WAT CALVIJN ONS LEERT
Van het geloof.
Alvorens tot nadere uiteenzetting van het geloof en de eigenschappen des geloofs over te gaan, herhaalt Calvijn in een kort overzicht de stof, die tot hiertoe
werd behandeld.
God schrijft door Zijn Wet voor, wat we moeten doen en zoo wij in eenig deel der Wet struikelen, treft ons het eeuwig oordeel.
Aangezien wij de gehoorzaamheid der Wet niet vermogen te brengen, hebben wij niet veel goeds te wachten, indien wij alleen op ons zelf zien en op den staat, dien wij verdiend hebben.
Alleen in Christus is er door 's Heeren goedertierenheid een ontkomen aan den bedroefden staat, waarin wij verkeeren.
Ziedaar nog korter dan Calvijn het doet saamgevat, wat voorafging.
Dan volgt een waarschuwing, die ook nog altoos verdient ter harte te worden genomen.
Velen, zegt Calvijn, die over geloof hooren spreken, begrijpen daarvan niet veel, zij houden het voor een toestemmen, dat de geschiedenis der Evangeliën waarachtig is.
Men spreekt ook op een schoolsche wijze van het geloof, alsof dat enkel op God is gericht, maar ook daarmede brengt men de menschen eer van de wijs dan in den rechten weg.
God bewoont een ontoegankelijk licht. Niemand kan tot God naderen, tenzij Christus hem een Middelaar is. Daarom noemt Hij Zich het licht der wereld en elders den Weg en de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot den Vader dan door Hem. Hij alleen kent den Vader en wien Hij den Vader wil openbaren. (Joh. 8 VS. 12; 14 VS. 6; Luc. 10 vs. 22).
Paulus acht geen ding waardig te weten dan Christus (1 Cor. 2 vs. 2) en met vele voorbeelden meer wijst Calvijn aan, dat Christus en Christus alleen de weg tot den Vader is en het onderwerp der prediking. Het is wel waar, zegt Calvijn, dat het geloof God aanziet, maar het moet den Christus belijden, dien de Vader gezonden heeft. Indien de klare kennis van Christus ons niet verlichtte, bleef de kennis van God verre van ons.
De Vader heeft al wat Hij had weggelegd in den Zoon, opdat deze ook in de nededeeling Zijner goederen het waarachtige beeld Zijner heerlijkheid zou uitdrukken.
Alleen in dit beeld moeten wij den Va der zoeken. Hij, die God en mensch is, is de veiligste weg tegen allerlei dwalingen. Hij is God tot Wien wij gaan, en de mensch, door Wien wij gaan.
Door Christus gelooven wij in God. (1 Petr. 1 VS. 21).
Vervolgens wijst Calvijn nog eens met klem de methode der scholastiek af. Hij heeft daarmede de Middeleeuwsche Leeraren op het oog, die veel over God geleeraard hebben, op een wijze, welke al te veel toeschrijft aan het menschelijk verstand. Ons verstand is nu eenmaal niet bij machte in de verborgenheden Gods in te dringen. Wanneer men toch allerlei dingen verklaren of begrijpen wil, die niet geopenbaard zijn, wordt men spoedig verleid tot ijdele speculaties en verzinsels. Men spreekt op een wijsgeerige wijze over goddelijke zaken en verliest den grond der waarachtige religie onder de voeten.
Het oprechte geloof wordt onder al zulke redeneeringen begraven. En men neemt zijn toevlucht tot den regel, dat men moet gelooven, wat de kerk gelooft, d.w.z. men onderwerpt zich maar ter goeder trouw aan de kerk.
Daartegen waarschuwt Calvijn, want het geloof bestaat niet in onwetendheid, maar in kennis. Als men slechts doorgaat op de meening, dat de kerk het weet, en dat het voldoende is aan te nemen, dat de kerk het geloof heeft, ook al draagt men van dat geloof en zijn inhoud geen nadere kennis, dan leeft men uit onwetendheid.
Een ieder kan begrijpen, dat zoo iets nooit een zaligmakend geloof kan zijn. Het geloof is kennis en draagt een persoonlijk karakter.
