den Doop, zoowel de Protestanten, in al de schakeeringen, als de Roomschen.
En daarom zegt Wormser : „Onze geheele natie is gedoopt". De Christelijke Doop met al zijn wettige consequenties voor het individu, het huisgezin, de School, de Kerk en den Staat, is nationaal".
„De gansche Nederlandsche natie is gedoopt — ziedaar een feit waartegen weinig te zeggen valt.
Resultaat van haar eigen historie en levensweg gedurende 12 eeuwen, wijst dit feit haar terug op de geschiedenis der wereld, met welke zij in geestelijke duisternis en heidensche barbaarschheid verzonlien lag, en wijst het haar heen naar de gewijde historie, waaraan het haar geschiedenis vertakt. De natie, oorspronkelijk heidensch, is langs den weg, dien haar historie ons aanschouwelijk maakt, door God geleid om met Hem te staan in een verbond, in het verbond Zijner genade. Ieder lid van de natie heeft daarvan het zegel aan zijn voorhoofd ontvangen in den Doop.
De levenswortel van een volk is, voor het grootste gedeelte althans, vervat in de geschiedenis van zijn Vaderland en zijn Kerk. Het is maar niet als Staats-machine gegroeid, als een technisch stuk, maar als levend en organisch zich ontwikkelend geheel. We hebben een Christelijk-historisch-volksleven, waarvan ook het Handboek der Geschiedenis van het Vaderland, door mr. G. Groen van Prinstérer, een getuigenis is. (1853).
De treurige toestand van de meeste landen van Europa bewijst dan ook, dat men een volk even weinig zonder gevaar voor het volksleven kan losmaken van zijn geschiedenis en van zijn Kerk, als men een levend mensch kan uit elkander nemen en daarna weder ineenzetten.
[Er waren in Wormser's dagen allerlei revoluties en omwentelingen in tal van Europeesche Staten, die principieel hun oorsprong vonden in de beginselen der Fransche Revolutie. Deze beginselen ondermijnden bij de volken den eerbied voor God en Zijn Woord en voor Zijn leidingen in de geschiedenis van Staat en Kerk ; ook viel alle gezag weg en alle eerbied voor de machten, die over ons gesteld zijn, met gevolg : wanorde, verdeeldheid, revolutie. Groen sprak toen : „tegenover de Revolutie het Evangelie" ; en leerde dat vooral op de School weer Christelijk nationaal onderwijs gegeven moest worden. Zijn spreuk was : „Er staat geschreven" en „er is geschied". Er moest weer uit den Bijbel geleerd worden en er moest weer het rechte geschiedenisonderwijs komen op de Scholen.]
(Wordt voortgezet.)

DE BELLAMY-BEWEGING
Dr. Bellamy heeft twee boeken als roman geschreven : „In het jaar 2000" en „Gelijkheid voor allen". Ds. H. Mulder heeft de hoofdgedachten van deze roman weergegeven in 3 artikelen in „De Reformatie" (10, 17 en 24 Sept. '37) en drs. A. B. W. M. Kok schreef er over in het Zondagsblad van „De Standaard" (30 Jan. en 7 Fébr. '37). Ook is er een studieschets verschenen in de A.R.J.A. serie, van de hand van ds. Plantagie. Dr. Bellamy beschrijft in zijn roman een jonge man, die in het jaar 1887 onder hypnose werd gebracht en door een incident onder hypnose is gebleven, en in het jaar 2000 ontwaakt, om' dan kennis te maken met de Bellamy-samenleving en den Bellamy-staat, die gedurende zijn hypnotischen toestand tot stand is gekomen. Successievelijk worden hem de verschillende voordeden daarvan duidelijk. Het is alles in den weg der evolutie zoo geworden.
Wat zijn nu de hoofdgedachten ? Niet de komst van Gods Koninkrijk. Maar b.v. het particulier bezit der productiemiddelen is verdwenen en aan alle winst-maken ten eigen bate tegelijk. De arbeid wordt dan, als een noodzakelijke plicht, door allen voor allen verricht en geschiedt geheel vrijwillig volgens een regeling, die ieders aard en aanleg eerbiedigt. De arbeidstijden zullen, ten gevolge van de ontwikkeling der techniek, zeer kort zijn.
