De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Heidelbergsche Catechismus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Heidelbergsche Catechismus

naar de verklaring van ZACHARIAS URSINUS (25)

4 minuten leestijd

Het derde onderscheid is in verstand en wil tegelijk. Want God weet onveranderlijk alle dingen en Zijn wil is ook onveranderlijk. Bij de mensch is dat alles anders ; want evenals de kennis en het oordeel der schepselen over de dingen veranderlijk is, zoo ook hun wil ; zoodat zij weten, wat zij vroeger niet wisten ; en zoodat zij willen, wat zij voorheen niet wilden, enz. Daar Gods raadslagen zeer wijs, rechtvaardig en goed zijn, keurt Hij ze nimmer af, noch verbetert of verandert Hij ze ; zooals de menschen dikwijls doen, wanneer zij inzien voorheen onvoorzichtig besloten te hebben. Num. 23 vs. 19 : „God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens menschen kind, dat het Hem berouwen zou". Mal. 3 vs. 6 : „Want Ik, de Heere, word niet veranderd", enz. enz.
De tegenwerping wordt dan wel gemaakt, dat God, die Zijn plan niet veranderen kan, dan geen vrijen wil heeft. Maar bij God zijn dan geen uitwendige oorzaken die Hem verhinderen zijn plan te, veranderen, maar omdat bij Hem een onveranderlijke juistheid van Zijn wil is, is de verandering onmogelijk. Het is dus geen gebrek in God, maar het is een bewijs van Zijn volkomenheid.
Een tweede tegenwerping is wel : dat engelen en menschen niet vrij handelen, als zij aan Gods wil gebonden zijn. Maar bij de schepselen kiest de wil met eigen beraad en keuze, en daarom ook vrij. Vrij te handelen is voor schepselen niet : te handelen zonder eenig bestuur, maar : te handelen na overleg en uit eigen beweging van den wil, al wordt deze beweging ook door een ander aangespoord en bestuurd. Hier blijft dan ook altijd de verantwoordelijkheid van den mensch. Gen. 50 ; Hand. 2 vs. 23 ; Hand. 3 vs. 17 en 18 ; Hand. 4 VS. 27 en 28, enz.
Een derde tegenwerping is : dat, wanneer de wil des menschen den wil Gods niet kan weerstaan, de mensch zich louter lijdelijk gedraagt. Het laatste nu is verkeerd, dus het eerste onwaar. Maar hierop dient te worden geantwoord : de wil des menschen stemt toe en gehoorzaamt uit eigene beweging, en zoo is hij niet enkel lijdelijk, maar verricht en volbrengt zelf zijn daden, al is het waar, dat hij de krachten niet van zich zelven, maar van God ontvangt. Een vierde tegenwerping is : wat Gods wil wederstaat, wordt niet door Hem bestuurd. De wil des menschen, weder staat God in vele daden en dus wordt hij niet door God bestuurd. Hierop moet ons antwoord zijn : een zaak moet van verschillende kanten beschouwd worden. De wil des besluits of de verborgen wil Gods, moet hier onderscheiden worden van den wil Gods, die ons is geopenbaard. De besluiten Gods worden alle volbracht, ook in hen, die zondig en schuldig Gods bevelen zooveel mogelijk wederstaan en tegenwerken.
Een laatste tegenwerping is nog : indien ook de bewegingen van den kwaden wil, door God worden aangespoord en bestuurd, dan wordt God de werkmeester der zonde. Ons antwoord moet hier zijn : de bewegingen der boozen zijn zonden, omdat zij geschieden door duivelen of menschen, die bij het handelen of Gods wil niet erkennen, of niet met het doel werken om God, in Zijn wil te gehoorzamen.
3. Is er nog eenige vrijheid bij den menschelijken wil ?
Dat er in den mensch eenige vrijheid van wil is, spruit hieruit voort, dat de mensch naar Gods beeld geschapen is. En overal wordt ons dan ook geleerd, dat de mensch handelt terwijl hij de een of andere zaak kent, begeert of verwerpt. De mensch is en blijft een redelijk, zedelijk schepsel, voor al zijn gedachten, woorden en daden verantwoordelijk zijnde.
Maar, zoo komt een tegenwerping : indien er bij den mensch vrijheid van wil is, zoo wordt de leer der erfzonde omver geworpen. Niet te kunnen gehoorzamen èn vrijheid te hebben, strijdt immers. Hierop moet ons antwoord zijn : na den val heeft de mensch ten deele vrijheid van wil, al is het niet zoodanig en in dien omvang, als vóór den val. En God dwingt den mensch nooit tot het kwade, maar ook nu de mensch in dienstbaarheid der zonde verkeert, blijft zijn keuze en beslissing voor eigen rekening.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Heidelbergsche Catechismus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's