De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

22 minuten leestijd

DE AANGENAME WARMTE VAN DE HEL.
In sarcastische, spottende toon, schrijft een ongenoemd Vrijzinnig Hervormd predikant — dat veronderstellen we althans — in „Kerk en Wereld", hoofdorgaan van de Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden, een schandelijk stukje, dat we hier als staal van mentaliteit tegenover de geloofswaarheden uit die kringen, overnemen.
Het vuile stukje luidt aldus :
„In „Onder eigen Vaandel" is ds. te Winkel van leer getrokken tegen de oecumenische beweging. Zijn voornaamste bezwaar is eigenlijk dat er ook vrijzinnigen aan meedoen. „Dat most niet magge". Dit heeft de kantteekenaar aan het peinzen gebracht. Hij stelde zich de \raag, waarom de rechtzinnigheid in groóte meerderheid er zoo op gesteld is, de vrijzinnigen uit de kerk, de oecumenische beweging, de Kerk met een groote K en dus cok uit h'-t Koninkrijk Gods Ie boksen. Hij vond een oplos.^ing, waarbij hij niet als wijlen Archimedes uitroept „Eureka !", maar die hij toch ter overweging durft aan te bieden. Zou het ook kunnen zijn, dat psychologisch de praedestinatieleer nog nawerkt? Dogmatisch is zij zoo'n beetje in een hoekje weggestopt, o, schande voor het nageslacht van Bogerman en de zijnen. Toch werkt de psychologische motiveering nog door, zij het niet met een der fraaiste kanten. Het schijnt, dat velen er behoefte aan hebben, een aantal menschen, liefst niet te weinig, voor tijd en eeuwigheid verdoemd te zien. Terwijl zij in den hemel zitten, willen zij zien, hoe anderen voor eeuwig gebakken en gebraden worden. Dat schijnt hun feestvreugde te verhoogen. In den trant van Tertullianus' uitspraak, dat 't de zaligheid der christenen in den hemel zou vermeerderen, als zij de Romeinsche stadhouders, die hen zoo vervolgd hadden, in de hel zagen branden. Nu is echter een dergelijke uitspraak in den tijd van vervolgingen nog te begrijpen, al niet te vergeven. Men moet echter al over een Goebbelsche phantasie beschikken, om te durven beweren, dat de vrijzinnigen de orthodoxen vervolgen. Er blijft dus wel een psychologisch raadsel over. Toch hinderen dergelijke uitlatingen als van ds. te Winkel den kantteekenaar niet in het minst. Hij heeft in het geheel geen behoefte aan de orthodoxe hemel. Het lijkt hem een vrij ongenoeglijk oord. Dan nog liever in de vrijzinnige hel. Wie weet, wat een fidele boel het er is. En met dit voorjaar verlang je wel eens naar wat warmte".
Men zal moeilijk vuiler stukje in een kerkelijk religieus blad kunnen vinden !

DE VRIJZINNIG HERVORMDEN EN DE REORGANISATIE.
Er is bij Van Gorcum en Co té Assen een boekje verschenen, dat tot titel draagt : „Wenschelijkheden en Mogelijkheden van Reorganisatie in de Ned. Herv. Kerk" door ds. D. Bakker, Ned. Herv. predikant te Drachten, hoofdredacteur van „Kerk en Volk". Aan de hand van dit boekje — dat min of meer een officieel karakter draagt — willen we een en ander schrijven, om na te gaan wat de Vrijzinnig-Hervormden willen in zake de Reorganisatie.
Zelf zegt het, dat het een „bescheiden bijdrage wil zijn tot oplossing van het urgente probleem der reorganisatie der Ned. Herv. Kerk" en „het is geboren uit beginselen, zooals die neergelegd zijn in het Beginselprogram van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden in Nederland en uit de practijk van bijna 20 jaren kerkdijken arbeid en kerkdijken strijd". Het is dus een principieel stuk, en tegelijk houdt het 't oog op de practijk. „Het draagt daarom het karakter van een compromis" ; maar, volgens den schrijver is dit „de eenige weg om van al het getheoretiseer over reorganisatie tot een daad te komen, die de Ned. Herv. Kerk in staat zal stellen haar zware taak in dezen tijd naar behooren te vervullen". „Er moet niet langer gepraat worden, maar er moet iets gebeuren".
