KERKELIJKE RONDSCHOUW
VAN VOORNEMEN VERANDERD
Het komt mij voor, dat ik verstandig doe nu aan de leden van den Gereformeerden Bond en de lezers van „De Waarheidsvriend" mee te deelen, dat ik van mijn voornemen, om de functie van Voorzitter neer te leggen, ben teruggekomen. Ik wil gaarne aan de collega's, aan particulieren, ook aan de Afdeelingen, die mij dezer dagen geschreven of bezocht hebben, hartelijk dank zeggen voor hun meeleven. En ik wil het wel bekennen, dat het besluit om heen te gaan, mij niet gemakkelijk was gevallen. Daarom is het mij een aangename plicht nu mee te deelen, dat ik van voornemen veranderd ben en mijn Bondswerk weer bij vernieuwing hoop voort te zetten. Het was wel aanlokkelijk om een rustiger tijd te krijgen, maar ik wil toch ook wel gaarne het werk, dat zoolang mijn liefde had, nu weer voortzetten. De Heere make alle dingen wel.
Het parool zij en blijve : „Bewaart de vesting — versterkt de kracht".
En dan rondom het oude Bondsideaal, in ons Statuut neergelegd en omschreven, zooals het ook van den beginne door de „voortrekkers" is gezien en verdedigd.
De Heere, die het tot hiertoe heeft welgemaakt, zij ons allen ook verder een God van genade, hulp en bijstand.
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (3)
In dezelfde mate en evenredigheid als de Staten er in slagen hun bevolking van Godsdienst en geschiedenis te berooven — zegt Wormser — waggelen ze en storten ze ineen. Wormser zegt hier precies hetzelfde als Groen altijd schreef. Die zei : als het volk deze twee dingen vergeet : „er staat geschreven" en „er is geschied", dan is het met de natie een verloren zaak. Daarom streed Groen voor Christelijk Onderwijs, waarbij de Bijbel in het middelpunt staat en waardoor de geschiedenis weer onderwezen wordt zoo als het onder Christenen betaamt, achtgevende op het Godsbestuur.
Godsdienst en geschiedenis zijn van centrale beteekenis voor een volk.
Nu heeft men wel gezegd — aldus Wormser — dat het revolutionaire tijdvak óók tot onze geschiedenis behoort en de Christenen in Nederland daarmee rekening moeten houden. En zeker, dat is zoo, helaas ! Maar — dat is het vreemde element dat hier binnen gekomen is. En niet alleen is het een vreemd element, dat hier niet thuis hoort ; maar het is bovendien bederf, dat er weer uit moet ! Dat vreemde element vol bederf heeft niet het recht, om al onze volksinstellingen te bederven : Kerk, gezin, school, wetenschap, kunst. Wat zonde, verval, afwijking is, moet niet geduld, gekweekt, gekoesterd worden ; neen ! dat moet aangevallen, bestreden en verwijderd wórden. Daaromtrent heeft de Heere ons in Zijn Woord wel onderricht gegeven. Of staat er niet bij den profeet Jeremia : „Zal men vallen, en niet weder opstaan ? Zal men afkeeren, en niét wederkeeren ? spreekt de Heere". (Jer. 8 vs. 4).
Allerwege, in de Kerk en in den Staat, zijn de kenmerken van een schr omelij ken afval van het Christendom aanwezig — zegt Wormser ; maar nóg is het Christendom in Nederland door de vrijzinnige begrippen niet overwonnen. En dat wijst ons in de richting, waar onze taak ligt. God Zelf heeft hier het Christendom met alles verbonden en dat moet gehandhaafd blijven. Die Christelijke beginselen moeten verdedigd worden ; de Christelijke grondslagen van het volksleven mogen niet losgewoeld en onderstboven gestooten worden, maar moeten worden bevestigd en versterkt.