Zoo mag men dus de last van het onderzoek des geloofs niet aan de kerk overlaten, maar men is daarbij persoonlijk betrokken.
Déze waarschuwing van Calvijn is zeker niet overbodig.
Telkens weer laat zich het gevaar van een dood dogmatisme en scholastieke geleerdheid waarnemen. En altijd nog is er een niet gering getal van menschen, die nog wel tot de kerk behooren, maar wier kennis van de dingen aangaande het koninkrijk Gods zeer gering is. Feitelijk leven zij ook bij de stelling, dat de kerk het geloof heeft, alsof die ook voor hen. zou kunnen gelooven.
Hoevelen toch zijn er, die zelfs nooit den Catechismus hebben geleerd en op het terrein der Bijbelkennis slecht thuis zijn. Zelfs de kennis der groote hoofdzaken ontbreekt. En dan spreken wij nog niet eens over de leeraren der kerk, die daaraan mede schuldig staan.
Het schijnt, dat men in den laatsten tijd veel meer aandacht gaat schenken aan de belijdenisschriften, doch gedurende vele jaren leed het kerkelijk onderwijs groote schade in kringen, waarin de kennis van de belijdenis niet meer werd gezocht of bevorderd, omdat zij als een verouderde erfenis der vaderen werd beschouwd.
Het gevolg moest zijn, dat het volk verachterde in kennis, zoodat het richtsnoer voor het leven ging ontbreken.
Dit alles heeft niet weinig medegewerkt tot bevordering eener ontkerstening, die helaas een van de meest ernstige teekenen des tijds is geworden.
Wij willen bij de vreeselijke gevolgen van ontkerstening niet uitvoerig blijven staan. Het verlies aan geestelijke en zedelijke krachten zal niet herwonnen worden dan in denzelfden weg, waarin een vroeger geslacht die heeft verkregen, n.l. door een waarachtig geloof in Christus Jezus, in Wien God de Vader al Zijn schatten en gaven heeft geschonken.
Vernieuwing des levens kan alleen in Zijn gemeenschap worden gevonden en haar krachten ook op geheel de samenleving doen uitgaan.
Het kerkelijk onderwijs heeft hier een groote en gewichtige taak en het ware te wenschen, dat alle leeraren zich er van bewust waren, hoeveel er aan gelegen is, dat onze jonge menschen met de voornaamste stukken des geloofs en den hoofdinhoud der Heilige Schrift vertrouwd zijn.
Het mag niet voorkomen, dat men ternauwernood weet, wie b.v. Mozes was, om van erger voorbeelden van onwetendheid maar te zwijgen.
En dan spreken wij nog slechts over een kennis van zaken, die men door opvoeding en onderwijs kan verwerven.
Waar komen wij nu aan, als het gaat over de zaak zelf en over de wetenschap, dat alleen het geloof des harten van de dingen, die men met den mond belijdt, tot de zaligheid leidt. Daar mag toch wel in de eerste plaats kennis zijn van de dingen, die niet alleen met den mond behooren beleden te worden, maar ook met het hart geloofd te worden.
Indien zulk een z.g. uitwendige kennis niet wordt gevonden, wat blijft er voorts over dan een onbepaald en ledig besef, dat er wel een geloof is, en dat het geloof goddelijke dingen omhelst, waarvan men echter geen weet heeft. Men spreekt in dien zin van een ingewikkeld geloof. Het is als een pakje» waarin het geloof schuilt, maar men weet niet, hoe dit geloof er uitziet en welke verborgenheden daarin besloten zijn
Dat kan uiteraard geen zaligmakend geloof zijn.
Nu moet men dat ook weer niet verkeerd opnemen, zoo hooren wij Calvijn, alsof de kennis des geloofs alle verborgènheden zou verstaan. Neen, in zekeren zin, is het geloof ook bij de kennis van de geopenbaarde dingen voor een niet gering deel „ingewikkeld". Vele vragen komen op en vele verborgenheden worden aangeroerd, waarin ook de zaligmakende kennis niet indringen kan.