Maar — „wie alles tegelijk in eens wil, bewijst de zaak der reorganisatie geen dienst ; de geschiedenis der laatste jaren heeft het bewezen. Daarom worden in deze brochure slechts enkele richtlijnen gegeven voor wat in de naaste toekomst, zij het ook dit niet alles in één keer, verwezenlijkbaar wordt geacht".
Blijkbaar heeft de rechtsche pers van een en ander door de Vereeniging van Vrijz. Hervormden in deze voorgedragen, niet genoeg nota genomen. Want ietwat bitter zegt ds. Bakker : „Omdat de rechtsche pers angstvallig zwijgt over wat er over deze dingen in Vrijzinnig Hervormde kringen gezegd, geschreven en besloten is, wordt deze brochure nu uitgegeven".
Tot recht verstand van het geheel, dat aan deze dingen vastzit, geeft ds. Bakker als een soort inleiding op zijn brochure, twee belangrijke stukken uit den kring van de Vrijz. Hervormden, en wel allereerst de Beginselverklaring van 1937 en daarna de Motie op de vergadering te Zutfen aangenomen, in het jaar 1938.
We willen de hoofdzaken van de Beginselverklaring, in vier stukken onderverdeeld, hier laten volgen.
1. De; Ned. Herv. Kerk is een geloofsgemeenschap, die zich in het Evangelie van Jezus Christus geroepen weet en uit de beginselen daarvan begeert te leven. — Zij moet de waarheid van het Evangelie steeds meer en beter tot uitdrukking brengen, waaraan symbolische en liturgische geschriften mede dienstbaar moeten worden gemaakt. — Daarbij heeft de Ned. Herv. Kerk dan de zorg voor de prediking, de eeredienst en de zending, met alle hieraan verbonden onderwijs en opleiding ; de zielszorg en de opbouw der gemeente, waartoe ook gerekend moeten worden diaconale arbeid en kerkelijk jeugdwerk ; het zoeken van de wegen, langs welke de beginselen van het Evangelie verwezenlijkt kunnen worden in Staat en maatschappij ; de samenspreking en samenwerking met andere deelen van de Algemeene Christelijke Kerk.
2. Als 2de punt noemt de Beginselverklaring :
De Ned. Herv. Kerk moet gehandhaafd worden in haar Protestantsche éénheid, waarbij haar karakter als volkskerk moet bewaard blijven. Dit karakter onderstelt vrijheid van gelooven en belijden voor verschillende christelijke overtuigingen, welke vrijheid in de kerkelijke reglementen zoo volledig mogelijk behoort te worden uitgedrukt. Er is geen onfeilbaar Kerk- en Schriftgezag en we hebben het algemeen priesterschap der geloovigen, die allen de waarheid kennen kunnen, zonder dat nochtans een enkeling of een groep de geheele waarheid kan verstaan. Vandaar de noodzakelijke vrijheid voor verschillende christelijke overtuigingen in de Kerk.
3. De Beginselverklaring zegt dan in de 3de plaats :
In de Ned. Herv. Kerk is bij éénheid' van grondslag verscheidenheid van belijden noodzakelijk en daarom moet er naar gestreefd worden een vorm van kerkelijk leven te vinden, waardoor, bij behoud van éénheid van grondslag de verscheidenheid binnen het kerkelijk en gemeentelijk verband tot haar recht komen kan.
4. Ten 4de wordt dan opgemerkt :
De verscheidenheid van belijden mag niet grenzenloos zijn, maar er moet kerkelijk opzicht en tucht zijn ter zake van afwijking van den grondslag en het karakter der Ned. Herv. Kerk. Daar evenwel voor een Protestantsche Kerk de vrijheid van geweten een zóó kostbaar goed is, dat daaraan geen geweld mag worden gedaan, dient de beslissing omtrent het blijven in ambt en kerkelijke gemeenschap, als de Kerk door middel van haar daartoe geroepen organen een uitspraak heeft gedaan, in laatste instantie te worden overgelaten aan het persoonlijk geweten.
