WAT CALVIJN ONS LEERT
Het geloof.
Het geloof is het voornaamste werk van den Heiligen Geest. Een groot deel van die dingen, welke in de Heilige Schrift staan om de kracht en de werking van den Heiligen Geest uit te drukken, worden aan het geloof toegekend.
De Geest alleen brengt ons tot het licht des Evangelies, zooals Johannes de Dooper leert (Joh. 1 vs. 12), n.l. dat degenen, die in Christus gelooven, kinderen Gods zijn. Zij zijn niet uit vleesch en bloed, maar uit God geboren.
Daarmede is dus uitgedrukt, dat het een bovennatuurlijke gave is, als de menschen door het geloof Christus ontvangen, terwijl zij anders in hun ongeloof zouden blijven steken.
Het antwoord van den Heere Jezus Christus tot Petrus, toen hij beleed : „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods", stemt daarmede overeen. Immers Hij zegt : „vleesch en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is". (Matth. 16 vs. 17)).
Paulus spreekt evenzoo: „De Efeziërs zijn verzegeld met den Heiligen Geest der beloften". (Ef. 1 vs. 13).
De Heilige Geest is een Leermeester in het binnenste. Door Zijn werking dringt de belofte der zaligheid tot in ons hart door, welke zonder dat niet verder zou komen dan het oor.
Het geloof heeft geen andere oorzaak dan de werking van den Heiligen Geest. Dat volgt duidelijk uit hetgeen Paulus tot de gemeente te Thessalonika zegt : dat zij verkoren zijn door God in heiligmaking des Geestes en het geloof der waarheid. (2 Thess. 2 vs. 13).
Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, uit den Geest, dien Hij ons gegeven heeft. (1 Joh. 3 vs. 24).
Wij weten ook, dat Christus Zijn discipelen den Geest belooft, opdat zij de hemelsche wijsheid zouden kunnen verstaan. Van dien Geest wordt ook gezegd, dat de wereld dien niet kan ontvangen. (Joh. 14 VS. 17).
Calvijn spreekt van een ambt des Heiligen Geestes: n.l. dat Hij de dingen, welke Christus met Zijn mond gesproken heeft, in de gedachtenis brengt.
Daarom acht hij, dat de Heilige Geest terecht een sleutel wordt genoemd, waardoor ons de schatten van het hemelsche Koninkrijk worden opengedaan.
De prediking en de werking van den Heiligen Geest.
Vergeefs zouden de leeraren roepen, d.i. zonder vrucht zouden zij prediken, meent Calvijn, indien Christus, de inwendige Leermeester, niet Zelf door Zijn Geest degenen, die Hem van den Vader gegeven zijn, tot Zich trok.
Daarom prijst Paulus de bediening des Geestes zoo zeer. (2 Cor. 3 vs. 6).
Wij mogen hierbij wel even stilstaan, om op een misverstand te wijzen, dat in sommige kringen heerscht. Men kan n. 1. de meening hooren, dat de prediking alleen vruchtbaar kan zijn, wanneer het Woord wordt bediend door een bekeerden leeraar.
Daaruit volgt, dat zij, die zoo spreken, alleen die leeraren zouden willen hooren en — zoo zij het in de hand hebben — willen toelaten tot den predikdienst, waarvan zij mogen aannemen, of gelooven, dat zij het leven van Gods kinderen kennen.
Daaraan gaat een veroordeeling gepaard van de predikers, die in zulk een reuke niet worden geacht te staan. En sommigen, wien zulk een oordeel treft, worden ontstemd en kittelachtig.
Op deze wijze komen allerlei ongerechtigheden en verhoudingen binnen sluipen, welke schade doen aan het waarachtig geestelijk leven en aan de onderlinge liefde.
De plaats, die wij zooeven bij Calvijn passeerden, geeft ons aanleiding deze zaak onder de oogen te zien.