En hoezeer ook bestookt en veelszins ontluisterd staan de Christelijke instellingen van Kerk, Rustdag en Kinderdoop nog als rotsen te midden van het rumoer van meeningen en redeneeringen, als een getuigenis tegen godsdienstige en ongodsdienstige bestrijders van het Christendom. „En ofschoon niet minder van glans en luister beroofd, maar minder bestreden en meer algemeen onderhouden, maakt ook de instelling van den Kinderdoop bij de Nederlandsche natie voortdurend een van de grondslagen uit, waarop haar nationaal Christendom berust, en die met verpletterende kracht getuigen tegen individueele en nationale verlating en verloochening van den Heere onzen God". „De Nederlandsche volksstam toch is in zijn geheel gedoopt. Hij is den Heere toegewijd, door gedoopt te zijn in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes".
„Leer dan der natie haar doop verstaan en waardeeren — en Kerk en Staat zijn gered I" Zóó eindigt 't eerste, grondleggende Hoofdstuk, waarboven staat : „Een gedoopte natie — een Christelijke natie". En dan volgt het tweede Hoofdstuk, met 't opschrift : „Verwaarloozing der belijdenis : onkunde aangaande den Doop". Wormser zegt daar : „Dit verlangen, n.l. dat men de natie haar doop zal leeren verstaan en waardeeren, kan niet buitensporig worden genoemd. Wat toch kan betamelijker zijn, dan dat een volk zijn doop, zoo algemeen en volstandig onder ons in stand gehouden, verstaat en waardeert ? "
„De maatschappelijke toestand van een volk staat altoos met zijn kerkelijken toestand in rechtstreeksch verband".
En nu mogen wij het niet verbergen — aldus Wormser, die het tevergeefs gezocht had bij de Afgescheidenen — dat in dit opzicht vooral de Hervormde gezindheid zich sedert jaren in een betreurenswaardigen toestand' bevindt. De Theologie dér z.g.n. Groninger School, in Wormser's dagen door prof. Hofstede de Groot te Groningen onderwezen, had hieraan schuld ; want machtig was in die dagen de invloed daarvan. Vele studenten trokken immers naar Groningen, om daar tot predikant te worden opgeleid en dan later als vurige aanhangers van de Groninger theologie op den kansel en in de catechisatiekamer die beginselen te verbreiden. Deze Groninger Theologie (de z.g.n. Evangelische richting) was humanistisch en rationalistisch van aard. Zij ging uit van de gaafheid en braafheid van den mensch en van de voortreffelijkheid der Rede. De wetenschap werd verheerlijkt boven het kinderlijk geloof. Wedergeboorte door den Heiligen Geest was voor „den braven Hendrik" niet noodig en bekeering werd gemaakt tot educatie of opvoeding. Het parool was : „opvoeding der menschheid tot God". De inhoud der Schrift werd onderworpen aan de critiek van het wetenschappelijk onderzoek door het „gezond verstand", dat zoekend en tastend, wikkend en wegend, uitmaken moest (en uitmaken kon) wat al dan niet aanvaardbaar was voor den ontwikkelden, denkenden mensch. Het „denkend deel der natie" kreeg de leiding en de menschen van „de nachtschool" werden rechtloos verklaard op elk terrein des levens. Want de Groninger Theologie (de wegbereidster weer voor de meer consequente en radicale moderne richting), kwam in strijd met alle stukken der Gereformeerde belijdenis, die zij zelf dan ook volkomen verouderd achtte. Men wilde nog wel de oude „termen" zooveel mogelijk bewaren — ook al voor de menschen — maar de inhoud en het wezen er van werden geloochend. De Drieëenheid Gods (verband houdend met de Godheid van Christus en de Godheid van den Heiligen Geest); de Godheid van Christus, den Middelaar ; het verzoenend lijden en sterven van Christus (door hen veelal verachtelijk genoemd „de bloed-theologie"), de algeheele verdorvenheid der menschelijke natuur, de rechtvaardigmaking des zondaars door het geloof, de onfeilbaarheid van de Schrift, enz. enz., 't werd alles geloochend en verworpen, op grond van „wetenschappelijk onderzoek". En zóó verkeerde de Hervormde Gezindheid in een betreurenswaardigen toestand.