Daarom vermaant Calvijn tot nederigheid en lijdzaamheid. Want immers, als wij het lichaam der zonde zullen hebben afgelegd en voor God verschijnen, dan zullen nieuwe dingen geopenbaard worden, waarvan wij thans onwetend zijn. Maar deze onwetendheid mag geen dekmantel zijn om ook de door God in Zijn Woord geopenbaarde dingen maar over te laten aan de kerk zonder daarvan kennis te dragen. Men kan deze zaken maar niet als bezigheid der theologen laten liggen en zeggen : ik geloof, wat de kerk gelooft, alsof die voor onze zaligheid kan zorgen.
Daaraan is niet alleen persoonlijk gevaar verbonden voor dengene, die zoo spreekt, maar ook voor anderen en voor de kerk als geheel.
Een ieder kan toch begrijpen, dat de kerk, of liever de kerkelijke machthebbers, allerlei dingen kunnen invoeren onder den naam van geloof, die in strijd zijn met de Waarheid, zoodat de onwetenden en onervarenen daardoor worden misleid en op een dwaalspoor gebracht.
Calvijn had aanleiding daartegen te waarschuwen, omdat dit proces in de kerk onder het Pausdom in zulk een stadium was gekomen.
Men meene echter niet, dat de reformatie voor goed een eind heeft gemaakt aan dergelijke insluipselen, die hoe langer hoe verder plegen te gaan. Het mag in vorm verschillen, in wezen herhaalt zich zulk een proces naarmate de onverschilligheid voor de dingen van het Koninkrijk Gods toeneemt.
Het waarachtig geloof is niet alleen vrucht van persoonlijke gemeenschapsoefening met den Christus der Schriften door Zijn Geest, maar gaat gepaard aan kennis van God in Christus.
Zoo is het ook een gansch verkeerd standpunt, hetwelk door sommigen wordt ingenomen, die alleen het geestelijk leven, de geestelijke waarachtigheid, als zaligmakend erkennen, maar de kennis verachten.
Dezulken spreken vaak over een geloof, dat zij niet kennen. Dat is ook een vorm van ingewikkeld geloof. Zij aanvaarden dat niet op grond van de autoriteit der kerk, maar op het gezag van menschen, die zij voor bekeerd houden.
Zij redeneeren dus zoo. Al wat een mensch doet is van onwaarde. Het zaligmakend geloof is een gave Gods. Zonder het licht des Heiligen Geestes is het geloof dood en onvruchtbaar. Wat helpt het een mensch, die in zich zelf duisternis is, dat hij bidt en leest en onderzoekt, zoo de Heilige Geest niet zijn Leermeester is. Men moet van God geleerd zijn.
Alles wel. Geenszins ontkennen wij de waarheid in deze uitspraken neergelegd, maar, wanneer iemand daarvan een dekmantel maakt voor zijn traagheid en hij bet lezen en onderzoeken nalaat, ja ook zijn kinderen onthoudt, wat hij hun schuldig is mede te geven, de kerk en het onderwijs in de kennis van Schrift en belijdenis veracht, kan niemand daarin met een beroep op Gods Woord de weg der zaligheid zien.
Onder den schijn van vroomheid vertoonen dezulken een zorgeloosheid, waarvan de Catechismus zegt, dat zij vreemd is aan degenen, die Christus door een waarachtig geloof zijn ingeplant.
Het bevel des Heeren zegt: „Onderwijst alle volkeren". En aangezien daar geen enkele leeraar. onder de menschen kan worden gevonden, die de geestelijke gaven aan zijn leerlingen kan mededeelen, en de Heere dat doet door Zijn Geest, kan het bevel des Heeren ook geen andere bedoeling hebben dan het onderwijs in de kennis van de dingen, die Hij in Zijn Woord heeft geopenbaard.
Men boude zich zelven dan ook niet voor wijzer dan God. Het is zelfs onbeschaamd om het onderwijs en onderzoek na te laten, terwijl het bevel des Heeren zoo duidelijk spreekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's