KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE KERK EN HET KERKRECHT
Voor het Kerkrecht heeft de Kerk zelve een taak, om de beginselen te zoeken en vast te stellen en daarop te bouwen en voort te bouwen. De Bijbel is geen boek voor Kerkrecht, zooals hij ook geen handboek voor dogmatiek is ; en zooals in den Bijbel b.v. ook niet beschreven wordt de liturgie voor de Kerk van Christus, wat precies gezongen moet worden, hoe er moet worden gebeden en gelezen. Wet en Apostolische Geloofsbelijdenis enz. ; benevens hoe de Doopsbediening moet plaats hebben en hoe de Avondmaalsviering moet geschieden.
De Kerk zelve heeft hierin een taak, om daarvoor de beginselen op te sporen, vast te stellen en uit te werken.
Dit is in onze dagen vooral, nu het oude en het nieuwe Kerkrecht in het debat is, nu er allerlei liturgische aangelegenheden behandeld worden (zooals Calvijn en anderen dat ook hebben gedaan) nog al belangrijk.
Wij vinden in de Heilige Schrift voor de Nieuw-Testamentische Kerk geen systeem van voorschriften, wetten en regelingen, zooals onder de Oude Bedeeling voor de Oud-Testamentische Kerk. Neen, de Heere heeft in deze voor de Kerk van Christus, voor wie de belofte is, dat de Heilige Geest haar leiden en onderwijzen zal in alle waarheid, een andere taak, een anderen weg bepaald.
In een artikelenreeks over het Kerkrecht (No. XIII is nu reeds geschreven) zegt prof. dr. H. H. Kuyper in „De Heraut" :
De Synopsis der Leidsche professoren en de Commentaar van Calvijn op Hand. 15 noemen, als van zooveel beteekenis zijnde, zegt prof. Kuyper : „Ze handhaven uitdrukkelijk, dat het Synodaal instituut in de Kerk niet berust op menschelijk recht, maar op Goddelijk recht, aangezien God in de Synode van Jeruzalem ons getoond had, hoe de Kerk heeft te handelen bij moeilijkheden. Evenals Calvijn dit deed, leiden de schrijvers van de Synopsis het gezag der Synodes voorts af uit de belofte, door Christus in Matth. 18 gegeven, dat Hij in haar midden zijn zal om Zijn Kerk te regeeren door Zijn Woord en Geest. Het is Christus Zelf, die in deze Synodes als Rechter optreedt, zegt de Synopsis". „Wat in dit archetype van de Synode te Jeruzalem voor ons ligt opgesloten, wordt dan nader uitgewerkt ; en overeenkomstig de belijdenis wordt aangetoond, dat de Kerk behoort geregeerd te worden naar de geestelijke politie of regeering, die Christus in Zijn Woord had voorgeschreven. Van den natuurrechtelijken grondslag, dien Hugo de Groot en de Remonstranten voor het Kerkrecht hadden aangenomen, wilden de Leidsche professoren, en terecht, niets weten. Voor Christus' Koningschap in Zijn Kerk kwamen zij op".
„Voetius omnium consensu (daarover is het oordeel van allen hetzelfde) onze grootste Canonicus, heeft in zijn meesterwerk : Politica Ecclesiastica (Kerk-recht), daarop zijn Kerkrechtelijk stelsel opgebouwd. Een uitnemende uiteenzetting hiervan heeft dr. M. Bouwman gegeven in zijn grondige studie : Voetius over het gezag der Synodes. Wat de hoofdlijnen aangaat, is hier een volkomen getrouw beeld gegeven van hetgeen Voetius over het gezag der Synodes heeft geleerd".
„Wel spreekt het vanzelf, dat Voetius, die geen dogmatische verhandeling schreef, maar een Kerkrechtelijke uiteenzetting gaf, veel meer dan Calvijn of de Synopsis dit deden, op de verhouding tusschen de plaatselijke Kerken en de meerdere vergaderingen is ingegaan".