De Kerk werd als een onmondige teruggezet. De Synodale Besturenorganisatie sloeg alles met lamheid. De mannen van de wetenschap maakten alles klaar, zich stellend tusschen God en de Kerk, tusschen God en het volk, op alle terrein des levens een beter licht verspreidend, dan het licht van Gods Getuigenis.
Verwaarloozing der belijdenis overal. En groote onkunde aangaande den Doop.
(Wordt voortgezet.)
GROOT AANTAL CANDIDATEN EN NOG WAT.
Wij lazen ergens, dat de Mei-maand de proponents-maand bij uitnemendheid genoemd kan worden. Want in die maand komen de meeste candidaten, die tot de Evangeliebediening worden toegelaten. Van November tot Mei, een vol half jaar, worden er gewoonlijk geen examens afgenomen door de Prov. Kerkbesturen. Maar met Mei komt dan de groote stroom los. Een 40-tal zijn er de laatste dagen „toegelaten" (als onze berichten juist zijn — wij hebben het zelf niet kunnen controleeren in het Weekblad van de Hervormde Kerk). „Zij mogen dan nu de Kerk binnen treden, om haar te dienen overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande, het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen en de belangen van het Godsrijk en in overeenstemming hiermee die van de Ned. Hervormde Kerk, met opvolging van hare verordeningen naar vermogen te behartigen".
Als het dus goed is, komen er telkens een groot aantal jonge predikanten, die de Hervormde Kerk gaan dienen naar den aard en de beginselen van de belijdenis der Hervormde Kerk, van de symbolische en liturgische geschriften der Hervormde Kerk (de symbolische en liturgische geschriften, staat er in het Regl. op het Examen, als een bepaalde en bekende grootheid dus in onze Hervormde Kerk).
Wij weten wel, dat er ook velen zijn, die van die beginselen van de symbolische en liturgische geschriften (Ned. Geloofsbelijdenis, Heidelbergsche Catechismus en Vijf Leerregels, benevens de formulieren voor de bediening van den Heiligen Doop en het Heilig Avondmaal, alsook de formulieren voor de bevestiging van Dienaren des Woords en Ouderlingen en Diakenen) eigenlijk niets willen weten. Maar wij kunnen ons niet indenken, hoe men op den duur, in onzen modernen tijd, die dikwijls veel „eerlijker" is dan de tijd die achter ons ligt (toen het zoetsappige liberalisme en het brave-Hendrik-geslacht den toon aangaf) zoo oneerlijk, valsch en onoprecht zal voortgaan, om toe te treden tot een Kerk, waar men niet thuis hoort en te beloven wat men niet voor z'n rekening kan en wil nemen. Wat heeft men dan toch ook weinig kracht en weinig moed, om niet eerlijk voor eigen beginsel uit te komen en de consequenties van eigen beginsel te aanvaarden ! Eigenlijk toch laf. Wij zouden b.v. geen lid van een Vereeniging of Bond willen zijn, als we het niet eens waren met de Statuten ! Wij vinden dat een valsche geste maken, dat niet door den beugel kan.
De a.s. predikanten beloven dus, dat zij de Hervormde Kerk willen en zullen dienen overeenkomstig de beginselen en het karakter van de Hervormde Kerk hier te lande, die haar eigen symbolische en liturgische geschriften heeft.
Natuurlijk zal er verscheidenheid zijn en blijven, maar in den grond der zaak zal men toch met de belijdenis der Kerk moeten instemmen. Zoo kan alleen de Kerk weer Kerk zijn, als Kerk spreken en als Kerk optreden. Wat we juist in onze dagen zoo broodnoodig hebben. Laat ieder z'n beroepsbrief maar eens nalezen !
ZIJN ER TE VEEL CANDIDATEN?
De Mei-maand is dus de proponents-maand. En een 40-tal candidaten zijn weer beroepbaar gesteld. De deur der Kerk is voor hen ontsloten. Zij zijn toegelaten tot de Evangeliebediening.