In verband nu met deze Beginselverklaring van de Ver. van Vrijz; Hervormden in Nederland van het jaar 1937, is er in 1938 in Zutfen op de Jaarvergadering een Motie aangenomen inzalte de Reorganisatie. Daaraan ontleenen we het volgende
:
a. Overwegende, dat de Kerk in meerderheid het Reorganisatie-Ontwerp 1937 niet heeft gewild', overwegende, dat het vraagstuk der reorganisatie op zichzelf niet van de baan is — verklaart de Ver. van Vrijz. Hervormden zich bereid met alle haar ten dienste staande krachten en middelen aan de komende behandeling van het reorganisatievraagstuk mede te werken.
b. Zij spreekt daarbij als haar overtuiging uit :
1. de beste Kerkorde zou zijn, die wordt opgesteld naar de beginselen in de Beginselverklaring van 1937 neergelegd ;
2. blijkens de historie van de laatste jaren, zijn we nog niet toe aan de theologische oplossing van het reorganisatie-vraagstuk ;
3. zonder prijsgeven van beginselen moet de behandeling van het theologisch aspect van het reorganisatie-vraagstuk worden opgeschort ;
4. en dus heeft de reorganisatie zich in de huidige omstandigheden te beperken tot uitbouw van de bestaande Kerkorde in de richting van alles, wat voor de functioneering van het kerkelijk leven in gemeentelijk en in breeder verband, betere mogelijkheden schept.
Voorafgegaan nu met deze Beginselverklaring en de richtlijnen, in de Motie getrokken, geeft ds. Bakker ons zijn geschrift : „Wenschelijkheden en Mogelijkheden van Reorganisatie in de Ned. Hervormde Kerk".
In een paar artikelen willen we over deze brochure handelen.
(Wordt voortgezet).

EVANGELISATIE EN PRAEDESTINATIE.
„Het wil wel eens voorkomen", aldus dr. P. Prins, Geref. predikant te Deventer, in „Credo", „dat deze of gene dien men opwekt aan den Evangelisatie-arbeid der Kerk mee te doen, de opmerking maakt : „Och, wat geeft het eigenlijk. Zouden alle uitverkorenen niet toegebracht worden op Gods tijd en op Gods wijze. Moeten wij ons nu zoo druk maken ? "
Sommigen zeggen dat, en anderen denken zoo.
„Moeten we nu maar probeeren het leerstuk der praedestinatie wat op den voorgrond te schuiven ? Moeten we — nu ja, wel niet ontkennen, dat er een praedestinatie is — maar toch zooveel mogelijk trachten, dat dit deel van onze geloofsleer als een „pro-memorie"-post wordt behandeld !"
„Neen, dat zeker niet. Daarvoor is er te veel waarheid in het oude gezegde : dat de leer der praedestinatie is het cor ecclesiae (het hart der Kerk). We moeten zeer beslist vasthouden het verband tusschen de praedestinatie en de Evangelisatie".
Maar de praedestinatie mag nooit losgemaakt worden van de roeping der prediking. De praedestineerende God, is de God die roept, die uitzendt, die zoekt en doet verkondigen Zijn heil aan alle creaturen.
In de Dordtsche Leerregels Hoofdstuk I, § 3 lezen we : „Opdat de menschen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil ; door wier dienst de menschen geroepen worden tot bekeering en het geloof in Christus, den Gekruisigde. Want hoe zullen zij in Hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben ? En hoe zullen zij, hooren, zonder die hun predikt ? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden ? "
Naar de Gereformeerde leer is de praedestineerende God, de roepende en de uitzendende God, die de zéér blijde boodschap (De Dordtsche; Leerregels spreken niet van het Evangelie als een blijde boodschap, maar als van een zéér blijde boodschap !) alom doet verkondigen.
„God zendt en roept en Hij zorgt Zelf voor de vruchten. De vruchten bij de roeping, maar ook hoort de roeping bij de vruchten.
De vruchten — de verkorenen, die tot de eenigheid des waren geloofs worden toegebracht — komen nooit zonder het zenden van predikers, die verkondigers zijn van de zeer blijde boodschap en die oproepen tot geloof en bekeering.
Wij wachten op de vruchten, die God geven zal naar Zijn praedestinatie ; en die wij te zoeken hebben in den weg van de verkondiging van de zeer blijde boodschap des Heils, de menschen van Christus' wege biddende, dat zij zich met God zullen leeren verzoenen opdat zij niet sterven ; o, einden der aarde."
„De praedestineerende God is óók de uitzendende God. En daarom prediken wij.
Zóó is de band tusschen Evangelisatie en praedestinatie. Omdat de praedestineerende God zorgt, dat nooit het werk der prediking — door Hem Zelf ons opgedragen, om Zijn praedestinatie te verwezenlijken — ijdel is, daarom prediken wij, altijd goeden moed hebbende, zonder angst en ongeduld. Al voortgaande zaaien wij het zaad".