Voorop zij gezet, dat wij van harte onderschrijven den wensch, dat allen, die het Woord brengen, deelgenooten mogen zijn van het Evangelie der genade, hetwelk zij anderen verkondigen.
Wie zou eenigen anderen wensch mogen koesteren omtrent degenen, die tot het ambt der bediening geroepen zijn ?
Over dien wensch zal moeilijk verschil kunnen bestaan. Och, dat al het volk profeten waren!
Maar — nu komt de moeilijkheid. Stel, dat allen, die met de regeering der kerk belast zijn, uitgaande van dezen wensch, dat alle bedienaren des Woords bekeerde mannen waren, zouden willen trachten maatregelen te nemen om alleen zoodanigen tot den Dienst des Woords te beroepen, wat dan ?
Wij mogen nog iets verder gaan en aannemen, dat in een welgeordend kerkelijk leven, de regeerders, die met deze zorg belast zijn, de aanstaande dienaren zullen onderzoeken niet alleen op hun kennis van de belijdenisschriften der Kerk, maar ook — voor zoover dat mogelijk is — zullen trachten te peilen, of die kennis ook door een geloofsovertuiging wordt gedragen.
Nogmaals gaan wij een stap verder door aan te nemen, dat mogelijk het algemeen peil van ernstige rechtzinnigheid in leer en leven op zoodanige hoogte kon worden gehouden, als met het gewicht van het ambt overeenkomt en waarop ook de gemeente recht heeft.
Doch wie mocht meenen, dat in zulk een toestand alleen bekeerde domino's op den kansel kwamen, zou zich deerlijk vergissen.
Het is wel zoo, dat er in de kerkelijke saamleving een gemeenschap der heiligen is en dat zulk een gemeenschap kennelijk wordt ervaren. Zij, die door den Geest van Christus geleid worden, zullen ook in dien Christus één zijn en broeders van hetzelfde huis. Daar is dan ook wel degelijk sprake van een opgebouwd worden in het gemeenschappelijk geloof.
Al zijn wij dus geen kenners der harten en al vermaant de Heere ons, dat wij ons van een oordeel zullen onthouden, omdat wij niet weten, wie de Zijnen zijn, zoo is het daarmede niet in strijd, als wij in een ander hetzelfde leven opmerken, hetwelk wij zelf door Gods genade zijn deelachtig geworden.
En wanneer wij dan zulk een gemeenschap gevoelen in de prediking des Woords, laat dat niet na zijn invloed uit te oefenen op onze waardeering van den prediker.
Die dingen zijn zoo en dat zal ook niemand ontkennen.
Nochtans — de Schrift leert, dat God waarachtig en alle menschen leugenachtig zijn. Daarom, wanneer wij naar onzen maatstaf meten, zal het altoos op teleurstelling uitloopen. Ook onze beste werken zijn met zonde bevlekt en hoezeer wij de bediening des Woords alleen aan godzalige predikers zouden wenschen toebetrouwd te zien — als wij de waarachtigheid der godzaligheid en der roeping van de predikers meenen te kunnen peilen, zal het blijken, dat wij ook daarin veeltijds schromelijk kunnen dwalen. Wij zouden misschien hoog wegloopen met een schijn van godzaligheid en verwerpen, wat God heeft verkoren.
Het is dan ook van belang ons indachtig te maken, dat Christus de Leeraar Zijner gemeente is. De vrucht van de prediking is niet afhankellijk van den staat van den Dienaar des Woords, maar van de beschikking van onzen hoogsten Profeet en Leeraar Jezus Christus en van de werking van Zijn Geest.
Hoe zal het Woord toegang krijgen tot de harten ?
Dat is de vraag. Niet, of het gepredikte Woord uit den mond van een godzalig man komt, maar vindt het een toebereide aarde, wordt het door den Leeraar in het binnenste, d.i. door den Geest van Christus, als een levendmakende kracht ingedragen in de binnenkamer der harten ?
Daar ligt de kracht en de werking.