Dat klinkt heel mooi. En het is ook heel mooi. Straks een eigen gemeente, een eigen pastorie, een eigen werkkring als Evangelieverkondiger.
Maar gaat die deur van de Kerk nu ook open ?
Alle candidaten van 1938, die toegelaten zijn door de Kerk, zijn nog lang niet geplaatst. En de nieuwe toevloed van '39 maakt het leger van wachtenden weer grooter. Zij, die toegelaten zijn door de Kerk, voor de Kerk, worden door de Kerk niet begeerd en aangenomen, niet geroepen en ontvangen. Velen zien tegen een dichte deur aan, een deur, die niet open gaat.
Of! er geen vacante gemeenten dan zijn ? 1 Jan. '37 waren er 262, 1 Jan. '38 waren er 263, 1 Jan. '39 waren er 235.
Natuurlijk zijn er sinds 1 Jan. '39 weer tal van die gemeenten bezet ; b.v. Haaften, IJzendoorn, Dellt, Groot-Ammers, Mijnsheerenland, Vianen, Harmeien, Wijk, enz. enz. Maar er zijn uit den aard der zaak óok weer gemeenten vacant gekomen, door overlijden of door vertrek. Zoo is dus Kesteren nog vacant, Schaarsbergen, Hagestein, Hei- en Boeicop, Papendrecht, Linschoten, Sprang, Ameide, enz. enz.
Helaas ! beroepen die 235 gemeenten niet allemaal ; sommige, neen, vele gemeenten beroepen nooit; en andere zijn zeer lui en traag ten opzichte van dit werk. Arm ? Onwillig ? Onmachtig ? Belangstellend ? Saai en lusteloos ? Er zal w-el groot verschil zijn onderling, maar ze zijn er dan toch maar, die vacante gemeenten met een onbewoonde pastorie, zonder herder en leeraar. En Candidaten zijn er !
Dan denken we ook aan dat groot aantal oude, bejaarde predikanten, die een staat van dienst hebben van 40 dienstjaren, zelfs van 45, ja, zelfs van 50 jaren in-dienst-der-Kerk doorgebracht ! En dat groot aantal oude, bejaarde predikanten denken er niet aan, om voor de jongeren op te staan. Wat wij onsociaal, onchristelijk zelfs achten ; vooral in dezen tijd. Terwijl het ook voor de gemeenten een zegen kan zijn, dat de ouderen door de jongeren vervangen worden.
Wij zouden wel willen, dat de Kerk, die haar zorg laat gaan over de toelating van jonge menschen, ook verstandige zorg liet gaan over het weggaan van oude en zeer oude menschen. Dat zou volstrekt niet onbillijk en onrechtvaardig zijn, maar veeleer een bewijs, dat de Hervormde Kerk met haar tijd meeleeft. Hervormd Zondagsblad schrijft : „Wie eenmaal werd binnen gelaten, door de geopende deur, kan er binnen blijven, zoolang als hij zelf verkiest, al ontbreekt er, door ouderdom en aftakeling, aan de bekwaamheid dan ook vrijwel alles". „Het zou zijn te waardeeren, als de Kerk ging overwegen, nog een tweede deur-grendel aan te brengen ; en wel naast de deurgrendel, die jonge menschen als Candidaten tot den Heiligen Dienst toelaat, een grendel, die op een bepaalden ambtstijd moet worden toegeschoven". „De Kerk kan en mag er niet in berusten, dat de eisch van „voldoende bekwaamheid" alleen maar aan het begin van de ambtelijke loopbaan wordt gesteld".
VOOR WIE HEEFT CHRISTUS GELEDEN?