En dan komt een zinsnede van prof. Kuyper, waarop wij in den aanvang van ons artikel doelden, n.l. :
„Het Kerkrecht bepaalt zich niet alleen tot wat Voetius noemde het ius divinum positivum, d.w.z. hetgeen God ons in Zijn Woord heeft voorgeschreven, maar heeft óók te maken met wat Voetius noemt het ius divinum permissivum, d.w.z. hetgeen God aan de Kerk heeft overgelaten om daarvoor bepalingen te maken. Een Kerkorde in gereeden vorm biedt de Schrift ons niet. Ze geeft voor de inrichting en de regeering der Kerk de hoofdlijnen en beginselen aan, maar laat aan de Kerken de toepassing en nadere uitwerking daarvan over. En het Kerkrecht heeft tot taak aan te wijzen, hoe dit op de beste wijze kan geschieden".
TWEEËRLEI VIJAND
Inzake het Kerkrecht merkt prof. dr. H. H. Kuyper nog op, dat de Leidsche hoogleeraren in de Synopsis een heel anderen strijd hadden te voeren dan Voetius in zijn Politica Ecclesiastica.
Dat zit zóó. De Leidsche hoogleeraren stonden tegenover de Remonstranten en Voetius stond tegenover de Independenten. Die Remonstranten gingen uit van het natuurrecht, naar de leer van Hugo de Groot. Het was de mensch vóór en de mensch na. (In de Vijf Artikelen b.v. komt dat ook uit, het is bij de eerste dwaling van een verkiezing op grond van een vóórgezien geloof niemand anders dan de mensch, die alles in handen heeft en houdt ; en zoo gaat het ook in de 2de, 3de, 4de en 5de dwaling. Het is tot vijfmaal toe : de mensch die beslist ; zelfs in „de afval der heiligen" blijkt dat duidelijk).
Maar met de Independenten stond dat anders. Dat waren vrome menschen, die met Gods Woord kwamen. Mannen als de Engelsche theoloog Robinson (de Independentistische leer is van Engelsche oorsprong) waren vrome theologen. Maar zij wilden „onafhankelijk" of „independent" - zijn en blijven in de plaatselijke gemeenten en ontzegden het recht aan de meerdere vergaderingen.
Voetius, die den strijd aanbindt tegen deze Independenten of onafhankelijkheidsdrijvers, begint dan ook altijd met zich op één lijn te stellen met hen, inzake de Heilige Schrift ; gaat ook geheel met hen mee, als zij leeren de zelfstandigheid van de plaatselijke Kerk, en onderschrijft wat Calvijn geleerd heeft in zijn Institutie daaromtrent, zeggende dat de plaatselijke Kerk de volle rechten bezit (ecclesia completa, een volledige Kerk zijnde).
Maar — dan komt het verschil over het gezag der Synodes. En dan leert Voetius, dat de Synode het gezag inzake de belijdenis heeft (potestas dogmatica), de macht om de belijdenis vast te stellen ; alsook de'= macht om de Kerkorde te bepalen (de potestas ordinis) ; en dat zij óók heeft (en daarover ging het voornamelijk dan) de rechterlijke macht, met name de macht om te excommuniceeren.
De Independenten zijn hierin later veel verder nog afgeweken van de Gereformeerde beginselen. En toen is de toon van Voetius tegen hen ook scherper geworden, toen zij onze Gereformeerde Kerken in Nederland beschuldigden van hiërarchie.
„Aan beide lijnen" — aldus prof. Kuyper — „houdt Voetius vast : hij is en blijft de voorstander van de zelfstandigheid der plaatselijke Kerk en bestrijdt alle hiërarchie. Dat is de ééne lijn. Maar even beslist komt hij op voor de Synode, als door God gewild, om de Kerken te besturen en voor de drieërlei macht, die haar toekomt : de macht om te leeren, om te regeeren en om te straffen".
In onze dagen — aldus prof. Kuyper, zij 't met ietwat andere woorden — zijn er nu, die Voetius hierin bestrijden en zeggen, dat hij niet zuiver Gereformeerd is gebleven en dat hij niet genoegzaam de zelfstandigheid van de plaatselijke Kerk heeft verdedigd, en dat hij te veel is overgegaan op de hiërarchische lijn.