„Wanneer integendeel, de vruchten te danken waren aan onze prediking en het van ons werken zou afhangen, of iemand zich zou bekeeren, dan zou 't een vreeselijk angstig werk zijn, en — óók vruchteloos !
Het is de specifiek Gereformeerde belijdenis der praedestinatie, die ons bij het werk der Evangelisatie innerlijke rust geeft en toch tegelijk ons tot een rusteloos werken aandrijft en in staat stelt."
De Kerk boet dan ook haar Gereformeerd karakter niet in als zij het werk der Evangelisatie ter hand neemt en ijverig betracht. Juist omgekeerd, zij zal des te meer Gereformeerd worden, dat werk doende naar Gods opdracht en bevel : zoek het verlorene — predik het Evangelie allen creaturen.
En ieder, die het Woord Gods vernemen mag, wordt geroepen op de stem des Heeren acht te geven, opdat zijn oordeel niet des te zwaarder worde.

VERBONDS-MOEILIJKHEDEN.
Er gaat geen week meer voorbij, of men !eest in de kerkelijke bladen — en ook in de dagbladen wel — over het Verbond. En men bemerkt het dan wel, dat alle vragen nog niet opgelost zijn en alle moeilijkheden nog niet uit den weg zijn geruimd. De weg ligt nog niet zoo vlak. Dat is jammer. En het houdt een waarschuwing in, om toch over en weer een weinig voorzichtig te spreken en te schrijven. Dat we dit schrijven, is naar aanleiding van een recensie, rakende een klein boekje van den Gereform. dominé D. van Dijk, van Groningen : Verbond en belijdenis ; uitgave van J. H. Kok te Kampen.
Dit boekje is geschreven om het als geschenk te geven aan degenen, die belijdenis doen. Maar in de Geref. kerkelijke pers hebben we al heel wat op- en aanmerkingen over dit boekje gelezen, en men is het daar, in den kring van de Gereformeerde Kerken, lang niet met ds. Van Dijk (die ook eigenaardige beschouwingen geeft over het „Zelfonderzoek") eens.
Wij nemen hier — eigenlijk vrij willekeurig, maar toch als bewijs en voorbeeld — een beoordeeling over, te vinden in N.-Hollandsch Kerkblad van de hand van ds. Van Dijk, te Zaandam:
„Wanneer de Schrijver iets soberder geweest was over het tweede deel, hetwelk in het Verbond begrepen is en duidelijker was geweest in wat nu feitelijk de vastheid van Gods Genadeverbond is, zou het boekje waardevoller geworden zijn, dan ik het nu met de meeste welwillendheid beoordeeld kan vinden.
Op blz. 5 lees ik : „De mensch is niet meer in staat den eisch des Verbonds te volbrengen.... Toch wil God het Verbond bestendigen, en om dat te kunnen, daartoe brengt Hij nu in dat Verbond den Christus, den tweeden Adam in".
Is er nu iets veranderd ? Ja, zegt de Schrijver.
„Voor den mensch krijgt de Verbondseisch nu deze gestalte, dat hij den Christus als Verbondsmiddelaar aanneemt...."
Ik kan mij voorstellen, dat een catechisant, die belijdenis doet, vraagt : Is het voor den gevallen mensch gemakkelijker om aan dien eisch van het genadeverbond te voldoen, dan voor Adam aan den eisch van het werkverbond. Maakt men met zoo sterk de eisch en de plicht op den voorgrond te stellen, als in dit boekje gedaan wordt, van het genadeverbond tenslotte toch weer geen werkverbond ?
Mijn bezwaar tegen de voorstelling, die doorloopend in dit boekje gegeven wordt, zou een breede bespreking noodzakelijk maken.
Nog iets. De Schrijver zegt : „Bondelingen kunnen verloren gaan". „Als die Bondeling zegt : ik aanvaard dat niet, ik wil er niet van weten".... dan blijft hij kind ; God trekt Zijn Woord niet in. Maar als kind gaat hij verloren".
De Schrijver meent dus (het blijkt uit blz. 14) : „God geeft allen bondelingen het heil. Of ze het zullen hebben, hangt hier vanaf, of ze het aannemen".