„Al degenen, die naam en waardigheid hadden onder de Joden, spotten op Golgotha luide met den Zone Gods, maar dat verhindert Hem niet Zich te ontfermen over den ongelukkigen moordenaar en hem te ontvangen in het eeuwige leven. Die persoon verdonkert de glorie van Gods Zoon niet. Als men hierbij opmerkt, dat een ongelukkige moordenaar niet te vergelijken is met degenen, die aan het hoofd van de Kerk stonden, die het priesterlijk geslacht waren, hetwelk God had verkoren, die leeraars der Wet waren — dan is er geen sprake van, dat wij eenige waardigheid in onze personen mogen zoeken, als het gaat over de zaligheid, die ons door de vrijmachtige goedheid Gods verworven is. Veeleer moeten wij dan terugkomen op hetgeen de heilige Paulus zegt, dat het een getrouwe leer is, dat Jezus Christus gekomen is om de arme zondaren te redden.
Zoo dan, wanneer wij beschouwen zullen de vrucht van den dood en het lijden van onzen Heere Jezus Christus, zullen alle menschen moeten vernederd worden en moet men in hen slechts armoede en schande vinden, opdat God in dien weg over hen uitstorte de schatten Zijner barmhartigheid, op niets lettend om ons te redden, dan voorzoover Hij ziet, dat wij in alle ellenden zijn neergestort. Dat God den geheel verworpen mensch, een ongelukkigen moordenaar, zoo onverwacht roept, als onze Heere Jezus jegens hem deed gelden Zijn dood en lijden, dewelke Hij leed en doorstond voor heel het menschelijk geslacht, dient dat om ons te meer te bevestigen in het geloof, dat God niet de hand reikt aan degenen, die in zich zelf eenige verdienste bezaten, of die voortreffelijk waren. Maar wanneer Hij uit de diepte der hel arme ver doemde zielen verlost, wanneer Hij Zich barmhartig betoont jegens degenen, die volstrekt buiten gesloten waren buiten de hope des levens, dan schittert juist daarin Zijn goedheid uit".
„Zoo moet dan dit allereerst voor ons bondig en vast zijn, dat Jezus Christus tot Zich roept de arme zondaren, die in zich zelf slechts beschaming hebben, en dat Hij de armen uitgestrekt houdt om hen aan te nemen. Want als wij dat niet hebben, zullen wij nooit moed kunnen grijpen, om tot Hem te gaan. Maar wanneer wij wèl overtuigd zijn, dat de zaligheid, welke Hij verworven heeft, aangeboden wordt aan hen, die de allerellendigsten zijn, en zij willen bekennen zoodanigen te zijn, en zich verootmoedigen en volstrekt beschaamd zijn en zich schuldig stellen (gelijk zij zijn) voor het gericht Gods — zie, zoo zullen wij verzekerd worden, zoo zullen wij een gemakkelijker toegang hebben om deelgenoot te worden van de gerechtigheid, welke ons hier wordt aangeboden en door welke wij genade en gunst bij God krijgen".
[Uit een preek van J. Calvijn over Matth. 27 vers 45—54.]
ONAFHANKELIJKE MORAAL
Wij houden niet van dat woord moraal. We denken daarbij altijd aan die ongelukkige tijd, dat de moraal-theologie aan de orde was en de moraliseerende zedepreeken Zondag aan Zondag van den kansel gehoord werden ; die deugdpredikaties om brave menschen te kweeken, die zich oefenen moesten in de deugd, zooals in het leesboekje op school „de brave Hendrik" aan de jeugd ten voorbeeld werd gesteld, met de leuke toepassing : ondeugende kinderen houden niet van „brave Hendrik", die altijd zoo netjes en beleefd is, maar zoete kinderen zijn graag vriendje met hem !
Moraal-preeken, zoo in den geest van Gezang 78 : „De ware Christen, de beste burger", waarbij dan het 2de vers de menschen op de lippen legt : „Zich zijner roeping steeds bewust, werkt hij in zijn kring met lust ; hij streeft naar grootheid, geld of goed, nooit hooger dan hij streven moet". Of zooals Gezang 53 vers 1 doet zingen : „Mijn God ! wat ook in mij verdoov', dat ik altijd aan U geloov', aan deugd en eeuwig leven ; dan zal 't gevoel van mijn waardij, hoe hobbelig hier mijn pad ook zij, mijn boezem nooit begeven". Of Gezang 74 vers 2 : „De deugd, o ja ! ik vind ze schoon ; zij strekt zich zelv' ten groeten loon".
