UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' brief aan de Galaten.
Paulus' bizondere roeping ; hoofdstuk 1 vers 13—2i. (11).
Maar wanneer het Gade behaagd heeft, die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijne genade, Zijnen Zoon in mij te openbaren, opdat ik dien door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zoo ben ik terstond niet te rade gegaan met vleesch en bloed ; en ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die vóór mij apostelen waren, maar ik ging henen naar Arabic, en keerde wederom naar Damascus ; hoofdstuk 1 vers 15—17.
Dit is de eerste reis van Paulus. Hieronymus geeft zich hier veel moeite, en zegt, dat Lucas in de Handelingen der Apostelen geen melding maakt van een reis van Paulus naar Arabie ; alsof het noodzakelijk is, dat alle daden en werkzaamheden van eiken dag afzonderlijk werden beschreven, terwijl zulks toch onmogelijk is ! Laat het ons voldoende zijn, dat wij enkele bizonderheden hebben, als ook de geschiedenis in hoofdtrekken, waaruit wij voorbeelden en leering kunnen halen.
Paulus betuigt hier toch, dat hij terstond, nadat hij door de genade Gods geroepen was, om Christus onder de heidenen te verkondigen, naar Arabië gegaan is, zonder te voren met iemand overleg te plegen, teneinde het werk te verrichten, waartoe hij was geroepen. En deze plaats laat zien, wie zijn leermeester geweest is, en door welke middelen hij tot de kennis van Christus en tot het apostelambt gekomen is. Door de woorden : „wanneer het Gode behaagd heeft", wil de apostel als het ware zeggen : ik heb een en ander niet verdiend, omdat ik zonder verstand ijverde voor de Wet Gods ; die dwaze en Goddelooze ijver verblindde mij zelfs zóó, dat ik onder de toelating Gods verviel in razernij en booze misdadigheden. Ik vervolgde Gods kerk ; ik was een vijand van Christus ; en het Evangelie lasterde ik. Vele anderen heb ik er toe aangezet, onschuldig bloed te vergieten ; daarin bestond mijn verdienste. Te midden van dat woeden werd ik tot de genade, die u bekend is, geroepen. Was dat omdat ik zoo schrikkelijk tekeer ging ? Geenszins ! Maar de overvloedige genade van een barmhartig God, die mij riep, heeft mij m'n lasteringen tegen Hem niet toegerekend, doch vergeven. En in de plaats van mijn vreeselijkste zonden, die ik destijds hield voor de hoogste gerechtigheid en voor de Gode aangenaamste wijze, om Hem te vereeren, heeft Hij mij Zijn genade en de kennis der Waarheid geschonken, en mij geroepen tot het apostelambt.
Ook wij zijn heden ten dage door dezelfde verdienste gekomen tot de kennis der genade. Als monnik heb ik dagelijks Christus gekruisigd, en door mijn valsch vertrouwen, dat mij toen voortdurend aankleefde, heb ik God gelasterd. Naar uiterlijke maatstaf beoordeeld, was ik niet gelijk aan apdere menschen, zooals roovers, onrechtvaardigen, en echtbrekers, maar ik oefende mij in kuischheid, gehoorzaamheid en armoede, enz. Eindelijk vrij zijnde van de bekommernissen van dit leven, gaf ik mij geheel over aan vasten, waken, bidden en missen lezen. Intusschen echter, onder al die zoogenaamde heiligheid en al dat vertrouwen op eigen gerechtigheid, werd er in mij een voortdurend wantrouwen gevoed, benevens twijfel, vrees, haat en lastering van God. Mijn eigen gerechtigheid was niets anders dan een mestkuil *) en het liefelijkste koninkrijk van den duivel. Want „heiligen" van dat slag worden door Satan bemind, en hij houdt hen voor de fijnste lekkernijen, die hun eigen zielen en lichamen verderven, zich zelf bedriegen, en zich berooven van alle zegeningen en gaven Gods. Intusschen zit bij dezulken de grootste Goddeloosheid, blindheid, twijfelmoedigheid, verachting Gods, onbekendheid met het Evangelie, ontheiliging der sacramenten, lastering en vertreding van Christus, benevens misbruik van al Gods goederen ten troon ! Om kort te gaan : dergelijke „heiligen" zijn gevangen knechten van Satan. Daarom worden zij gedwongen, om te denken, te spreken en te doen, zooals de duivel wil. Om vooral naar buiten menschen te schijnen, die anderen ver overtreffen in goede werken en heiligheid van leven.
