NIENKE
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen
„Gemeente des Heeren, wat doen wij voor dezen ? Wat doen wij persoonlijk, hoofd voor hoofd, voor hen ? Hebben wij wel ooit de handen uitgestoken naar dezen ? Onverschillig wie wij zijn en waar wij zijn, maar omdat het onze „naasten" zijn, waar de Wet des Heeren van spreekt ? Die naasten, die wij lief zullen hebben als onszelven, omdat de Heer het gebiedt en omdat wij persoonlijk iets hebben leerei verstaan en ervaren van die wondere liefde van Christus, welke zich onzer ontfermde, toen wij naar Hem niet vroegen en Hij Zijne reddende hand naar ons uitstak, toen wij lagen in ons bloed ? Zooals de gemeente belijdt :
'k Lag machteloos gebonden. Gij kwaamt en maakt mij vrij ; Ik was bedekt met zonden. Gij kwaad en reinigd' mij. Het leven was mij sterven. Tot Gij mij op deedt staan ; Gij doet mij schatten erven, Die nimmermeer vergaan.
„'t Is juist de erkentenis van eigen schuldig en bedorven hart, welke ons moet uitdrijven om Christus' wil de hand ter redding uit te steken tot allen, wat ten doode wankelt. Omdat het onverdiende genade is, als wij tot heden niet in handen van diezelfde moordenaars vielen en wij alleen maar kunnen roemen in de vrije gunst Gods. Het is Zijne hand, die ons dekte. Zijn oog, dat ons bewaakte, Zijn Geest, die onze ziel en zinnen heiligde. Zijn lokkende, leidende liefde, welke ons omtuinde, als een vurige muur ons omringde en onzen weg zoo effen maakte, dat wij voor vele verzoekingen des levens bewaard bleven, voor welke anderen bezweken.
„Daarom, gemeente, is alle roem uitgesloten en krijgt Gode alleen de eer van heel het leven Zijner geliefde kinderen, maar daarom hebben zij ook zulk een ernstige roeping en taak.
„Het is deze : zichzelf in de kracht Gods onbesmet te bewaren van de wereld, en dan, als Christus, in Zijnen naam uit te gaan, om eveneens te redden die verloren zijn en op 's levens wegen hulpeloos en hopeloos neerliggen en geen uitweg meer zien. Ook al is het een „zeker mensch", dien wij niet kennen, maar een „mensch", dus iemand met een onsterfelijke ziel, die verloren kan gaan en behouden moet worden op den weg van Jeruzalem naar Jericho.
„Gemeente des Heeren, zullen wij, als de Samaritaan, uitgaan in heg en steg, zelfs op wegen, die anders de onze niet zijn en waar ons dagelijksch werk ons niet roept, om daar te redden, wat ten doode gegrepen is ? Ik meen, dat het iets is van hetgeen de Heiland der wereld verwacht van allen, die achter Hem aan komen en Zijne voetstappen zoeken te drukken, waartoe Hij hen een exempel naliet".
Met grooten ernst, waarin de aandoening van eigen hart soms trilde, werd dit woord gesproken, terwijl heel de verschijning van ds. Buitenveld getuigde, hoe hij opging in de prediking en zijn eigen hart vol liefde was voor hetgeen zóó aan den weg van het leven neerlag.
Toen 't j, amen" uitgesproken was en de gemeente den slotzang zong, sloot hij even de oogen en streek met zijn blanke hand langs het voorhoofd. Reeds voelde hij de reactie over zich komen, welke eene bediening van het Woord als in dit morgenuur altijd tot uitwerking had, waar hij zoo met geheel zijn persoon opging in hetgeen hem boven alles dierbaar was en tot de ernstige taak van het predikambt behoorde. Toen daarna de zegen uitgesproken werd, ging de gemeente heen onder de meest uiteenloopende gewaarwordingen. Sommigen, gelijk we in den aanvang opmerkten, diep onder den indruk van het Woord. Anderen verwonderd, niet begrijpend, waar ds. Buitenveld met deze prediking heen wilde. In Zevenhuizen waren toch geen moordenaars en dreigden geen gevaren. Nog anderen, gemelijk, geheel uit hun humeur, omdat de preek hen niet gesticht en geen zielevoedsel gegeven had. Thijs Sangers, de veehandelaar, die elke week naar de voornaamste markten ging en dan niet altijd even flink en op tijd thuis kwam, maar niettemin zeer rechtzinnig was, vertelde later, dat het in 't geheel geen leerrede genoemd kon worden, omdat ds. Buitenveld niet eens een verdeeling in punten met een extra toepassing had, en dat de dominees hoe langer hoe meer van die godsdienstige toespraken hielden, die evengoed buiten de kerk konden gehouden worden. Daar waren er evenwel óók, die tot in hunne ziel diep geroerd werden, omdat zij of een der hunnen familie waren van dien „zekeren mensch", daar op dien weg van Jeruzalem naar Jericho.
En de preek van dezen morgen hen dus persoonlijk aanging.
Hoofdstuk II
DONIA-STATE.
„Heb je goed geslapen. Mini ? " „'k Geloof het wel. Hoe laat is 't ? " „Vier uur ruim ; maar kind, waarom drink je nu niet meer melk ? Heel de kan is bijna nog vol en daar staat nog een gevulde beker. Je weet, dat dokter zoo geboden heeft van minstens twee liter per dag, plus de eiers".
„Dokter kan wel meer zeggen ; hij moest zelf maar eens dat alles moeten slikken. Moeder moet dit lijstje eens inzien".
„Wat is dat ? "
„Eene kleine berekening, hoeveel melk ik nu al gedronken heb gedurende de drie jaar, dat ik in een tentje lig en nog niet beter".
Met een zucht nam vrouw Santema het papiertje aan, terwijl haar moederoog in groote teederheid op de kranke rustte en de pijn van 't moederhart verried. Neen, nog niet beter, 't Was in deze maand waarlijk al drie jaar, dat Mini hier lag.
(Wordt voortgezet.;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's