De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

6 minuten leestijd

DE JEUGDWERKLOOSHEID IN HET GEDING.
Het Jeugdwerkloosheidsvraagstuk heeft als onderdeel van het groote in het volksleven zoo diep ingrijpende werkloozenprobleem in den laatsten tijd de volle aandacht der Regeering.
Reeds deelde de Regeering in de Millioenen-Nota van September van het vorige jaar mede, dat met het oog op den omvang en den duur van het euvel der jeugdwerkloosheid, zij van oordeel is, dat het in het belang van de handhaving der volkskracht onvermijdelijk is, te komen tot nieuwe maatregelen, welke kunnen bijdragen tot krachtiger bestrijding van dit kwaad.
Aan dit voornemen der Regeering is thans gevolg gegeven door de indiening van een tweetal wetsontwerpen.
Ie. verhooging van de begrooting van Sociale Zaken met een bedrag van ruim 5 millioen gulden, en
2e. invoering van een staat-van-dienstboekje voor jeugdige werkloozen.
Wat het eerste wetsontwerp, de verhooging van de begrooting van Sociale Zaken met 5 millioen gulden, betreft, moet er mede gerekend worden, dat het aangevraagde bedrag dient voor de nog resteerende maanden van het dienstjaar 1939, d.i. van Juli tot ultimo December, zoodat met de uitvoering van de plannen terzake van de bestrijding der jeugdwerkloosheid een jaarlijksche som van d= 10 millioen gulden zal gemoeid zijn.
Voor deze som nu zal de werklooze jeugd gelegenheid krijgen, deel te nemen aan kampwerk, cursussen, centrale werkplaatsen, werkobjecten en dienstbodenopleiding, alle welke voorzieningen uit de genoemde 10 millioen gulden zullen worden gefinancierd.
Ten einde de deelneming aan deze cultureele voorzieningen te bevorderen, dienen naar het oordeel der Regeering wettelijke voorschriften te worden getroffen. Deze voorschriften zijn ondergebracht in het tweede wetsontwerp, dat van de invoering van een staat-van-dienst-boekje voor jeugdige werkloozen.
In de invoering van zoo'n boekje ziet de Minister van Sociale Zaken, van wien de geheele regeling uitgaat, een krachtig middel voor mannelijke personen boven de 14 jaar, teneinde het doel : de bestrijding der jeugdwerkloosheid, te bereiken ; want het zal aan lederen werkgever verboden zijn een jeugdigen persoon beneden 21 jaar in dienst te hebben, zonder in het bezit te zijn van een dergelijk, dien jeugdigen persoon betreffend boekje.
Is deze regeling getroffen, dan mag voorts verwacht worden — aldus de Minister — dat de in het boekje aangeteekende staat van dienst in het algemeen een belangrijke factor vormen zal bij de beoordeeling door den werkgever van door hem in dienst te nemen jeugdige personen en zal het staat-van-dienstboekje voor den betrokkene een stimulans (aansporing) zijn, om meer dan tot nu toe 't geval was — de arbeidslust der jeugdige werkloozen is gering — deel te nemen aan de verschillende werkzaamheden der zorg voor de werklooze jeugd, welke deelneming immers een onderdeel zal uitmaken van den in 't boekje aangeteekenden staat van dienst.
Tenslotte zal de invoering van een staat-van-dienst-boekje — zoo oordeelt de Minister van Sociale Zaken — mede dienstbaar zijn te maken aan het verkrijgen van een nader inzicht in het verloop der werkloosheid onder de jeugd.
Tot zoover de toelichting, welke de Minister op de beide wetsontwerpen geeft.
Ontegenzeggelijk zitten bij den eersten aanblik in de maatregelen der Regeering tot bestrijding der jeugdwerkloosheid goede gedachten. Wie toch zal het b.v. niet toejuichen, wanneer de op straat slenterende en arbeidsschuwe jeugdige werkloozen aan den arbeid worden gezet.
Toch zijn er tegen de wetsontwerpen zwaarwichtige bedenkingen in het midden te brengen.
