De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Rondblik buiten de Grenzen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondblik buiten de Grenzen

5 minuten leestijd

Deze week is, wat de internationale politiek betreft, vrijwel 'n vervolg geweest van de vorige. Dat wil zeggen, dat ook de laatste dagen weer druk diplomatiek overleg werd gevoerd en de kopstukken wéinig-opzienbarende redevoeringen uitspraken. De periode van schijnbare rust duurt dus nog voort. Nu is het op zichzelf natuurlijk toe te juichen, dat er nog geen onherroepelijke dingen zijn gezegd die direct den vrede in gevaar brengen. Met een variant op een bekende uitdrukking kunnen we zeggen : „Zoolang er vrede is, is er hoop". De kans dat door overleg een catastrofe voorkomen wordt is nu in ieder geval grooter, dan wanneer het eerste kanonschot reeds is losgebarsten. Het ware evenwel te hopen, dat de situatie spoedig opklaarde. Zoo langzamerhand gaat men denken : „er komt vandaag of morgen toch oorlog, dus waarom zouden we ons over het behoud van den vrede nog druk maken". En deze opvatting is allerminst geschikt om vruchtbaar vredeswerk te verrichten.
Nu schuilt er in de wijze waarop, met name Duitschland en Italië, de Europeesche spanning in het leven houden, ongetwijfeld een stuk tactiek. Italië heeft reeds maanden geleden het praatje in de wereld geholpen, dat het van-alles-en-nog-wat van Frankrijk begeert. Het straatgeschreeuw : „Tunis" werd later door de Italiaansche bladen overgenomen. Doch toen Mussolini eindelijk zelf het woord nam, liet hij angstvallig na om zijn „eischen" precies te omschrijven. Voorzoover we weten heeft hij aan de uitnoodiging, onx zijn verlangens langs den normalen diplomatieken weg kenbaar te maken, tot heden nog geen gevolg gegeven. Er gebeurt niets, doch de spanning blijft. Ook in zijn rede van deze week hield de Duce zich weer „op de vlakte". Hij sprak zelfs vredelievende woorden, doch maakte aan de bestaande onzekerheid geen einde. Hitler past een soortgelijke tactiek toe. Hij zegt aan oorlog niet te denken, doch laat geen gelegenheid voorbij gaan om te doen uitkomen dat hij (onder meer!) ten opzichte van Polen en het koloniale vraagstuk zekere wenschen heeft, die spoedig ingewilligd zullen moeten worden.
Op deze manier blijft de internationale toestand steeds gespannen. Men weet niet waar men aan toe is. Kan, door het inwilligen van deze of gene wensch, nog een oorlog voorkomen worden of zullen de „eischende" staten inbinden wanneer ze zien, dat de tegenpartij zich niet laat intimideeren ? Zóó ontstaat juist de sfeer waarin de dictators brutaalweg goede zaken kunnen doen. Maar de Staatslieden, die langen tijd gewend zijn geweest, op andere wijze tot resultaat te komen, krijgen deze trucjes langzamerhand door. En inplaats van zich, door het traineeren van Berlijn en Rome, zenuwachtig te. laten maken, benutten ook Londen en Parijs den tijd welke hen nog van een mogelijk gewapend conflict scheidt, om zich te bewapenen, te bewapenen en nog eens te bewapenen. Wat dit betreft heeft de Fransche premier Daladier zijn standpunt dezer dagen duidelijk uiteengezet : „Wie een aanslag op de vrede doet, zal de kracht van onze wapenen leeren kennen. Als men er naar streeft ons uit te putten door de weifeling tusschen oorlog en vrede, zullen wij stand houden zoolang het noodig is. Noch het geweld, noch de list zullen tegen Frankrijk iets vermogen".
Het is goed dat Daladier het listige weifelen, waaraan „men" zich schuldig maakt, openlijk als opzettelijke tactiek heeft ontmaskerd. Wanneer een list wordt onderkend, en als zoodanig wordt gequalificeerd, heeft ze reeds veel van haar beteekenis verloren. Uitstel en bedreiging mat den vijand af. Doch zoodra hij weet dat juist dat het doel is van het uitstel, wordt de spanning der onzekerheid meteen van haar kracht beroofd. Opnieuw heeft Daladier bewezen, dat hij „de dingen bij hun naam durft te noemen", zonder dat hij daarbij in brallerige grootspraak vervalt. Tegenover menschen die alle bescheidenheid voor zwakte, en elke tegemoetkomendheid voor vrees aanzien, is het wel noodzakelijk om hen op krachtige wijze van antwoord te dienen. En dat is den Franschen premier wel toevertrouwd. „Wij behoeven niet rondom ons getuigenissen te vragen pm te bewijzen dat wij over geen aanval denken", zeide Daladier. Deze sarcastische opmerking zal wel geen nadere verklaring behoeven. Hitler zou het niet hebben kunnen verbeteren.
Hier openbaart zich een verschil tusschen de wijze waarop Daladier en Chamberlain spreekt. Als men den Britschen premier èrg kwaad maakt geeft ook hij wel een verstaanbaar antwoord, doch hij doet dat niet in den populair-pakkenden vorm welke tegenwoordig zoo geliefd is. En de daarbij behoorende daden laten dikwijls te lang op zich wachten. Zoo blijft er tijd en ruimte voor reacties die het effect van het Britsche antwoord weer teniet trachten te doen. De invoering van den militairen dienstplicht b.v. kwam zoo laat, dat Chamberlain nu nog weer eens nadrukkelijk heeft moeten verklaren, dat deze maatregel bedoeld was om een mogelijk misverstand over het Britsche standpunt weg te nemen. De kans op misverstand zou echter beduidend kleiner zijn geweest wanneer deze waarschuwingsmaatregel eerder was getroffen. Gezegd moet echter worden, dat Londen met het afsluiten van vriendschaps-accoorden thans voortvarend tewerk gaat. Deze week werd weer een Britsch—Turksch verdrag gesloten. Het kon wel eens zijn, dat door dit verdrag tevens het contact tusschen Londen en Moskou wat nauwer aangehaald werd. Voorts kwam dezer dagen nog een Engelsch-Roemeensche overeenkomst tot stand. Daarin worden de handelsbetrekkingen tusschen beide landen geregeld. Zooals men weet is het Berlijn reeds eerder gelukt een handelsovereenkomst met Roemenië af te sluiten. Engeland was echter in staat een crediet van 5 millioen pond te verleenen, waarmede het den achterstand, welke Londen ten opzichte van Roemenië bij Berlijn had, weer schijnt te hebben ingehaald.
Wat de kwestie-Dantzig betreft, — „volgens veler meening thans het gevaarlijke punt in Europa", — verklaarde Chamberlain dat de Britsche verzekeringen aan Polen, duidelijk en scherp omlijnd zijn". We zullen moeten afwachten wat dit precies beteekent.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Rondblik buiten de Grenzen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's