Die dagen, dat de mensch altijd zoo bepaald werd bij „de deugd", waarop de mensch dan vroolijk en blij moest antwoorden : „de deugd, o ja ! ik vind ze schoon", vooral omdat ze strekte tot „grooten loon" — die dagen van de moraal-theologie en de moraal-preeken hebben bij ons voor goed een afkeer gewekt van dat woord „moraal".
Als we dan toch boven dit artikel als opschrift plaatsen : „Onafhankelijke moraal", dan is dat, omdat het woord moraal door velen gebruikt wordt, als men bedoelt te spreken over het zedelijk leven van den mensch, en dan gehandeld wordt over de levenshouding, welke de mensch heeft aan te nemen. En dat is en blijft een van de belangrijkste vragen, niet 't minst voor ons. Christenen : hoe moeten we leven, hoe moeten we ons leven richten en instellen, hoe moeten we met ons leven aan, vooral in den tegenwoordigen tijd, nu de levensvragen zich opeenhoopen en de moeilijkheden des levens rondom ons met den dag talrijker en grooter worden. Waarbij vooral zoo benauwend is, dat veel, wat vroeger „zoo van zelf sprak", en zoo rustig aan den mensch, jong en oud, passeerde, nu zoo heelemaal anders is geworden ; zoo onzeker, zoo onrustig, zoo beangstigend en benauwend.
De vraag : wat moeten wij doen, hoe moeten wij ons leven instellen bij akde levensverhoudingen waarin God ons menschen, plaatst, is nu ernst, „bloedige ernst" geworden. En we kunnen gerust zeggen, dat er voor velen „levensnood", ontstellende levensnood is gekomen, omdat de verhoudingen in het huwelijk, in de maatschappij, in den Staat, ja,
overal, ook in de Kerk, in de school, in hei gezin, zoo samengesteld, zoo verward, zoo moeilijk, helaas ! ook zoo onzeker zijn geworden voor velen. De grondslagen van al die goederen des levens, voor ons persoonlijk en voor ons gemeenschapsleven, schijnen te wankelen en wèg te zinken. En wie zal hier nu hulp en raad, leiding en uitkomst geven ?
Met het zingen van : „dan zal 't gevoel van mijn waardij, hoe hobbelig hier mijn pad ook zij, mijn boezem nooit begeven", komen we nu niet verder. Dat voelt ieder wel. Versjes als : „De deugd, o ja ! ik vind ze schoon" — doen een afkeer bij ons opkomen. Het is net precies of men chocolademelk zou gaan drinken, als het huis in brand staat !
En nu komt men in onze dagen, nu we ons allen opnieuw moeten oriënteeren aangaande de levensvragen en er een nieuwe aanpak van het leven moet komen bij jong en oud, weer aandragen met een leuze van : „Onafhankelijke moraal".
Wat bedoelt men met dat woord „onafhankelijk" ?
Het gaat om een nieuwe oriënteering ten opzichte van alle mogelijke levensvragen — in onzen tijd van „cultuur-verkarikering" — en dan wil men de menschen leeren : dat men zich nu toch vooral niet moet laten binden en laten gezeggen door niemand en niets, maar dat men nu met het noodige „zelfbeschikkingsrecht" (daar is de mensch toch mensch voor ! zegt men triumfantelijk) zelf moet weten, zelf moet vinden, zelf moet uitmaken wat goed en noodig is, bij alle levensvragen en levensverhoudingen, voor ons persoonlijk leven, voor ons huiselijk- en huwelijksleven, voor school en maatschappij en Staat De mensch, de onafhankelijke, de vrije mensch, moet zelf beslissen, zelf leiding geven ; en moet zijn levensideaal vinden in „de vrije ontplooiing van zijn natuurlijken aanleg".
