De Raad Gods.
Augustinus.
IV.
Augustinus.
Als we den naam van Augustinus noemen, denken we ook onmiddellijk aan den naam van Monica, den naam van zijn geliefde moeder. Wat heeft het haar gesmart, toen haar zoon haar niet volgen wilde op het smalle pad, dat ten eeuwigen leven leidt ! Wie zal haar leed kunnen schetsen, toen ze het uit den mond van haren geleerden zoon moest hooren, dat hij niet meer wilde bidden en ook niet meer in den bijbel wilde lezen. De leer van Fautus, den Manicheër, had hem zoó bekoord, dat hij met het Christendom gebroken had. De leer van het Perzische dualisme moet hem bijzonder hebben aangetrokken. Deze leer stelde toch twee godheden tegenover elkander, de god van het licht en de god van de duisternis. Wat viel het nu aan Augustinus gemakkelijk om zijn losbandig leven maar toe te schrijven aan den invloed van Ahrman, den god van de duisternis. Hij leefde in concubinaat met een zwarte Afrikaansche vrouw. Uit dien onwettigen echt werd een kind geboren. Hoewel hij zijn moeder had beloofd niet naar Rome te gaan, heeft hij haar toch bedrogen en betaalde den vrachtbrief voor een reis per schip naar Rome, waar hij zich als rhetor vestigde. Een ernstige krankheid bracht hem niet tot bezinning. Van honger zou hij zijn omgekomen, als de prefect van Rome voor hem niet gezorgd had.
Nu kreeg hij een betrekking van huisonderwijzer in Milaan. Daar in Milaan wordt hij door den Heere staande gehouden. Eindelijk moet het brieschende paard sneven. Het lezen van de brieven van Paulus en de prediking van Ambrosius hebben hem onder den adem des Geestes tot bekeering gebracht. Hij leert Christus kennen als zijn Borg en Middelaar. En als nu Augustinus naar de redenen gaat vorschen, waarom de Heere hem had staande gehouden en nog naar hem had willen omzien, dan vindt hij niets behagelijks in zich zelf. Integendeel, alles getuigde tegen hem. Maar als er dan ook één geweest is, die het bij eigen ervaring heeft verstaan, wat het zeggen wil, om uit genade zalig te worden, dan was hij het stellig.
Ik vond het ergens zoo schoon uitgedrukt : „Uit eigen gapenden afgrond van schuld en innerlijke verwrongenheid heeft hij leeren staren in het firmament van de nimmer eindigende barmhartigheden Gods".
We moeten dus wel deze voorstelling afwijzen, alsof Augustinus alleen door het optreden van Pelagius zou zijn gekomen tot die scherpe omlijning van het leerstuk van Gods Raad.
Immers, reeds voordat Pelagius tegen hem in het strijdperk trad, had hij in een geschrift dit aangrijpende leerstuk aan de orde gesteld. Het Woord Gods, in zijn eigen ziel ervaren, heeft hem geleid tot de aanbidding van het eeuwig welbehagen Gods.
Het gaat hem bovenal om de eere Gods. Hij wil er geen oogenblik aan denken om Gods aanbiddelijken Raad afhankelijk te stellen van den wil des menschen. Hij ziet, hoe vreeselijk de verwoesting is, die de zonde in de menschheid heeft aangericht. In Adam zijn alle menschen diep gevallen. De mensch is gansch en al verdorven en is onbekwaam om het waarachtig geestelijk-goede nog te kunnen kiezen.
Mogen we twee uitspraken uit zijn belijdenisgeschriften naar voren brengen, die hem met enkele pennetrekken juist hebben geteekend.
Ik denk aan de uitspraak in boek I, hoofdstuk 6 : „indien ik ook in zonde ontvangen werd en geteeld in zonde in de moederschoot, waar dan, o God ! o Heere !, waar en wanneer was Uw knecht zonder schuld ? "
En, daarnaast plaats ik, wat hij heeft gezegd in boek X, hoofdstuk 29 : „en geheel mijn hoop is slechts in Uwe overgroote barmhartigheid, Heere God ! Geef wat Gij beveelt en beveel, wat Gij wilt".
In het eeuwig welbehagen neemt Augustinus zijn uitgangspunt. Van eeuwigheid af heeft de volzalige God besloten om uit de verdorven menschenmassa een bepaald aantal te zaligen en te redden tot eere van Zijn nooit volprezen naam. Maar de redding van deze uitverkorenen vindt zijn oorzaak niet in het schepsel. Die redding berust niet op vooruitgeziene daden, maar ze rust alleen in den vrijen, souvereinen wil Gods.
