De Heidelbergsche Catechismus
naar de verklaring van ZACHARIAS URSINUS (23)
Vraag VIII : Maar zijn wij alzóó verdorven, dat wij ganschelijk onbekwaam zijn om goed te doen en geneigd tot alle kwaad ? Antw. : Ja wij, tenzij wij door den Heiligen Geest wederom geboren worden. (Gen. 8 : 21; 6 : 5 ; Job 14 : 4 ; 15 : 14 ; 16 : 35 ; Joh. 3:5; Jes. 53 : -6 ; Joh. 3 : 3 en 5 ; 1 Cor. 12 : 3 ; 2 Cor. 3 : 5).
Hier hebben we de vraag, bij de ellende des menschen, naar den vrijen wil of de krachten van den menschelijken wil, om goed te doen en Gode te gehoorzamen. Het is noodig te weten, wat de mensch vóór den val vermocht en wat hij na den val kon, opdat wij de gevolgen van de eerste zonde recht kennende, meer worden aangespoord tot nederigheid en verlangen naar genade en goddelijke besturing, ja ook tot dankbaarheid jegens God.
De leer over den vrijen wil is toch geen beschouwing van menschelijke macht en voortreffelijkheid, maar van zwakheid en ellende.
De voornaamste vraag is nu : kan de mensch, evenals hij zich van God heeft afgekeerd, nu ook nog met eigen krachten tot God terugkeeren, de genade door God aangeboden aannemen en zich zelf verbeteren ? Moet dus de voornaamste oorzaak, waarom sommigen bekeerd worden, terwijl anderen in hun zonden volharden, gezocht worden in den wil van den mensch ? En moet het antwoord on de vraag : waarom zoowel van de bekeerden als van de- niet bekeerden de een meer, de ander minder goed en kwaad verricht, ook hier gezocht worden in den wil des menschen ?
Op deze vraag antwoorden, de Pelagianen en soortgelijken, dat aan alle menschen zooveel genade is gegeven en in de natuur overig is, dat zij tot God kunnen terugkeeren e" Hem gehoorzamen. Dan komt alles te liggen in den wil des menschen, waarbij sommigen dan wel aannemen dat er Goddelijke hulp noodig is, maar anderen versmaden en verwerpen ook dat nog. Zoo heeft de mensch dan tenslotte niemand dank te zeggen dan zich zelvén.
De Schrift daarentegen leert, dat geen werk Gode behagelijk kan zijn zonder wedergeboorte en een buitengewone weldaad des Heiligen Geestes. En dat bij alles wat de mensen onderneemt of volvoert, alleen zooveel goeds bestaat als God door Zijn vrijwillige goedheid in hen wil werken. Ja, dat ook de menschelijke wil alleen daarheen wordt geleid, waarheen het Gods eeuwig en wijs plan goed toe scheen.
Om dit te beter te begrijpen, moeten we beschouwen : 1. wat de vrijheid van den wil en de vrije wil is ? — 2. welk onderscheid er is tusschen de vrijheid in God en de vrijheid in redelijke schepselen, engelen en menschen? — 3. of er eenige menschelijke vrijheid van wil is ? — 4. hoedanig de vrijheid van den wil in den mensch is en welke de graden van den vrijen wil zijn, naar de vier toestanden des menschen ?
1. Wat is de vrijheid van den wil en de vrije wil ? Het woord vrijheid duidt gewoonlijk de geschiktheid van een persoon of zaak aan, om te handelen uit eigen zin en beweging naar eerlijke wetten of ordeningen, met zijn natuur overeenkomende. Het is dan de vrijheid of de geschiktheid, om het goede, dat met zijn natuur overeenstemt, ongehinderd en zonder schade te genieten en anderzijds om de gebreken en lasten, die zijn natuur niet eigen zijn, niet te dragen. Zoo staat deze vrijheid tegenover dienstbaarheid.
God is in alle opzichten vrij, omdat Hij aan niemand verplicht is. Zoo waren de Romeinen en de Joden vrij, d.i. niet gedrukt door vreemde heerschappij en lasten. Zoo is de Staat, die burgerlijke vrijheid bezit, vrij van tyrannie en dienstbaarheid. Zoo zijn de geloovigen, gerechtvaardigd in Christus, vrij van Gods toorn, van de vervloeking der Wet en van de Mozaïsche plechtigheden. Deze beteekenis van vrijheid komt bij de behandeling van den vrijen wil niet te pas. Immers het staat toch vast, dat wij niet zonder meer vrij zijn, alsof God en Zijn gebod voor ons menschen niet zou bestaan. Wij zijn allen dienstknechten Gods en worden door de Wet verplicht tot gehoorzaamheid of tot straf.
Ten tweede staat vrijheid tegenover dwang. Dan is het de bekwaamheid om een voorwerp of een daad, door het verstand ons duidelijk gemaakt, te verkiezen of te verwerpen uit eigen beweging, zonder dwang, terwijl de wil van nature geschikt is en blijft om iets, dat tegenovergesteld of verschillend is, te verkiezen, of een handeling uit te stellen ; zooals b.v. de mensch kan willen wandelen of niet wandelen. Dit nu is handelen na voorafgaand beraad, welke manier van handelen den wil eigen is.
Deze vrijheid van den wil is bij God, de engelen en de menschen ; en de vrije beschikking in deze dingen wordt vrije wil genoemd.
Vrij wordt hij genoemd, omdat hij met dit vermogen of met de vrijheid van te willen of niet te willen, is voorzien. Wil of beslissing wordt deze wil genoemd, in zoover hij door te overdenken, het oordeel van het verstand volgt of verwerpt. Alzoo omvat de vrije wil beide vermogens van de ziel.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's