Anderen zeggen dan weer, dat Voetius te veel geluisterd heeft naar de Independenten en te veel heeft toegegeven aan de voorstanders van de autonomie der plaatselijke Kerk.
Maar voor degenen, die goed lezen kunnen (en willen) is het duidelijk, dat Voetius juist beide lijnen getrokken heeft, verdedigende de zelfstandigheid der plaatselijke Kerk, maar tegelijk het recht van de meerdere vergaderingen.
HET ZELFBESCHIKKINGSRECHT DER PLAATSELIJKE KERK ?
De Gereformeerde Kerken hebben een uitspraak uitgelokt van den Hoogen Raad — de hoogste instantie - — inzake het Kerkrecht. De Classis 's-Hertogenbosch had de Kerk van Eindhoven een (schijn)proces aangedaan ; een procedure, die diende, om te laten uitmaken of de rechterlijke macht de rechtspersoonlijkheid der Classes aannam. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosctt had die rechtspersoonlijkheid ontkend, maar de Hooge Raad heeft anders beslist.
Prof. dr. Paul Scholten geeft in het Weekblad van het Recht van 1 April hierover een breede beschouwing. Hij vindt het standpunt van den Bosch óók onjuist en stemt geheel in met de vernietiging van dit arrest door den Hoogen Raad.
De Hooge Raad ziet in de Classis een groep, een vereeniging van Kerken. Maar — zoo zegt prof. Scholten — Kerkelijke lichamen zijn niet „vereenigingen" (Art. 1690—1691 Burgerlijk Wetboek), maar „samenkomsten" (Art. 29 Dordtsche Kerkorde). In een vereeniging stellen de leden de wet ; het zich vereenigen berust op de eigen wilsverklaring der leden. Dat is in de Classis niet het geval. Deze Classes wordt niet gevormd door Kerken die, naar zelfbeschikkingsrecht, samenkomen. Omgekeerd. De Classis is vastgesteld en de plaatselijke Kerken behoor en tot een bepaalde Classis, niet naar zelfbeschikkingsrecht van de plaatselijke Kerk, maar naar de regeling van de Kerk in het algemeen genomen. De plaatselijke Kerk te A. kiest en beslist niet zelf, tot welke Classis zij zal behooren, maar haar plaats is en wordt aangewezen krachtens 't Kerkrecht. En de plaatselijke gemeente heeft niet het minste recht om uit die Classis uit te treden, zoolang de Kerk zich niet afscheidt van de éénheid der Kerken.
Daarom zegt professor Scholten, die het met de uitspraak van den Hoogen Raad geheel ééns is — „de Classis is daarom veeleer „instelling" ('m den zin van Art. 1690 Burgerlijk Wetboek) dan „vereeniging". Dat deze „instelling" niet van den Staat, maar van de Kerk uitgaat, steunt op Art. 1 der Wet van 1853.
Prof. dr. H. H. Kuyper die over het artikel van prof. Schoiten (Weekblad van het Recht, 1 April '39) schrijft in „De Heraut" van 14 Mei j.l., zegt hiervan :
„In de opmerking van prof. Scholten schuilt een element van waarheid. De band tusschen de plaatselijke Kerken, als geheel genomen, berust zeker op vrijwillige vereeniging, maar de saamvoeging van een bepaalde groep van Kerken in classicaal verband is historisch door de constitueerende Synode te Emden geschied en later door de Nationale of Provinciale Synodes gewijzigd". „Al kan de Classis, in goeden zin genomen, een vereeniging van Kerken genoemd worden, in zooverre de Classis bestaat uit plaatselijke Kerken als de haar samenstellende deelen, het zich vereenigen zelf tot Classis berust niet op de eigen wilsverklaring der betrokken Kerken, en eigenmachtig uit het classicaal verband treden kan een plaatselijke Kerk niet, zoolang ze nog tot de éénheid der Kerken behoort".