Verschillen in de arbeidstijden zullen worden bepaald door de meerdere of mindere lust, die zich voor een bepaalden tak van arbeid openbaart. Men geniet onderwijs tot 21 jaar en werkt dan tot 45 jaar, waarna men komt bij den reserve-arbeidsdienst. Geld als ruilmiddel of spaarmiddel zal er niet meer zijn, want ieder ontvangt, volgens een distributie-systeem, gelegenheid om het voor allen gelijke aandeel in de productie-opbrengst te genieten. Het aandeel is strikt persoonlijk. De vrouwen zijn, voor zooveel mogelijk, aan de mannen gelijk.
Daardoor zijn ze ook onafhankelijk en zijn zedelijke misstanden als prostitutie, en huwelijken anders dan uit liefde, verdwenen. De algemeene gezondheidstoestand en de moreele gedragingen zijn zeer gunstig gewijzigd. Het eten van vleesch is afgeschaft.
Verschillende groepen kunnen, in gezamenlijk overleg, personen aanstellen, die aan hun 'bijzondere religieuse en cultureele verlangens voldoen.
Wat moet nu ons oordeel zijn over het evolutionistisch streven der Bellamy-beweging ? Waardeering verdient de bewogenheid met den socialen nood en de begeerte om daarin verandering te zien gebracht.
Erkend moet worden, dat sociale ellende, blijkens de ervaring, velerlei moreele en lichamelijke ellende ten gevolge heeft.
Maar — in den pantheïstischen, evolutionistischen weg van Bellamy, met zijn humanistisch streven waarbij de menschen hoe langer hoe beter zullen worden en de maatschappij en de staat tot de volmaaktheid zullen voortvaren door immanente krachten, is niet anders dan bittere en wreede teleurstelling te wachten.
Veroordeeld moet worden de bewering, dat de mensch van nature goed is en dat slechts het tegenwoordig systeem veranderd moet worden ; dat slechts het z.g.n. winstsysteem heeft te verdwijnen, om een paradijs op aarde te tooveren.
Verkeerd is de stelling, dat arbeid een noodzakelijk kwaad is, want de arbeid is van den beginne af aan den mensch gegeven, reeds vóór den val in het paradijs, om als heer boven de schepping te staan en alles te gebruiken en te verwerken tot Gods eer en des menschen heil.
Veroordeeld moet worden het streven, om de gelijkheid van de vrouwen met de mannen te verkrijgen, als in strijd met Gods scheppingsordinantie.
Ook is de gedachte verkeerd, dat het vegetarisme vereischt wordt door broederlijk gevoel van solidariteit.
En het is er geheel en al naast, als men denkt, dat de Kerk mag worden beschouwd als particuliere liefhebberij.
Wie over deze dingen wat meer lezen wil kan terecht bij de Chr. Encyclopaedie bij Kok uitgegeven ; bij C. Smeenk : „Christelijke Sociale beginselen" Deel I en Deel II. Dr. B.
Wielenga : „Moderne Ascese" ; prof. Diepenhorst : „Grondbeginselen der Economie" enz.
Het insigne der Bellamyanen is een doorgezaagd geldstuk ! Zóó gaat men naar „het jaar 2000" en naar „gelijkheid voor allen".
Maar Hem, Die de weg, de waarheid, en het leven is kent men niet.
En het Woord eert men niet als de lamp voor de voet en het licht op ons pad.

Catechismusprediking overal. Maar dan niet dood regelen!
Als wij het goed lezen zegt dr. K. Sietsma in de Kroniek van het Geref. Theol. Tijdschrift, dat men in de Geref. Kerken alles en alles wil regelen en dat men, als men niet oppast, alles dood maakt door die kerkelijke regels en voorschriften. „Denk ook maar eens aan de idee, om de Catechismusprediking (weer) te doen plaats hebben over het geheele land, zóó, dat overal dezelfde Zondagsafdeeling op denzelfden Zondag van het jaar behandeld word*. Dat zou neer komen — anders is het niet mogelijk — op herinvoering van de oude practijk, dat in elk geval in Amsterdam nog bestaat, om het jaar te beginnen met Zondag 1 en te eindigen met Zondag 52, en daarbij lederen Zondag een afdeeling af te handelen. Paschen en Pinksteren incluis.