De volkomen zaligheid ligt niet in den man, die het Woord bedient, maar in den Persoon van den Christus. Zoo is er dus geen kennis der zaligheid, tenzij Christus ons doopt met den Heiligen Geest en met vuur, ons verlicht tot het geloof van Zijn Evangelie en wederbaarf tot een nieuw schepsel.
Wij mogen de vrucht echter niet van hem verwachten, dien wij voor een bekeerden dominé of een godzaligen oefenaar houden.
Nu moet men deze dingen goed begrijpen. Want het gaat om de eere van Christus. Wie de vrucht der prediking verwacht van den prediker of aan zijn godzaligheid de verdiensten van een vruchtbare prediking zou toeschrijven, berooft Christus van Zijn eer. Daartegen willen wij waarschuwen, omdat in Christus alleen de zaligheid is en Hij alleen weet, wie de Zijnen zijn, welke Hij niet nalaat te vergaderen tot de gemeente, die zalig wordt.
Zoo is het dus zeer wel mogelijk, dat een prediker slechts een klinkend metaal en een luidende schel is. Doch niemand doe te kort aan de macht van Christus om ook hem, zoo het Hem behaagt, te gebruiken als een instrument in Zijn hand.
Anderzijds achten wij het een voorrecht zoo voor de gemeente als voor den Dienaar des Woords, als hij zijn ambt mag vervullen met een godzalig hart. Want, waarin iemand zelf onderwezen is geworden door Gods Geest, zal hij ook de schapen van de hem toebetrouwde kudde beter verstaan en leiden.
Bij de voortgezette behandeling van het stuk des geloofs door Calvijn zullen wij aanleiding hebben om over deze dingen nader te handelen. Nu echter stippen wij de zaak slechts in het voorbijgaan aan.
Calvijn spreekt in het verder verband o.m. ook over het „omwonden" of „ingewikkeld" geloof, een geloof, dat a.h.w. nog in windselen zit, als een eerste uitspruitsel, waarin de geheele plant is, of als een knop, waarin de bloem verborgen zit.
Wij zullen in het vervolg zien, dat hij daarvan treffende voorbeelden in Gods Woord aanwijst.
In verband met de voorafgegane opmerking, zouden wij ook op deze zaak willen wijzen, omdat wij daardoor tot voorzichtigheid worden vermaand in de waardeering van onze naasten.
Men kan ook van de Dienaren des Woords niet aannemen, dat zij allen volleerd zouden zijn in den weg des Heeren. Wie is volleerd en wie is er, die alle dingen verstaat ? Immers geen mensch, zoolang hij in dit aardsche leven verkeert. Daar is zooveel verborgen, en dat niet alleen, maar daar zijn ook zooveel dwalingen en zwakheden.
Daarom als een Dienaar des Woords naar zijn krachten en gaven getrouw wil zijn in de bediening, verwerpe men hem niet, alsof de Heere Jezus Christus niet bij machte ware om zich van hem te bedienen. Want de vrucht van de bediening des Woords wordt niet bepaald door de mate des geloofs van den prediker, maar door de werking van den Heiligen Geest in de harten dergenen, die het Woord hooren.
Het is zeer wel mogelijk, dat er in de gemeente eikeboomen zijn, die hun leeraren overtreffen in den weg des geloofs, en menige jonge leeraar zou kunnen getuigen, welk een gezegende invloed er van zulke menschen op hem en op de gemeente is uitgegaan.
Vélen dragen nog aangename en dankbare herinneringen mede aan zulke broeders, die aan hun geloof godzaligheid, wijsheid, liefde, lijdzaamheid en ootmoedigheid paarden, waardoor zij tot geestelijke vaders en leidslieden in de gemeente zijn geroepen En zij kunnen dat zijn, omdat zij geleerd hebben, dat het niet is desgenen, die loopt, noch desgenen, die wil, maar des ontfermenden Gods.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's