Leidt deze voorstelling niet tot de meening, dat geloof en bekeering zelf geen weldaden zijn, die uit 't Verbond voortvloeiden ? Doorloopend zie ik er te weinig aandacht aan geschonken, dat het de H. Geest is, die het geloof werkt ; en dat God, die het Verbond met Zijn volk sluit, niet alleen een belovend, maar ook door het wederbarend werk van den H. Geest een volbrengend God is.
Of voorts de wijze, waarop de Schrijver spreekt over het zelfonderzoek, de jonge lezer niet in de war zal brengen met Zondag 32 van den Catechismus, is een vraag, die ik eerder bevestigend dan ontkennend beantwoorden zou.
Er staan ongetwijfeld vertroostende en ernstige vermanende gedeelten in dit geschrift ; maar ik heb te veel vragen voelen rijzen om het zeer te kunnen aanbevelen".
We zijn er dus nog niet ! Ook in de Gereformeerde Kerken is men nog niet, waar men wezen moet. Het gaat om méér licht.
En bescheidenheid post onsi hierbij wel.

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (5)
Het derde Hoofdstuk van Wormser's boek draagt tot opschrift : De Doop van allen ernstig te nemen.
„De onkerkelijke richting in de wetenschap en de bekrompen richting in de Kerk" lijden aan dezelfde kwaal, al zijn ze beide nog zoo zeer verschillend van aard. Zij trekken zich beide terug in zichzelve.
Nu is in Nederland, met geringe uitzondering der Doopsgezinden, de Kinderdoop een algemeen bezit. „De geheele Nederlandsche natie brengt niet slechts haar kroost tot den Kinderdoop, maar bovendien erkennen, bij alle verschil omtrent leer en wandel, de verschillende gezindheden over en weer elkanders Doopsbediening". Ook dit is weder een feit van het grootste belang. De geheele Nederlandsche natie is gedoopt, en al de gezindheden erkennen elkanders Doopsbediening. Dan is ook — aldus Wormser — de éénheid en de Katholiciteit van de anders zoo zeer verdeelde Christelijke Kerk in ons Vaderland bewaard gebleven in den Kinderdoop !
ledere Kerkgemeenschap zal eigen Doop door handhaving en belijdenis der volle waarheid tot volle kracht en beteekenis willen laten komen. Maar de erkenning van de Doopsbediening van anderen, doet, inplaats van terugstooting, de behulpzame hand uitstrekken, om óók die anderen tot de volle erkenning der waarheid te doen komen.
De verdeeldheid mag niet verder gedreven worden dan onvermijdelijk is en noodzakelijk. En in de erkenning van elkanders Doopsbediening moet dan tegelijk een trekking liggen tot elkander ; en we hebben elkander wederzijds te vermanen, om als gedoopten te wandelen !
„Van het Christendom is bijna niets zoo nadeelig als bekrompenheid, en deze kan nooit beter in den wortel worden aangetast, dan juist bij de beschouwing van den Kinderdoop". „Sommige Protestanten hebben bezwaar in de erkenning van de Doopsbediening der Roomschen ; sommige Hervormden bovendien in die van de Remonstranten; sommige Afgescheidenen daarenboven in die van de Hervormden". Men wil de kring hoe langer hoe enger maken en ten laatste tot
eenige weinigen beperken. En ten slotte is 't dan dikwijls, dat er ook in de kleinst beperkte kring van genade eigenlijk geen sprake meer kan zijn ! Aan eigen genadestaat te twijfelen is dan in den kleinen afgesloten kring aan de orde van den dag.
„Met deze richting staat dan ook de erkenning der Doopsbediening van andere gezindheden in volslagen strijd".
„Een gezindheid, die de Doopsbediening van andere gezindheden erkent, kan wel haar eigen belijdenis als de meest ware en meest zuivere erkennen, maar kan nooit zich zelve als de eenig ware Kerk erkennen. Door de Doopsbediening van andere Kerkgemeenschappen evenzeer als haar eigen Doopsbediening te erkennen, verklaart zij, dat al die Kerkgemeenschappen behooren tot : dezelfde Algemeene Christelijke Kerk, waartoe zij zei- , ve ook behoort. Want de toediening des Doops is de eerste handeling, waardoor de Kerk in haar zichtbaren vorm bestaan ontvangt ; de kiem, waaruit het geheele verdere Christelijkkerkelijke leven ontspruit". „Wanneer men sommige gezindheden niet wilde erkennen tot de Christelijke Kerk te behooren, men zou moeten beginnen met haar Doop niet te erkennen".
