De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

10 minuten leestijd

Het ingewikkeld geloof.
Na gewezen te hebben op verschillende voorbeelden van „ingewikkeld" geloof, o.a. ook van de discipelen en de vrouwen aan het graf van den Heere Jezus, hoewel zij geloofden dat Hij uit den hemel was gekomen, opdat Hij door de genade des Vaders Zijn discipelen derwaarts zou vergaderen.
Het geloof der Christenen is altijd met ongeloovigheid gemengd.
Een andere vorm van ingewikkeld geloof wordt door Calvijn aangewezen in een soort van voorbereidend geloof.
De Evangelisten zeggen van velen, dat zij geloofd hebben, die alleen door de wonderwerken van Christus werden getrokken en niet verder zijn gekomen dan te gelooven, dat Hij was de beloofde Messias, hoewel zij, den minsten smaak van het Evangelie niet ontvangen hadden. Zoo b.v. de Hoofdman, wiens zoon genezen werd, en verder de Samaritanen, die geloofden op het woord der vrouw. (Joh. 4).
In beide gevallen is er aanvankelijk een genegenheid om zich te schikken tot gehoorzaamheid; later hooren zij Christus zelf. Calvijn blijft even stilstaan bij die eerste genegenheid en noemt dit een godzalige gezindheid, welke door Gods goedertierenheid met den titel geloof wordt versierd.
Deze genegenheid tot hooren en gehoorzaamheid gaat echter gepaard met een begeerte om vorderingen te maken.
Hij wil deze niet gelijk achten met de grove onwetendheid, die aan een werkeloos en slapend ingewikkeld geloof gepaard gaat, waarmede men zich tevreden stelt, hetgeen hij in het pausdom vindt. Hij herinnert daarbij aan de vermaning van Paulus naar aanleiding van haar, die altijd leerende zijn en nimmer tot de kennis der waarheid komen. (2 Tim. 3 vers 7). Hoeveel zwaarder moet dan de straf zijn dergenen, die met opzet niet met al zoeken te weten.
Wij hebben hierbij weer gelegenheid tot een opmerking.
Calvijn spreekt hier van tweeërlei ingewikkeld geloof. Men zou kunnen zeggen, een werkzaam en een traagheidsgeloof. Het eerste staat nog slechts in de beginselen. Het is slechts genegenheid tot het Woord, maar een genegenheid, die uitdrijft of uitgedreven wordt tot onderzoek, een zekere leergierigheid aangaande de goddelijke dingen.
Het tweede is slechts een bloot aannemen, dat de kerk het wel heeft en dat het wellicht goed en nuttig is ; men heeft er een zekeren eerbied voor, maar de be­geerte om daarin toe te nemen en met de zaak zelf in aanraking en gemeenschap te komen is er niet.
Niemand onderstelle, dat deze tweede soort alleen onder Roomsche menschen voorkomt. Er zijn ook vele Protestanten, die zich met zulk een werkeloos geloof tevreden stellen. Vader en moeder „deden er nog wel aan", waren misschien vrome menschen, ja, het kan zoo zijn, dat er nog altijd een indruk wordt meegedragen van de kracht en de hope des geloofs, welke in hun leven tot openbaring kwam, maar de kinderen leven desondanks in onverschilligheid. Zij gevoelen geen gemeenschap meer met de eenvoudige dorpsgemeente, waaronder zij opgroeiden. Zij zijn ,,onder de menschen gekomen", hebben hun weg „in de wereld" gevonden, vestigden zich metterwoon in de stad, of zwierven weg uit de omgeving, waarin zij werden opgevoed, met het gevolg, dat zij zelden of nooit meer in de kerk kwamen, het Woord niet meer lezen en de dingen des geloofs maar laten voor degenen, die daarin lust hebben.
Breken met de kerk doen dezulken nog niet zoo spoedig. De kinderen worden wellicht nog gedoopt. De hoofdelijke omslag wordt nog wel betaald. Als er eens een predikant op bezoek komt, wordt hij ontvangen. Het is alles een soort sleur der traditie.
Van zulk een gesteldheid gaat weinig kracht ten goede uit op de opvoeding van het volgende geslacht en allengs wordt dit geheel los van de kerk.