Het is goed, dat hier den laatsten tijd de puntjes nu eens op de i gezet worden, want we moeten ten opzichte van dat z.g.n. zelfbeschikkingsrecht van de plaatselijke Kerk uit den verkeerden weg uit ! Dat is een constructie, welke niet past in ons Gereformeerd Kerkrecht.
Wel de ecclesia completa, maar niet de volstrekte autonomie der plaatselijke Kerk moeten we hebben. Wel de plaatselijke Kerk als een volledige Kerk, maar niet met zelfbeschikkingsrecht. Want de plaatselijke Kerk is geestelijk en kerkrechtelijk verbonden naar de beginselen van het Kerkrecht met de éénheid der Kerken, de Kerk in haar geheel, in Classis, Prov. Synode en Algemeene Synode, waarbij de rechten der meerdere vergaderingen in ons Gereformeerd Kerkrecht onwrikbaar en onbetwistbaar zijn vastgelegd.
EEN NIEUWE FORMULEERING VAN ARTIKEL 36.
Bij Wever te Franeker verscheen een boekje van dr. J. van Lonkhuizen, Geref. pred. te Zierikzee, over: „De blijvende Schriftuurlijke grondgedachte van Art. 36 enz." Het gaat dan over „de positieve taak van de Overheid ten opzichte van den godsdienst".
Dr. Van Lonkhuizen kan zich niet vereenigen met de schrapping van de 21 woorden van Art. 36, zooals de Gereformeerde Kerken dat gedaan hebben op de Synode van Utrecht (1905). Het zijn de woorden, waarin wordt gesproken over de Overheid inzake den godsdienst en hare verhouding lot de Kerk, die aldus luiden : maar ook de hand te houden aan den Heiligen Kerkedienst ; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk van den Antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen (tot uitbreiding te brengen), het woord des Evangelies overal te doen prediken, enz.
Met het weglaten van een zinsnede (de 21 woorden) is echter niet gezegd, wat de taak van de Overheid inzake de religie en de Kerk dan wel is. En nu wil dr. Van Lonkhuizen de geschrapte woorden vervangen door deze zinsnede : „en hun ambt is niet alleen acht te nemen en te waken voor de politie, maar ook als dienaars en stadhouders Gods op hun terrein God te erkennen en zorg te dragen voor de eere van Gods Naam, mitsgaders de Christelijke Kerk en de Christelijke religie te beschermen tegen de openlijke aanslagen des Boozen, die deze beide zoekt te vernietigen, en in het algemeen zulke Christelijke wetten te maken, waardoor de komst van Gods Koninkrijk in het nationale leven bevorderd wordt".
Het komt ons voor, dat in deze tijden, waar de booze aanslagen van satan en zijn trawanten zoo vele zijn en telkens nog weer brutaler tot openbaring komen, over 't geen dr. Van Lonkhuizen hier in 't midden brengt, ernstig moet worden nagedacht. Want het is, zooals hij schrijft : het is wel gemakkelijk om een zinsnede te schrappen en te zeggen wat de Overheid niet moet doen, maar het komt er juist op aan, om te zeggen wat nu wel de positieve roeping is van de Overheid en wat zij wel moet doen.
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (4)
De wetenschap ging zich stellen als middelares tusschen God en de Kerk. Wanneer Rome dat nu zegt, dat zij Middelares is, dan heeft men daar ten minste de waarheid, de vaste kerkelijke waarheid. Maar in de Hervormde Kerk — aldus Wormser — betuigen de mannen der wetenschap, die de Kerk onmondig verklaren, dat zij zelven de waarheid nog moeten zoeken, en wel door hun verlicht verstand, met een Bijbel, waarvan zij niet weten wat dat nu eigenlijk voor een boek is. Dat hierbij de Heilige Doop, die alle fundamenteele waarheden van verlorenheid en verlossing, van zonde en genade, van val en verbond, in zich bevat, in 't gedrang kwam, spreekt vanzelf. Verwaarloozing van de belijdenis doet onkunde ontstaan aangaande den Doop.