Of men dit nu Humanisme noemt of met andere woorden aanduidt, doet er voor 't oogenblik niet toe, maar duidelijk is (en dat zit in dat woord „onafhankelijke" moraal), dat men als mensch niet gebonden wil zijn aan een hoogere macht, aan een hoogere wet, maar dat men als mensch met z'n „gezond verstand" en met z'n „vrijen wil" en met z'n „eigen oordeel" en „eigen lust" en „eigen daad" zal uitmaken, wat goed en noodig is en zal bewerken dat alles weer recht komt.
Men wil vooral op komen voor „de vrije persoonlijkheid", voor „de autonome persoonlijkheid", ietwat huiselijker gezegd : voor den mensch, die zelf de wet zal stellen en zelf zal uitmaken wat goed en noodig is.
En — wat men vroeger goed noemde, blijkt nu heelemaal niet goed te zijn ; en wat men vroeger kwaad noemde, blijkt nu heelemaal niet slecht en verboden te zijn. 't Is sinds lang „in elkaar — en door elkaar gevloeid", zooals in de oceaan het warme en het koude water ten slotte dooreengemengd wordt.
Er bestaan geen vaste normen, geen vaste wetten. Het leven, de omstandigheden moeten ons leeren, wat goed en wat noodig en wat nuttig en wat voordeelig is. Alle vaste normen en wetten en waarden kan men wel opbergen, en de mensch van den modernen tijd heeft van het leven te maken, wat er van te maken is.
Alle spreken van absoluut geldige zedelijke normen is — op z'n zachtst genomen — een misverstand.
En de mensch, die zoo slecht niet is, als men het wel heeft willen voorstellen (de leer van de erfzonde b.v. noemt men iets verschrikkelijks, iets menschonteerends en bovendien geheel leugenachtig) moet (deed Pallieter 't niet op zijn manier en Flierefluiter weer anders ? ) van het leven maken, wat er van te maken is. De „nieuwe mensch" van den modernen tijd, met een nieuwe, onafhankelijke moraal, wordt opgeroepen om de wereld, die in brand staat, te redden.
Daarom moet b.v. (heeft Ben Lindsey het niet gepropageerd en met hem vele anderen? ) de opvatting van het huwelijk veel „onafhankelijker", veel „vrijer" worden. En naar verhouding moet zoo het geheele leven „vrijer" worden.
Onafhankelijke moraal is vrije zedelijkheid, niet gebonden aan vaste normen en wetten. Niet onder het juk van een ander ! Vrij en blij ! Wij 'behoeven zeker niet te zeggen, dat men van God en Zijn Woord heelemaal niet weten wil. De zedelijkheid, de moraal, moet van den godsdienst vrij gemaakt worden. Een onafhankelijke moraal duldt geen boek en geen wet, noch inzettingen en rechten des Heeren, van Wien de christen belijdt : God is onze Schepper, onze Wetgever, onze Koning, onze Rechter !
En in onzen grooten nood zingen we telkens weer : „Ik zet mijn treden in Uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden ; wil mij voor struikelen bevrijden, en ga mij met Uw heillicht voor. Ik roep U aan, 'k blijf op U wachten, omdat G' o God ! mij altoos redt ; ai, luister dan naar mijn gebed en neig Uw ooren tot mijn klachten" (Ps. 17 : 3).
Of willen we nog eens lezen, wat de Heidelbergsche Catechismus (het mooie boekje voor christelijke ethiek) zegt bij de bekende bede uit het „Onze Vader", n.l. : „Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde" ? Daar lezen we dan in Zondag 49 : „Geef, dat wij en alle menschen onze eigen wil verzaken en Uwen wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken gehoorzaam zijn, opdat alzóó een iegelijk zijn ambt en beroep zóó gewillig en getrouw moge bedienen en uitvoeren, als de engelen in den hemel doen".
Dat is precies het omgekeerde van „onafhankelijke moraal".
Dat is geloovig vragen : Leer mij naar Uw wil te handlen, 'k zal dan in Uw waarheid wandlen. Neig mijn hart en voeg het saam, tot de vrees van Uwen Naam".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's