In onze dagen wordt veel over den afval van de kerk en den achteruitgang van het kerkelijk leven geklaagd. Telkens weer treft het bij de jongste volkstellingen, dat met name in de groote steden het aantal der kerkelijk ingeschrevenen vermindert, en dat diegenen, die tot geen „kerkgenootschap" meer willen behooren, toenemen.
Allerlei bedenkt men om dit proces tegen te gaan, en men ziet de toekomst der kerk donker in — en niet alleen van de kerk — maar zij, die zich daarmede bezighouden, worden ook met bezorgdheid vervuld over de toekomst van ons volksleven.
Zonder twijfel is het een droevig verschijnsel en het toenemend ongeloof kan niet anders dan een voorbode zijn van oordeelen, die over een natie komen. En inderdaad is er reden tot bezorgdheid ook voor de toekomst van ons vaderland, zoo er geen wederkeer zal zijn tot den waarachtigen ernst des levens en de gehoorzaamheid aan den God der Schriften.
Wij wijzen echter niet alleen op de ijdele vruchten van een werkeloos en onverschil­lig ingewikkeld geloof, dat nog een wijle op den sleur der traditie doorgaat, doch het kan zijn nut hebben de aandacht te vestigen op de vermaning van Calvijn aan het adres dergenen, die zich met een traag hart aan zulk een onverschilligheid overgeven.
Calvijn vraagt niet in de eerste plaats : wat moet er van de kerk terecht komen ? Voor velen schijnt dat wèl de belangrijkste vraag. Van Calvijn kan men dat niet verwachten. Hij weet, dat Christus Zijn kerk in stand zal houden en dat Hij Zijn koninkrijk zal vergaderen.
Neen, Calvijn wijst op Paulus' woord omtrent degenen, die altijd leerende zijn en nimmer tot de kennis der waarheid komen. Hoeveel zwaarder schande en smaad verdienen dan degenen, die niet met al zoeken te weten, zoo vraagt hij.
Dat is zeer zeker de zaak, waarop allereerst de aandacht moet gericht. Het is een goddeloos gedrag en dat verdient niet alleen smaad en schande, maar zal zich ook jegens dien God te verantwoorden hebben, wiens Woord en Evangelie werd versmaad en der moeite van gehoor en onderzoek niet werd waardig geacht.
Op zich zelf duidt het reeds op een ingezonken toestand van het algemeen zedelijk bewustzijn, wanneer zulk een onverschilligheid door het algemeen oordeel niet meer voor goddeloos en schandelijk wordt gehouden.
Daardoor kan slechts worden bevorderd, dat men de kerk gemakkelijker loslaat en haar den rug toekeert.
Bovendien heeft de reformatie den nadruk gelegd op het persoonlijk geloof en op de persoonlijke verantwoordelijkheid. Daardoor moest ook de persoonlijke vrijheid een kenmerk zijn van het Protestantisme, doch een persoonlijke vrijheid, welke, zoo zij de Wet des Heeren veronachtzaamt, tot losbandigheid voert. Op die wijze moest in het kerkelijk leven van de gereformeerde religie veel meer dan in de kerk onder het Pausdom, het ingewikkeld geloof in dezen werkeloozen zin tot afval van de kerk leiden.
De vraag, wat er van de kerk, deze of gene kerk, zal worden, is daarom niet de belangrijkste. Maar wat zal er van die menschen en van het volk worden, hetwelk zijn vrijheid, door de kracht der waarachtige religie gewonnen, zoozeer misbruikt tot eigenwilligen wandel ?
De reformatoren hebben niet nagelaten er voortdurend weer aan te herinneren, dat wij niet straffeloos de goedertierenheid Gods verachten, die ons in Zijn Evangelie tegenkomt, en die ook onze Schepper en Onderhouder is, uit Wiens hand ons alle weldaden des levens toekomen.
Van geheel anderen aard is de andere vorm van ingewikkeld geloof, de genegenheid tot het Woord des Heeren, die gepaard gaat met een begeerte tot kennis der zaligheid in Christus Jezus.
Dat is niet slechts een besef, dat de kerk het geloof heeft, of dat er menschen zijn, die het geloof hebben, zoodat er inderdaad in de wereld een volk is, hetwelk lust heeft in de dingen van het Koninkrijk Gods.
In zijn aanvankelijken staat mag dat zoo zijn, maar het laat de menschen, die daarin verkeeren, niet onverschillig. Zij kunnen het niet zonder meer aan die anderen overlaten, maar worden getrokken tot het Woord.