Een belijdende Kerk was een zoekende Kerk geworden. En hoe was zij zoekende ? Alles was onvast geworden !
Nu wordt „achterlijkheid in godsdienstige ontwikkeling" — aldus Wormser — „allerniinst door ons verdedigd. Maar zooveel is zeker dat de Gereformeerde gezindheid, wanneer zij alle omstandigheden en vooral de houding der wetenschap tegenover haar in aanmerking neemt, geen reden heeft om zich al te zeer te verontrusten over een achterlijkheid, waarbij zij vasthoudt aan een Belijdenis, wier troostrijkheid zelfs op brandstapels en moordschavotten proefhoudend is bevonden". Een wetenschap, die zoekende is, en de Belijdenis der Kerk verwerpt, moet de belijdende Kerk des te meer uitdrijven tot onderzoek van Gods Woord, waarbij zij des te meer van de heerlijkheid van haar Belijdenis zal overtuigd worden. De wetenschap kan haar den eenigen troost voor leven en sterven nooit ontrooven. „De Kerk is hier de wetenschap verre vooruit in de heilige kunst, om getroost te leven en te sterven".
Van de wetenschap kan helaas ! niet gezegd worden „de ijver voor Gods Huis heeft mij verteerd" ; en het is te betreuren, dat men zoo weinig zich bewust is : leerlingen van Christus te zijn en te blijven. „Ik heb", aldus Wormser „voor de wetenschap hoogen eerbied, maar die vermindert aanmerkelijk, wanneer ik zie, 'dat onder haar handen het Christendom wegsterft — en dat thans beschaafde natiën, met al hun wetenschap en al hun vorderingen daarin, het Christendom verliezen, hun doop niet verstaan, en in lijnrechte tegenspraak met dien doop leven en handelen."
Maar — Wormser klaagt niet alleen over de wetenschap. Hij heeft nog een andere klacht, en wel aan het adres van velen in de Kerk.
Hij schrijft : „Ontegenzeggelijk bestaat er in de Gereformeerde Kerk een ziekelijke, een bekrompen richting, die de vrijmakende en verlossende kracht van Jezus' dood en opstanding niet ten volle gevoelt."
Over die „ziekelijke en bekrompen richting", die veelszins ook „onkerkelijk" was, althans dikwijls weinig kerkelijk voelde, heeft Wormser een afzonderlijke brochure geschreven, zooals we in ons tweede artikel reeds opmerkten. Het is misschien goed, hierover nu iets te zeggen.
Wormser spreekt hierboven van „de Gereformeerde Kerk" als hij bedoelt de Hervormde Kerk. Hij, de man die het een poosje — maar tevergeefs — bij de Afgescheidenen gezocht had, beschouwde deze Afgescheidenen (evenals Groen) als een „gescheiden-levend deel van de Hervormde Kerk", die de Gereformeerde Kerk was en bleef, ook ten spijt van de Synodale besturenorganisatie met al den nasleep van kerkelijke ellende. Het ging Wormser (en ook Groen) om die Hervormde of Gereformeerde Kerk, en zij blijven de Afgescheidenen zien als mee behoorend tot die Kerk (al waren ze tijdelijk daarvan gescheiden), althans behoorend tot de Hervormdeof Gereformeerde gezindheid. (Eerst later, in 1892, is de naam Geref. Kerken gekozen voor de Afgescheidenen van 1834 en Doleerenden van 1886, die in 1892 vereenigd zijn tot „de Geref. Kerken van Nederland").
In de Hervormde of Gereformeerde Kerk nu, zei Wormser, was een „ziekelijke en bekrompen richting, die de vrijmakende en verlossende kracht van Jezus' dood en opstanding niet ten volle gevoelt".
Over die „bekrompen richting" spreekt Wormser telkens in zijn boekje over den Kinderdoop (blz. 13 enz., 16 enz., 29 enz., 43 enz., 45 enz., 60 enz., 8'8 enz., 95 enz.).