Zouden wij niet liever ons er in verblijden, dat er in onze kerken óók nog eenige variatie overgebleven is ? Dat b.v. het ook een Kerkeraad geoorloofd is om op Paschen en Pinksteren en met Kerstmis geen Catechismusprediking te doen houden, die zou kunnen handelen over het lijden of het sterven of over de hemelvaart van Christus ?
En dat het een predikant vrij staat om, in overleg met zijn Kerkeraad, ook eens twee keer achter elkaar te preeken over Zondag 7 (het geloof), eens over de uitverkiezing, en dat de genade particulier is (vr. en antw. 20 : „dat niet alle menschen wederom door Christus zalig worden, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden") ; om b.v. eens afzonderlijk te preeken over vr. en antw. 22, over de Kerk als pilaar en vastigheid der waarheid ?
En dat hij, aan den anderen kant, óók eens de gelegenheid krijgt om de Zondagen 28—30 (van het Heilig Avondmaal) in twee keer te 'behandelen en Zondagen 36 en 37 (vloeken en eed zweren) te combineeren ?
Ik geloof, dat de frischheid van de Catechismusprediking bij de groote meerderheid der predikanten zéér bevorderd wordt door meerdere vrijheid in dezen, mits wordt gezorgd, dat geen geloofswaarheid onbesproken blijft ; en dat de gemeente meer opgebouwd wordt en onderwezen, wanneer men b.v. twee jaar doet over één gang door dit kostelijke leerboek, dan wanneer wij allen langs hetzelfde paadje zouden moeten draven, met totale negatie van het feit, dat de Catechismus drie honderd en zeventig jaar oud is en dus nu de accenten iets anders liggen en de stof iets anders gegroepeerd is dan toen.
En het is wel noodig, dat de gemeente goed onderwezen wordt en de predikanten weer dogmatiek studeeren, niet alleen nieuwe, maar ook oudere. De klacht, dat vele predikanten hun dogmatiek niet kennen, heeft grond. En de Catechismusprediking kan de prikkel zijn om tot de kern der zaak door te dringen".

Het recht van de meerdere vergaderingen en de begrenzing daarvan.
De Schrift leert — aldus prof. Grosheide in een vervolgartikel — dat de meerdere vergaderingen gezag hebben. En dan maar niet een gezag, dat afgeleid is van de mindere vergaderingen, maar een rechtstreeksch gezag ; omdat de Heer e, gelijk we zagen, daarvan rechtstreeks spreekt in Zijn Woord.
Beteekent nu echter het gezag der meerdere vergadering, dat de mindere, bijzonder de Kerkeraad, zich zonder meer aan haar gezag heeft te onderwerpen ? Dus onvoorwaardelijk ? De vraag stellen, is haar beantwoorden.
Want zeker spreekt de Schrift van het rechtstreeksch gezag der meerdere vergadering. Daarvan gaan we uit. Maar daarmee is dan tegelijk de grens van dat gezag van Synodes en Classes aangegeven. Daar is geen gezag dan van God. En gezag, dat niet rust op goddelijke opdracht of goddelijk gebod, is de naam van gezag niet waard. Zoo is het op elk terrein van het leven, óók op kerkelijk gebied.
In onze Kerkorde wordt dat ook met zoovele woorden uitgesproken.
In Art. 31 lezen wij, dat wat door de meeste stemmen goedgevonden is, voor vast en bindend zal worden gehouden, tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods. Dat 'behoefde 'bijna niet te worden verklaard, zoozeer spreekt het vanzelf. Maar 't is goed, dat het ten overvloede in onze Kerkorde is opgenomen. „De practijk leert echter — aldus prof. Grosheide — „dat van de genoemde woorden nog al eens misbruik word! gemaakt. Of misschien is het juister te zeggen, dat ze verkeerd worden toegepast".
„Wij, Gereformeerden, vragen wel eens op een wat wonderlijke manier, om bewijzen.