Zoo doet zich in de eerste plaats de vraag voor, of de voorzieningen wel noodig zijn. Hoe groot if het aantal jeugdige werkloozen ? Op die vraag is geen bepaald antwoord te ge- \en, omdat de cijfers der jeugdwerkloosheid niet bekend zijn. Mag men de betichten, die z.)0 af en toe over deze aangelegenheid in de pers gegeven worden, als juist aannemen, dan is de jeugdwerkloosheid sterk aan het minderen. Daarop wijst ook de groote behoefte aan jeugdige arbeiders in de fabrieken en werkplaatsen. Het is bekend, dat b.v. de leerlingen der nijverheidsscholen hij het verlaten dier scholen onmiddellijk emplooi in het bedrijfsleven vinden. Evenzoo is het merkwaardig, dat toen de Minister van Defensie eenige weken geleden, werkloozen als plaatsvervangers voor de dienstplichtigen, die wegens de grensmobilisatie onder de wapenen zijn, opriep, velen dezer, naar de bladen toen meldden, plotseling werk hadden ; en onder dezen zullen er ook wel een aantal jeugdwerkloozen zijn geweest.
In de tweede plaats komt het kostenvraagstuk, dat in verband met den slechten toestand' van 's Lands geldmiddelen niet onbesproken mag blijven. Gevraagd mag worden, of een uitgave van 10 millioen gulden voor de bestrijding der jeugdwerkloosheid, op dit oogenblik wel gewettigd is. Zijn de kosten met onevenredig hoog in verband met het aantal jongeren, naar becijfering ± 8000 jongens en meisjes, dat voor die 10 millioen gulden zullen geholpen worden ?
Bekend is, dat het particulier initiatief reeds een aantal werkkampen met steun der Regeering heeft opgericht. Deze kampen staan voor de financiering buiten de genoemde 10 millioen. Wil de Regeering nu voor de werklooze jeugd nog meer doen, dan is het de vraag, of aan de particuliere kampen geen uitbreiding ware te geven.
In de derde plaats worden de jongeren, wegens den maatregel, dat zij een staat-van-dienst-boekje moeten bezitten, zonder 't welk zij bij een werkgever niet in dienst zullen mogen worden genomen, ook al is de regeling geheel op het vrijwillige gebaseerd, indirect gedwongen naar een kamp te gaan. Daarmede is de grond gelegd voor het invoeren van den arbeidsdienst. De organisatie voor dezen dienst wordt op de voorgestelde wijze kant en klaar gemaakt.
En eindelijk, en dat is wel de meest ernstige bedenking tegen de plannen van den Minister van Sociale Zaken, brengen deze plannen de geestelijke vrijheid in gevaar. Dat gevaar treedt duidelijk naar voren, wanneer men kennis neemt van den inhoud van het Advies betreffende versterkte bestrijding van de werkloosheid der jeugd, samengesteld door de Rijkscommissie van advies inzake het vraagstuk van de werkloosheid onder de jeugd, welk Advies den Minister bij het samenstellen zijner wetsontwerpen tot leiddraad heeft gediend. De opzet van het Advies is, om de jongeren in de kampen te vormen tot „gemeenschapsmenschen". Daarvoor moeten de kampen uitgerust worden met werkplaatsen en boerderijen, opdat het kamp zooveel mogelijk gemaakt wordt tot een „afspiegeling der gemeenschap". Er moet daar worden gearbeid voor de gemeenschap. Ook adviseert de Rijkscommissie, dat in tegenstelling met hetgeen thans in de meeste kampen practisch het geval is, er naar moet worden gestreefd, dat de jongens ook den Zondag in het kamp doorbrengen en slechts éénmaal per maand het weekeinde naar huis gaan.
Daardoor zullen zij echter aan het gezinsleven worden ontwend, wat tot schadelijke gevolgen voor hun geestelijke ontwikkeling zal leiden.
Neemt men nu verder in overweging dat zoo nu en dan van Departementswege sprekers in de kampen optreden en de kampbewoners vrijwel verplicht zijn de lezingen van deze sprekers bij te wonen, dan zal het duidelijk zijn, dat, wanneer men al deze dingen bij elkander neemt, er gevaren dreigen voor het geestelijk leven van jongelieden van 14 tot 21 jaar.
Daarom zal, als er ooit iets komt van de plannen der Regeering, ook voor onze Hervormd Gereformeerde jongelingen gezorgd moeten worden, dat zij in een milieu komen, waarop de ouders en de Kerkeraden invloed kunnen uitoefenen.
Anders is het maar beter, dat van de versterkte bestrijding van de werkloosheid onder de jeugd in kampen, centrale werkplaatsen enz., niets komt.
De zaak lijkt ons wel wat voorbarig !
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's