Zoo zijn er wellicht velen in de kerk. Zij gelooven, dat het de Waarheid Gods is, die daar gepredikt wordt. Zij gelooven aan de genade Gods in Christus Jezus geopenbaard, en dat er bevoorrechten zijn, die daarvan kennis dragen en er uit leven. Doch het onderscheid met de onverschilligen is, dat zij niet onverschillig kunnen zijn en begeerte hebben om tot kennis der Waarheid te komen. Zij onderzoeken.
Sommige beoordeelaars schrijven aan zulke menschen weinig meer toe dan een zekere gevoeligheid. Het zijn fatsoenlijke menschen en zij komen trouw ter kerk. Ja, Calvijn geeft toe, dat zij het eigenlijke geloof niet bezitten, maar hij werpt die menschen niet weg en zet hen ook niet in een hoek. Hij wil niet wijzer zijn dan Gods Woord en noemt hen geloovigen, omdat God naar Zijn goedertierenheid zulk een godzalige genegenheid zoo groote eere waardig acht door deze geloof te noemen.
Men mag daaruit nemen, dat hij, sprekende van geloovigen, deze menschen mede insluit en dat dit ook de bedoeling der belijdenis is, als zij, gelijk zij ook doet, van geloovigen spreekt. Hij zegt daarbij: Zoo zij zich voegen tot gehoorzaamheid. Dit voorbeeld van Calvijn mag in onze dagen wel in herinnering worden gebracht, omdat men telkens weer kan opmerken, dat zoo geheel anders wordt geoordeeld. Hoe vaak hoort men over voorgangers en gemeenteleden een afkeurend en verwerpend oordeel vellen, omdat zij niet de kenmerken der wedergeboorte vertoonen, welke men voor zoodanige terecht of ten onrechte houdt.
Op zich zelf genomen, kan men zulks verklaren in verband met de algemeene verachtering des geloofs en velerlei wind van leer. Doch hoezeer ook verklaarbaar uit de omstandigheden, deze kunnen nimmer de waarheid Gods op zij zetten en mogen geen grond zijn om den regel des geloofs ons in het Woord gegeven te breken.
Hij, die meent door Gods genade in de verborgenheid des geloofs ingeleid te zijn, is veeleer geroepen zich naar het Woord van God te schikken in zijn woorden, gedachten en daden.
Wat God rein heeft genoemd, zult gij niet onrein achten, heeft de Geest des Heeren tot Petrus gezegd. Met toepassing op ons onderwerp mogen wij met een beroep daarop zeggen, als het Gode behaagt een ingewikkeld geloof, dat tot de openbaring der ware kennis nog niet kwam, met den eeretitel van geloof te versieren, zult gij mensch dien titel daaraan niet ontzeggen.
Wij ontdekken hier, dat Calvijn zich naar het Woord Gods wil schikken, als hij met zoo groote zachtmoedigheid spreekt en dat heeft ons bedachtzaam te maken, omdat hij de goddeloosheid en traagheid des harten niet verschoont, doch daartegen steeds scherp en gevoelig te keer gaat. Hij leert uit de Heilige Schrift, dat er een genegenheid tot het Woord is, die tot de kennis der verborgenheid nog niet werd geleid, maar voor welke het geloof schoon een gewenschte en gezochte zaak nog een verborgenheid bleef.
Wat er aan heilsgeheimen in het geloof openbaar kunnen worden door de werking, van Gods Geest is voor dezulken nog als in doeken gewonden. Het treedt nog niet te voorschijn. Daarom noemt men het een ingewikkeld geloof. Wij denken aan het Kindeke in de kribbe, waarvan geschreven staat „in doeken gewonden". Wat verschilt dat kindeke van den Messias, die als de hoogste Profeet door het land trekt, die als het Lam Gods wordt ter slachting geleid, die verheven is aan de rechterhand Gods.
Welnu zoo verschilt ook het ingewikkeld geloof van de volle openbaring der heilgeheimen in Christus, den eenigen en algenoegzamen Verlosser.
Het ingewikkeld geloof, dat hier wordt bedoeld, en met den titel geloof wordt vereerd, onderscheidt zich van de onverschilligheid door een genegenheid om zich onder het Woord te voegen en door de begeerte om Gods Waarheid te kennen en te onderzoeken.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's