Wormser verstaat er onder hen, die in mysticisme (ziekelijke en ontaarde mystiek), individualisme, subjectivisme en valsche lijdelijkheid gevangen zijn. 't Zijn die vromen, die, met verwaarloozing van het genadeverbond, éénzijdig nadruk leggen op de Uitverkiezing. Die de genade zoo beperkt mogelijk voorstellen. Die tot verkrijging van de zekerheid des geloofs, meer zien op zichzelf, op gestalten, bevindingen en bijzondere openbaringen, dan op de beloften Gods. Die meer leven in de traditioneele voorstellingen, welke van ouder op kind worden overgeleverd, dan bij de Gereformeerde belijdenisschriften. Die den Kinderdoop practisch van weinig waarde achten (waarom Wormser dan ook spreekt van „meer Doopsgezind dan Gereformeerd", blz. 95) en het Avondmaal al te gemakkelijk verzuimen, meer ziende op zichzelf dan op Christus. Die slechts een heel klein deel van de Kerk rekenen tot het ware volk van God, en de rest als „de onbekeerde massa" aan haar lot overlaten.
Tusschen de moderne wetenschap, met sterk individualistischen inslag, en deze ziekelijke subjectivistische richting legt Wormser dan dit verband : „Terwijl de Kerk moet gevoed worden uit de Waarheid in de belijdenis der Kerk vervat, zoekt de onkerkelijke wetenschap en de bekrompen richting der Kerk, veeltijds voedsel in hetgeen ieder individu afzonderlijk meent te zullen vinden. De onkerkelijke wetenschap ziet veelal de gekende waarheid voorbij en leeft van allerlei navorschingen, en de bekrompen richting in de Kerk wil leven uit hetgeen zij meenen boven andere geloovigen, en met uitzondering van andere geloovigen, te bezitten, dat ieder voor zich onderzoekende ; levende bij persoonlijke belevingen, bevindingen, openbaringen enz.
Beide is verkeerd ; — de wetenschap moet niet leven bij hetgeen na achttien eeuwen nog ontdekt moet worden; maar bij hetgeen gedurende achttien eeuwen door de gemeente des Heeren als haar erfgoed gerekend en erkend geworden is. En in de Kerk moet men niet leven bij de bijzondere openbaringen, maar bij hetgeen ons geopenbaard is in Gods Woord ; en de geloovigen worden zalig, niet door hetgeen hen van elkander onderscheidt, maar door hetgeen zij met elkander gemeen hebben.
„Dit nu schijnt mij toe", aldus besluit Wormser het tweede Hoofdstuk, „het gebrek te zijn niet minder van de onkerkelijke wetenschap als van de bekrompen richting in de Kerk : dat ook zij zich van het volk, van de Kerk, afzondert en zich isoleert. De onkerkelijke richting der wetenschap en de bekrompen richting der Kerk zijn hierin aan elkander gelijk, dat beide de objectieve (voorwerpelijke) waarheid (dien onver anderlij ken grondslag van Gods gemeente) verwaarloozen, en de Belijdenis der Kerk verkeeren in een chaos van allerlei individueele, subjectieve en tegenstrijdige meeningen en gissingen, zoodat ook omtrent den Heiligen Doop bij velen geen redelijke en heiligende bevatting is overgebleven". „Alzoo wordt op verschillende wijze, door de meest uiteenloopende richtingen, tot verkrijging van dezelfde uitkomsten samengewerkt". „En deze uitkomsten zijn geen andere dan die van : algemeene onkunde, voortdurende twist en verdeeldheid, individueele en nationale Godverzaking en zedeloosheid, uittering en vermagering der natie".
Wormser zegt : aan de natie — en aan de Kerk — wordt onthouden de objectieve waarheid van Gods openbaringen, die subjectief moet worden geloofd en omhelsd, zal men gevoed en gesterkt worden.
„Aan de Gemeente wordt veeltijds onthouden wat de wil Gods is, waaraan alles gelegen is, en haar worden voorgehouden allerlei meeningen en bespiegelingen van menschen, die haar geheel onverschillig zijn".
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's