Dat mag er nu geenszins toe leiden, dat het gezag der meerdere vergaderingen wordt ontzenuwd. Want de practijk leert, dat van de genoemde woorden nogal eens misbruik wordt gemaakt of verkeerd worden toegepast. Men komt dan met z'n redeneeringen en zegt, dat het zóó naar de Schrift is — en de ander (in dit geval de meerdere vergadering) moet dan maar bewijzen, dat deze redeneering van den bezwaarde niet naar de Schrift is. Maar de procedure is anders.
Als de Kerk, in haar meerdere vergaderingen, haar besluiten neemt, onder aanroeping van 's Heeren Naam, zijn die besluiten met gezag bekleed, omdat de meerdere vergaderingen dat gezag rechtstreeks van God hebben. Daarmee moet men beginnen ; met het zeggenschap van de meerdere vergaderingen over de mindere vergaderingen.
Evenwel moet men steeds bedenken, dat de kerkelijke vergaderingen, al zijn ze de wettige organen, waardoor de Heere werkt, niet onfeilbaar zijn. Daarom moet de mogelijkheid opengelaten worden, dat de kerkelijke vergadering, die van God geroepen is, ordeningen te stellen, dwalen kan. En daarom nu de bepaling in Art. 31, waar staat : dat, wat door de meeste stemmen goedgevonden is, voor vast en bindend zal worden gehouden ; maar waar dan bijgevoegd wordt : tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods.
Verondersteld moet dus worden, dat de Kerken saam leven naar het Woord Gods ; dat de meerdere vergaderingen dienovereenkomstig besluiten nemen, die bindend zijn en die gezag hebben voor allen. En dan moet de mindere vergadering — eventueel de Kerkeraad — die bezwaard is, op de meerdere vergadering aantoonen, dat de vergadering, die het besluit nam, dwaalde ; en beide vergaderingen moeten dan bereid zijn zich te laten overtuigen van ongelijk ; zoowel de meerdere als de mindere vergadering.
Met te zeggen, dat iets in strijd is met Gods Woord, is men er niet mee af ; en tegen het gezag hebbend besluit van de meerdere vergadering in te gaan, komt aan een mindere vergadering zoo maar niet toe. De meerdere vergadering zal, naar Gods ordening, hebben te beslissen. En kan dan de mindere vergadering — eventueel de Kerkeraad — ten slotte zich niet vereenigen met het besluit, waarvan de Kerk dus zegt, dat het naar Gods Woord is, dan blijft in laatste instantie niets anders over dan verbreken van het Kerkverband.
De tweede zaak, waarop hier te letten is, is óók in de Kerkorde geregeld. Want de Kerkorde heeft gerekend met de gevaren van machtsoverschrijding, naar twee kanten. Het gezag van de meerdere vergaderingen mag niet opzij gezet worden door de mindere vergaderingen. Maar anderzijds, mag de meerdere vergadering, die gezag heeft, dat gezag niet overschrijden, door zich te gaan bemoeien met die dingen, die toekomen aan de mindere vergadering. In de dingen die ib.v. aan den Kerkeraad toekomen, mag de Classicale Vergadering zich niet gaan mengen, door té doen „wat des Kerkeraads is", tenzij blijkt, dat de Kerkeraad de zaken niet af kan doen, doordat er moeilijkheden zijn.
We hebben dus twee dingen : het gezag van de meerdere vergaderingen, met de plicht van de mindere vergaderingen tot gehoorzaamheid ; want de besluiten zijn maar geen adviezen, als vriendelijke raadgevingen, zonder meer.
En het tweede, dat we dan in ons Gereformeerd Kerkrecht hebben, dat het gezag niet onvoorwaardelijk is. Want het is door het Kerkrecht zelf in alles nader omschreven en beperkt.
Gezag — dat is het eerste.
Maar geen onvoorwaardelijk gezag — dat is het tweede.

HOE MOETEN WE ONS BELASTINGBILJET INVULLEN?
