De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

6 minuten leestijd

„Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid". Rom. 4 VS. 5.

Rechtvaardiging van goddeloozen
Is zalig worden gemakkelijk of moeilijk ? Ik antwoord niet; wat hebt ge aan een menschelijk antwoord. Gods Woord antwoordt ; en dat antwoord op de zielevraag aangaande: zalig worden, is „gelooft in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden."
Dat de mensch „zalig worden" moeilijk vindt, is eigen schuld. Het is de mensch zelf, die het zichzelf moeilijk maakt, door zijn zonde en ongerechtigheid, door eigen liefde en hoogmoed, door ongeloof, door haat tegen God en den naaste. De mensch wil God vinden op de paden der eigengerechtigheid, dus daar, waar Hij niet te vinden is. Den vollen rijkdom van 't Evangelie, de blijde boodschap des heils, verandert hij in een armoede door eigen zelfhandhaving en meent dan vanuit dat gezichtspunt, „zalig worden" is een moeilijke zaak. En ja, dan is 't ook een moeilijke, zelfs een onmogelijke zaak, zoo onmogelijk, dat alle wettische pogingen tot in der eeuwigheid schipbreuk lijden, dan is Genadeprediking een ergernisvolle prediking voor het vrome vleesch. Immers nóg is Jezus Christus en Dien gekruisigd, den Jood een ergernis en den Griek een dwaasheid.
In Romeinen 4 wordt zoo klaar ontwikkeld : „Abraham is gerechtvaardigd door het geloof."
„Hoe moet ik zalig worden, hoe weet ik, dat ik recht sta voor God", dat zijn levensvragen. Is het uw levensvraag? ! Och, er zijn vele vragen, in onzen vragensvollen tijd met name, maar hoog boven al die vra­gen uit, is de vraag : ben ik rechtvaardig voor God! Let , er op „voor God". Het gaat niet hierom, of wij naar eigen maatstaf ons voor rechtvaardigen houden, ook niet of onze omgeving ons voor rechtvaardig houdt — neen! 't gaat om de vraag: ben ik rechtvaardig voor God. Och, zichzelf rechtvaardigen!, menschen, die werken en werken, allerlei werken en ze gaan zich rechtvaardigen op een eigen werken grond, hoe die werken ook genoemd mogen worden.
De vraag is niet of gij rechtvaardig zijt voor de rechtbank der vrome werken, tegenover de wettische lijsten van menschelijke, vroom vleeschelijke kenmerken, maar of gij rechtvaardig zijt voor de vierschaar Gods! God, als Souverein, roept Zijn schepsel ter verantwoording : zijt gij rechtvaardig voor Mij ?
Rechtvaardigen voor den mensch, die zijn er zoovelen, dat zijn de menschen van „den werkenden stand". Maar alle menschen zijn door de zonde, geworden : menschen van den werkenden stand.
Ziet, wanneer „een mensch van den werkenden stand" door den Heiligen Geest (Pinksteren!) geplaatst wordt, heel persoonlijk, in 't felle zoeklicht van Gods Heiligheid, dan zal 't antwoord aangaande eigen rechtvaardigheid verstommen op de lippen.
Dan wordt „de mensch van den werkenden stand", „de zelfhandhaver" : een vrager „wat zal ik doen ? " (Handel. 2.) Ook dan nog denkt hij, in zijn werken geklemd: ik werkte niet goed, ik moet „anders" „werken".
Welk een wonder licht schijnt uit dit woord van Romeinen 4 over die vragers en klagers, die in „hun werkenden stand" leerden zien, dat ze van God afwerken.
God rechtvaardigt dengene, die niet werkt. Zoo is het Evangelie niet naar den mensch; was het Evangelie naar den mensch, dan moest hier staan: God rechtvaardigt dengene, die werkt! dus, de menschen van den werkenden stand. Dat meent het vrome vleesch en ook, verkeerende in den gloed van Gods Heiligheid, wordt 't nog weer, een denken, dat er iets in den mensch moet zijn om gerechtvaardigd te kunnen worden. Ja, die mensch, ziende zijn verlorenheid, denkt: God kan alleen tot mij komen, en ik kan 't er alleen voor houden, dat er een weg is, wanneer ik een grond of een grondje in mijn eigen ziel kan ontdekken. En dan gaat die mensch weer aan 't werk, aan 't zoeken naar iets in zichzelf.
„Dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid".
Goddeloozen worden gerechtvaardigd. Menschen, die uitgewerkt raakten, uitgezocht aangaande alles in zichzelf. Menschen, die leerden : ik word niet gerechtvaardigd omdat ik zoo braaf ben, ook niet, omdat ik zoo mooi bidden kan, omdat ik wedergeboren ben, omdat ik voor een bepaald procent beantwoord aan de vroom vleeschelijke kenmerkenlijst, juist het omgekeerde, zij leerden zien nergens aan te beantwoorden, dan aan de teekening Gods van den mensch van den werkenden stand: alle vleesch is verdoemelijk voor God. Dan wordt die mensch : Goddeloos ! O, wat is er nu een rijk Evangelie.
God de Heere rechtvaardigt goddeloozen.
Menschen van den werkenden stand denken, dat in en bij de wedergeboorte het is een heiliger en heiliger worden. Echter wordt 't heel anders verstaan door d^ goddeloozen, door hen, die door den Heiligen Geest overtuigd werden van zonde,
gerechtigheid en oordeel. Het is dan een zinken in de diepte, een goddeloos zijn in alle deelen van het mensch-zijn! Dan zoekt 't oog niet meer naar een rustpunt in den mensch, dan worden alle gerechtigheden als wegwerpelijke kleederen. De dichter van Psalm 130 geeft 't zoo juist weer : „Uit de diepten roep ik tot U, o Heere!"
Wanneer zulke goddeloozen tot God hun klachten klagen, dan verstaat Hij hen niet, maar doet Hij hun oog richten op den Zoon, Dien Hij zond om zondaren zalig te maken in den weg van het recht.
Jezus Christus, Hij heeft gewerkt, uitgewerkt 't geen gewerkt moest worden en zoo klinkt nu de heilsboodschap : gelooft in den Heere Jezus Christus !
Geloof! Niet hem, die werkt, maar die gelooft in Hem, Die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
Wat wordt nu de rechtvaardigheid voor God ? , niet de waardigheid van dat geloof, maar de waardij van 't offer des kruises, waarin juist zoo klaarlijk is betoond, dat de Heere ellendigen redt.
Gelooven wil zeggen : niet werken. Hebt gij er alle werk aan gegeven, alle die wettische werkzaamheden van 't vrome vleesch ?
O, dan breekt 't geloof door, als gij het ziet, dat gij niets behoeft te doen, omdat alles is volbracht, ja dat Sion door recht is verlost. Dat is 't werk van God den Heiligen Geest.
Dat geloof rechtvaardigt, dat geloof in Christus, in Gods werk, in Gods daad. Dan valt de mensch uit den werkenden stand en hij valt in Gods werk, op het eenige fundament, Jezus Christus.
Dan leert de mensch het in dien weg, niet te rusten op inwendige werkzaamheden, maar op Christus alleen. Dan wordt het Woord Gods zoo dierbaar, dat eeuwig vaste Woord, in allen strijd en bestrijding. Wonder Evangelie. Rijk Evangelie.
Goddeloozen worden om niet gerecht­vaardigd !
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's