Zóó zijn wij onder het pausdom geweest : werkelijk even groote (zoo niet grootere) lasteraars van Christus en Zijn Evangelie, als Paulus was ; en vooral ik was zoo! Zóó groot was het gezag van den paus bij mij, dat ik het hield voor een misdaad, de eeuwige verdoemenis waard, wanneer men maar in 't kleinste opzicht van hem verschilde. En deze Goddelooze meening veroorzaakte, dat ik in Johannes Hus zulk een vervloekte ketter zag, dat ik de gedachte aan hem al voor een vreeselijke misdaad aanmerkte. Ten einde het gezag van den paus te verdedigen, zou ik zelf vuur en zwaard hebben aangewend, om dezen ketter te verbranden. Ik meende, dat ik daarmede Gode een grooten dienst zou hebben gedaan. Daarom zijn tollenaars en hoeren niet zoo slecht, wanneer men ze vergelijkt met dergelijke schijnheilige lieden. De eersten toch hebben gewetenswroeging, als ze zondigen, en zij zullen hun Goddelooze daden niet trachten te rechtvaardigen. De laatsten daarentegen zijn er ver vandaan, om hun gruwelen, afgoderijen en Goddelooze levenswijze als zonden te bekennen ; zij durven zelfs te verkondigen, dat hun daden Gode een heel welgevallig offer zijn, die zij als de hoogste heiligheid aanbidden ; ook beloven zij op grond van eigen werken anderen de zaligheid, en hun eigengerechtigheid verkoopen zij als een zaak, die heil en behoudenis brengt.
Dit nu is onze hooggeroemde gerechtigheid, en dit is. onze buitengewoon groote verdienste, waardoor wij tot kennis der genade komen, dat wij God, Christus, het Evangelie, het geloof, de sacramenten, alle vrome lieden en den zuiveren Godsdienst vijandig en op duivelsche wijze vervolgd, gelasterd, met voeten getreden en veroordeeld hebben. Wij hebben dingen geleerd en verdedigd, die heelemaal met elkaar in strijd zijn. En hoe heiliger wij waren, — des te verblinder waren we, en met des te meer overtuiging baden wij den Satan aan. Niemand was er onder ons, of hij was een man des bloeds : zoo niet metterdaad, — dan toch in zijn hart !
Maar wanneer het Gode behaagd heeft Het is, als wil Paulus zeggen : alleen Gods onmetelijke genade is 't, die mij, booswicht, lasteraar, vervolger en heiligschenner, die ik ben, niet alleen verschoond heeft, maar die mij bovendien nog heeft begiftigd met de kennis der zaligheid ; den Heiligen Geest ; Christus, Zijn Zoon ; het apostelschap en het eeuwige leven. Evenzoo heeft God ons, die met niet minder groote zonden beladen zijn, genadig aangezien. Hij heeft ons niet alleen onze Goddeloosheid en lasteringen uit louter barmhartigheid om Christus' wil vergeven, maar ook heeft Hij ons overladen met de grootste goedertierenheden en geestelijke gaven. Velen onzer zijn echter niet alleen ondankbaar jegens God voor Zijn onuitsprekelijke genade, maar zij openen zelfs den duivel wederom de deur, en beginnen het Woord te verachten. Velen toch vervalschen de Heilige Schrift en veroorzaken nieuwe dwalingen. Bij dezen is het laatste erger dan het eerste.
*) Het Latijnsche woord „latrina", dat Luther hier gebruikt, beteekent eigenlijk „beste kamer" (W.C.) We zeggen dit even, om te illustreeren, hoe aanschouwelijk men in de zestiende eeuw soms uitbeeldde. Tegelijk krijgen we een indruk van de wijze, waarop men de diepe verdorvenheid der menschelijke natuur zag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's