Waarom we deze vraag hier in deze „kerkelijke" rubriek plaatsen ? Lees maar eens wat hier volgt en gij zult het wel begrijpen. En zullen we er dan ook naar handelen ? De tijd van het invullen der aangiftebiljetten voor de inkomsten- en vermogensbelasting is weer aangebroken. En aan de volstrekte betrouwbaarheid der aangiften wordt over 't algemeen nog al eens getwijfeld ! Er wordt op ruime schaal gefraudeerd, doordat men niet opgeeft wat men moet invullen.
„En 't ergste is", aldus prof. Obbink in Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur, „dat men er zich zoo weinig voor geneert. Men realiseert zich niet, dat belasting-ontduiking een vorm van diefstal is. Men besteelt niet alleen de Staat, maar ook z'n buurman, z'n naaste. Wij Nederlanders moeten gezamenlijk opbrengen wat de Staat noodig heeft. Wordt b.v. gemiddeld 10 pCt. te laag opgegeven, dan moet die 10 pCt. komen uit de zakken van andere, eerlijker burgers. Dat het een vorm van diefstal is, realiseeren velen zich evenmin als bij 't smokkelen. Wie bekend is met de gebruiken en zienswijze van de bevolking aan de grensplaatsen van ons land, of ook met de opvattingen van vele vacantiegangers naar 't buitenland, weet, hoe gewoon het is dat men zich er op beroemt de douane te hebben verschalkt met een of ander object dat aan invoerrecht onderhevig was, maar dat men handig heeft weten te smokkelen.
't Is een soort sport geworden, waarbij het geweten zwijgt. En toch is 't diefstal. En wie het doet is een dief. Het gebeurde, dat een predikant een beroep aannam naar een grensgemeente, en op een Zondag, dat het catechismus-onderwerp „gij zult niet stelen" aan de orde was, voer hij geweldig uit over de zonde van smokkelen. De naar huis gaande kerkgangers maakten zich vrooiijk over zoo'n naÏeven dominé !
Op dezelfde wijze beschouwen velen de invulling van het belastingbiljet.
Het lijkt een hopeloos ondernemen tegen een dergelijk ingevreten misbruik, waarin de spraakmakende gemeente geen gewetensconflict meer voelt, op te treden en op verandering aan te dringen.
Toch wil ik het wagen. De roep tot moreele en geestelijke herbewapening heeft in breeden kring ingang gevonden. En op allerlei wijze wordt gezocht naar wegen en middelen om tot daden te komen. Veler aandacht richt zich op het lenigen van materieelen nood. Dat is voortreffelijk. Niet weinigen meenen daarmee reeds aan den eisch tot moreele herbewapening te hebben voldaan. Maar de oproep van de Koningin reikt veel verder en dieper. Mo­reele en geestelijke herbewapening moet haar wortels hebben in onze eigen innerlijke gezindheid.
En juist daarom is de invulling van het belastingbiljet het examen in moreele herbewapening, dat de fiscus straks afneemt aan ieder Nederlander, die een blanco biljet ontvangt voor inkomsten (en vermogens) belasting. Omdat datgene wat verzwegen wordt, door den menschelijken examinator (de fiscus) meestal oncontroleerbaar is, krijgt het niet-langer-verzwijgen zijn moreele (en misschien geestelijke) waarde, die te grooter wordt, naarmate het verzwijgen ongevaarlijker is. Immers hebben de daarop voorkomende cijfers, naast hun financieele, ook een zedelijke, 'misschien zelfs geestelijke beteekenis, die God in den hemel alleen kent, en die den onderteekenaar tot zegen is. Eerlijkheid in die dingen die voor menschen oncontroleerbaar zijn, is de beste eerlijkheid. Want ze rust op „waarheid in het binnenste" (Ps. 51 : 8) waarin God een welbehagen heeft.
Laten we dan straks niet trachten den fiscus handig te foppen, want we foppen ons zelf. Tegenover het kleine financieele voordeel, dat we er door hopen te behalen, staat een groote zedelijke en geestelijke schade, die we door godsdienstigen ijver en vroomheidsbetoon niet weg kunnen nemen maar alleen maar erger maken. Het eerlijk nauwgezet invullen van ons belastingbiljet is een van de belangrijkste dingen van moreele en geestelijke herbewapening".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's