„Ik vrees" — zoo schrijft Wormser in dit verband — „dat deze zoo eenvoudige waarheid, wier miskenning zooveel aanleiding tot misverstand geeft, vele
ergeren zal. De vraag is slechts: is dit hun of mijn schuld?
„Of de erkenning van de Doopsbediening van anderen moet ophouden, óf de bekrompenheid, waardoor men geen Christenen buiten eigen kring erkent, moet wijken".
„Maar in de erkenning van elkanders Doopsbediening ligt volstrekt geen bezwaar, zoo men aan de beteekenis en kracht van de instelling des Heiligen Doops slechts behoorlijk recht laat wedervaren". „Naarmate onze eigen opvatting Van den Doop ernstiger en dieper wordt, zullen wij minder bezwaar hebben den Doop van anderen te erkennen",
„ledere Christelijke gezindheid behoort voor zichzelve te staan naar de grootste zuiverheid in leer en wandel, en is verplicht dwalenden en goddeloozen, die op den duur het tegenovergestelde van geloof en godzaligheid openbaren, van haar gemeenschap te weren. Maar daarom is zij nog niet geroepen of gerechtigd de mindere of meerdere overblijfselen van Gods Waarheid en instellingen, die zij bij anderen aantreft, te miskennen".
Men moet dan ook anderen niet verwijten, dat ze gedoopt zijn ; maar men moet ze vermanen, dat zij allen hun Doop behoorlijk belijden en beleven zullen. De strijd moet niet gaan tegen den Doop, - ^ en de Inwendige Zending moet dien Doop aangrijpen om tot de beleving van den Doop op te roepen en te vermanen. Want de Doop staat in '\ midden van onze natie !
„Maar tot het doen van dergelijke vermaningen is het volstrekt noodzakelijk, dat de instelling des Heiligen Doops in al haar gewicht en beteekenis meer op den voorgrond treedt, dan thans bij de geloovigen in het algemeen het geval is".
Hoe meer men zelf den Doop waardeert, hoe meer men dwalenden ernstig zal vermanen. „Over en weer erkennen de gedoopten thans, door een soort gewoonte en zonder daaraan veel gewicht te hechten, elkanders Doop. Maar hoe geheel anders zou dit worden, wanneer men bedacht, dat men dus óók over en weer jegens elkander Christelijke rechten en plichten heeft ! De rechten en plichten van hen, die tezamen gedoopt zijn in den Naam en tot den dienst van den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest.
„De gansche geloofsweg van den Christen toch is niets anders dan de voortgezette ontwikkeling van den Doop. En zijn bekeering is niets anders dan het komen tot de bewustheid en tot de erkenning van hetgeen een Drieëenig Verbonds-God hem reeds als kind in den Doop verzegelde voor hem te willen zijn". „Zijn Doop is een feit, waardoor hij van de ongeloovige wereld werd afgezonderd". En nu hebben we de gedoopten niet uit te sluiten, maar aan te dringen op getrouwheid aan den Doop ; toepassing van den Doop op al onze handelingen". „Wij willen de gedoopten dus niet van het Christendom uitsluiten, maar ze integendeel in het Christendom omvatten". „De Doop van allen, die gedoopt zijn, moet vastgesteld en vastgehouden worden. En een gedoopte, wien de leer des Doops behoorlijk ontvouwd en ingeprent is, heeft geen verontschuldiging. Zijn Doop is hem een zegel des genadeverbonds, om, indien hij het leert waardeeren en erkennen, genade te mogen ontvangen, om als een gerechtvaardigde door den dood en de opstanding van Christus, met God en tot roem van Zijn genade te wan­delen".
(Wordt voortgezet.)

De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (18)

In den loop der eeuwen is de Kerk van Christus helaas ! door allerlei ketterij en scheuring verdeeld geworden en uiteen gerukt. Tegenwoordig biedt zij met hare tallooze kerkgenootschappen en secten een allerbedroevendsten aanblik aan. Toch is er nog iets van die éénheid te zien, in zooverre alle Christelijke kerken nog door één en denzelfden doop van de wereld afgezonderd zijn, met de beUjdenis der twaalf artikelen in de leer der apostelen volharden en in zeer verschillende vormen de breking des broods en der gebeden onderhouden. De gemeente is met haar eenheid een voorwerp des geloofs, ofschoon wij ze niet zien, niet zoo duidelijk zien ais wij wenschen zouden, zij bestaat toch en komt eens volkomen tot stand.
