Huisbezoek!
Als er één ding is, waarop we als ambtsdragers telkens elkaar weer moeten wijzen, dan is het zeker wel op de noodzakelijkheid van het huisbezoek.
We weten allen, wat we er onder verstaan. De naam is niet zoo juist. Het mocht wel zielsbezoek heeten, inplaats van huisbezoek. Maar het gaat niet om den naam, maar het gaat om de zaak.
Wat dwalen er honderden en duizenden af van de Kerk, die door huisbezoek misschien nog te winnen waren. Vooral zijn de kansen, naar den mensch gesproken, groot, om nog te winnen hen, die nog bij het Woord Gods zijn opgevoed. Uit eigen herderlijke ervaring weet ik, dat een ernstig vermanend woord er weer toe kan leiden, dat er gebroken wordt met de sleur om niet meer naar de kerk te gaan. Door trouw bezoek is het mogelijk om onverschilligen nog weer eens onder het net van het Woord te krijgen.
Ik weet, dat het een moeilijk werk is, een werk met vele teleurstellingen, maar aan den anderen kant is het toch ook weer een heerlijk werk, om dienstbaar te zijn in den arbeid van het Koninkrijk Gods en zielen te winnen voor Koning Jezus.
Zeker, het gebeure in het diepe besef, dat hij, die plant, niets is, en hij, die nat maakt, niets is, maar dat de wasdom van den Heere komt. We kunnen inderdaad met al onzen vermeenden ijver niet één mensch bekeeren. Maar aan den anderen kant is het de Heere, die toch wil, dat er tijdig en ontijdig op allerlei manieren waarschuwingen zullen worden gericht tot allen, die maar voortleven alsof er geen dood of eeuwigheid aanstaande was.
Satan is een vijand van het huisbezoek. Hij wil liever, dat het maar niet gebeuren zal. Op eigen terrein past hij het echter krachtig toe. Het communisme en de mannen van het ongeloof doen wél aan huisbezoek. Overal bouwt men cellen, zooals het heet, om van daaruit het geheele terrein te bestrijken.
Als het ongeloof er zooveel heil in ziet om leden te werven en verzamelen te blazen, zou de Kerk van Christus het dan niet doen ? Hier ligt niet alleen een breed terrein voor predikanten, ouderlingen en diakenen, maar zelfs voor de gewone leden. Het Nieuwe Testament spreekt immers van het priesterschap van alle geloovigen.
Lezer, mag ik u een vraag doen ? Ge zijt misschien een ijveraar voor het Koninkrijk Gods. Hebt ge echter uwen naasten buurman al eens toegesproken over zijn eeuwig heil ? Neem hem eens mee naar de kerk. O, bedenk het wel, dat het overal bezig is om af te brokkelen. Op alle terrein is verlies te boeken.
En nu weet ik het wel, dat er niets bij toeval geschiedt. Stellig vervult de Heere Zijn heiligen, aanbiddelijken Raad in alles ; dus ook in den afval. Maar dat neemt niet weg, dat ik te doen heb, wat mijn hand vindt om te doen, in diepe. afhankelijkheid, met de bede, dat het Gode mocht behagen om er Zijn zegen over te schenken.
Het zal moeilijker gaan, om de ongeloovige kinderen van dit afvallig geslacht weer te winnen voor het Koninkrijk Gods. Er leven er nu reeds in ons land, die van den naam van Jezus zoo goed als niets meer afweten. Ze groeien op en leven als de heidenen.
Laat het daarom met ernst door ons allen worden bedacht, dat de zaak van den Koning haast heeft. De velden zijn wit om te oogsten. En laten we er ons nu niet met vroom gebaar van af willen maken. Helaas, ook dat geschiedt.
Ik herinner mij, dat ik ongeveer 20 jaar geleden een hoog bejaard predikant sprak, die eigenlijk smalend afgaf op mijn jeugdigen ijver bij het huisbezoek. Hij voegde mij toe, dat hij wenschte, dat ik van den Heere mocht keren, dat God zich alleen verheerlijkt in Zijn eigen werk. Ik zou dan wel een toontje lager zingen.
Ik heb later dien wensch menigmaal mogen beamen in mijn binnenste. Het is wel eens goed, dat de harddravers eens worden stilgezet. Maar ik weet óok nog goed, dat deze bejaarde predikant mij vertelde, dat hij zich met het huisbezoek nooit zoo druk had gemaakt, om de doodeenvoudige reden, dat hij wist en vertrouwde, dat er door het betoon van de souvereine, vrijmachtige genade geen klauw zou achterblijven.
Ook daarmede stem ik roerend in. Er zal inderdaad geen klauw achterblijven. Maar toch vind ik het beroep op de verkiezende genade Gods, om daarmede onze traagheid te dekken, in den grond der zaak goddeloos.
Neen, dan dacht de apostel Paulus er anders over. Hoewel hij nimmer eenige eer voor de redding van zielen voor zich zelf heeft gezocht, maar die alleen aan den Heere heeft toegekend, durfde hij toch ook ta getuigen, dat hij overvloediger had gearbeid dan de Judaïsten, die hem in vele gemeenten bestreden hadden.
O, nog eens, als we zien op den grooten ernst der dingen, dan is er niemand, die mag slapen op zijn post.
Die het niet met mij eens mocht wezen, leze Judas vers 22 enz. : „En ontfermt u wel over eenigen, onderscheid makend ; maar behoudt anderen door vrees, en grijpt ze uit het vuur en haat ook den rok, die van het vleesch bevlekt is".
Het is geenszins de bedoeling, om den arbeid van anderen te bedillen, maar ik voel mij gedrongen, in het diepe besef van het gebrekkige van mijn eigen arbeid, elkander op te wekken tot vervulling van onze dure roeping, waarvan we eenmaal in de eeuwigheid rekenschap zullen hebben af te leggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's