Ge gevoelt, dat alleen bij zulk een opvatting, als die van Augustinus, sprake kan wezen van de absolute handhaving van 't woord: Uit genade zijt gij zalig geworden.
Ook de verwerping is door Augustinus geleerd. In den breede heeft hij ook daarover gehandeld. Vragen als deze : „Is God dan niet de auteur van de zonde ? ", werden door hem breedvoerig onder de oogen gezien.
Toch is er onder de geleerden verschil over de vraag, of Augustinus de verwerping heeft geleerd als een daad van Gods praedestinatie of dat hij haar beperkt tot de voorwetenschap.
We kunnen hierover niet in den breede schrijven. Er zijn inderdaad uitdrukkingen, die in die richting wijzen. Zoo nu en dan noemt hij werkelijk de verwerping een daad van Gods voorwetenschap.
Maar daarnaast zijn vele plaatsen, waar hij spreekt van de verlorenen als van voorbeschikten tot den eeuwigen dood, voorbeschikten tot het altoosdurend verderf, een wereld, die ter verdoemenis verordineerd is ; Judas, die tot het verderf is gepraedestineerd.
Uit dergelijke uitdrukkingen blijkt duidelijk, dat Augustinus de dubbele praedestinatie heeft geleerd, dus zoowel verkiezing als verwerping.
We moeten nu van Augustinus afstappen. Zijn invloed strekt zich uit tot op dezen dag. En toch zijn de Middeleeuwen vol van pogingen om de gevoelens van dezen grooten Christelijken denker te onderdrukken.
Het is eigenaardig, dat de Roomsch Katholieke Kerk Augustinus als een van hare grootste heiligen vereert en toch daarnaast een afkeer heeft van zijn praedestinatieleer.
Telkens is op allerlei Kerkvergaderingen het standpunt van Augustinus scherp veroordeeld, zonder dat de Roomsche Kerkvaders den moed hebben bezeten om zijn naam er bij te durven noemen. Augustinus had zulk een naam in de Kerk, dat men niet openlijk zijn leer als ketterij veroordeelen durfde.
Het kan daarom verwondering wekken, dat de Roomsch Katholieken met hun Semi-Pelagianisme zich tegen Augustinus meer dan ooit blijven verzetten en toch in de vereering van dezen kerkvader als een van de grootste heiligen blijven voortvaren.
Dat vindt zijn oorzaak in zijn Kerkbeschouwing. Augustinus was een kind van zijn tijd. Al ging hij niet zoover als de Roomschen van onzen tijd, die de Kerk de uitdeelster der genade Gods noemen, toch was de Kerk ook voor Augustinus de middelares der zaligheid, omdat binnen hare muren in den regel God aan zondaren Zijn genade schenkt.
Wie dan ook de geschriften van Augustinus bestudeert, zal het begrijpen, dat er hier en daar materiaal gevonden wordt in die geschriften, wat door latere Kerkvaders verder in echt Roomschen geest is uitgewerkt. Dit is de verklaring van het feit, dat Protestanten en Roomschen hem om beurten prijzen, maar daarnaast ook weer hun bezwaren tegen Augustinus hebben.
Wij laten de Kerkleer van Aiigustinus los, maar volgen den grooten denker in zijne beschouwingen aangaande de redding van zondaren, omdat alleen bij zijne Schriftuurlijke beschouwing de Heere volkomen aan Zijn eer komt.
Semi-Pelagianisme.
We noemden boven reeds 't woord : Semi- Pelagianisme. Semi beteekent : half. Het wijst er dus op, dat de Kerk Pelagius maar ten halve is gevolgd. Hoe groot de invloed van Pelagius ook geweest is, de Kerk heeft zijn leer tenslotte verworpen op de Synode van Carthago in 418. En ook op het derde oecumenische concilie te Epheze is de leer van Pelagius opnieuw veroordeeld.
Nu zoudt ge echter denken, dat ze dan zich zou hebben aangesloten bij de opvatting van Augustinus. Maar neen, ook dat deed ze niet. Al wat er aangaande de redding van den zondaar op het concilie te Epheze gehandeld wordt, draagt het standpunt van halfslachtigheid. Zelfs de leerlingen van Augustinus, die hem vereerden, misten de diepte van inzicht om den grooten meester te volgen. We moeten goed bedenken, dat Augustinus een van de grootste denkers geweest is. Maar niet alleen, dat het den leerlingen daaraan menigmaal ontbrak, maar 't is ook de groote vraag of ze het ook zoo diep en innig hebben beleefd, gelijk Augustinus 't had doorworsteld. De halfslachtigheid van de Kerkvaders, die op Augustinus zijn gevolgd, is de Kerk duur komen te staan. In een volgend artikel hopen we te handelen over het Semi-Pelagianisme.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's