Opmerkelijk is het, dat, terwijl Jezus voortdurend van het Koninkrijk der hemelen en s!echts een paar malen van de gemeente spreekt, de apostelen omgekeerd het Koninkrijk Gods slechts zelden noemen en daarentegen herhaaldelijk en in den breede handelen over de gemeente van Christus. Er is hier echter wel eenige verklaring voor te geven. Het Koninkrijk der hemelen, waarvan Je- 7AIS spreekt, is namelijk in de eerste plaats niet eene verzameling van menschen, een rijk van burgers, maar een inbegrip van geestelijke goederen en zegeningen, een schat, Mattheüs 13 VS. 44 ; een parel, Matth. 13 vs. 45 ; gerechtigheid, vrede en vreugde in den Heiligen Geest, Matth. 6 vs. 33 ; Rom. 14 vs. 17. Dat Konmkrijk is uit de hemelen en daalt nu met en in Christus op aarde neer, want in Hem deelt de Vader al die zegeningen en goederen uit, 1 Cor. 1 VS. 30 ; Efeze 1 vs. 3. De Vader heeft Hem het Koninkrijk verordineerd en Christus verordineert het op Zijn beurt weer aan Zijne discipelen, Lukas 22 vs. 29. Dnt doet Hij nu reeds op aarde ; als Hij door den Geest Gods de duivelen uitwerpt, dan is dat een bewijs, dat het Koninkrijk Gods gekomen is, Matth. 12 vs. 28. En dit Koninkrijk komt bij voortduring en aldoor, als het zich zelf met al zijne schatten mededeelt aan de menschen in het geloof, Lukas 17 vs. 21. Het maakt voortgang als een boom, die opwast, en als een zuurdeesem, die héél het deeg doorznmt, Matth. 13 vs. 31—33, en zal in zijne gansche volheid en heerlijkheid worden meegedeeld in de toekomst, bij de wederverschijning van Christus. (Matth. 5 vs. 3 v. ; 6 vs. 10 ; Lukas 12 vs. 32 ; Hand. 14 vs. 22 ; 1 Cor. 15 VS. 24—28 ; 2 Thess. 1 vs. 5, enz.).
Dat Koninkrijk, zóó beschouwd, wordt echter van de eerste komst van Christus af tot op Zijn tweede komst toe, geschonken aan menschen, aan dezulken, die wedergeboren worden uit water en Geest, en die in den Naam van Christus gelooven. Joh. 1 vs. 12, 13 ; 3 VS. 3, 5. Daarom wordt het ook voorgesteld onder het beeld van een zaad, dat in den akker gezaaid wordt, om vruchten voor te brengen, of onder het beeld van een net, dat in de zee geworpen wordt en allerlei soorten van visschen samenbrengt, Matth. 13 : 24, 46, v. , en de apostelen zijn de visschers, die met dat net uitgaan en menschen vergaderen, om hen in de tegenwoordige en toekomstige zegeningen van het Koninkrijk te doen deelen, Matth. 4 VS. 19.
Spreekt Christus nu bij voortduring van het Koninkrijk, Zijn apostelen vergaderen door dat Evangelie des Koninkrijks de gemeente, die in de schatten van dat Koninkrijk deelt en ze eens ten volle ontvangen en genieten zal. De gemeente doet ons dan denken aan de vergadering van menschen, die de goederen des Koninkrijks ontvangen hebben. Dat is haar schat en haar eere ; andere goederen heeft zij niet. En die gemeente, rijk door geestelijke goederen, is niet gebonden aan land en volk, aan tijd en plaats, aan geslacht en leeftijd, aan geld en goed ; zij is onafhankelijk van alle aardsche onderscheidingen en tegenstelling ; zij brengt het Evangelie aan alle creaturen, en dat Evangelie is altijd en alleen Evangelie, eene blijde boodschap, die geschikt en noodig is voor alle menschen, in alle tijden, onder alle omstandigheden, voor alle toestanden. Het Koninkrijk Gods staat nergens vijandig tegenover, dan tegen de zonde alleen.

(Wordt voortgezet.)
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's