KERKELIJKE RONDSCHOUW
ONZE JEUGDBEWEGING
Op Hemelvaartsdag en met de Pinksterdagen — de verhoogde Heiland heeft reeds onder de Oude Bedeeling door Zijn profeten zooveel beloften des Geestes voor de jongeren doen verkonden, die onder de Nieuwe Bedeeling zoo heerlijk zijn vervuld ! — zijn duizenden en tienduizenden jongelingen en meisjes in vergadering bijeen geweest. Van de Chr. Geref. Kerk, van de Luthersche Kerk, van de Gereformeerde Kerken, van de Hervormde Kerk, om onze Herv. Gereformeerde Jeugdorganisaties niet te vergeten. Het moet ons ontroeren en diep vastgrijpen in onze ziel. We moeten er acht op geven, er voor bidden en werken. Het is de toekomst voor Kerk, Volk en Vaderland !
We hebben gevolgd den gang van Z.Exc. dr. H. Colijn, den bijna 70-jarigen Minister- President, die laat in den nacht naar bed ging, die 's morgens 5 uur uit bed stapte, die eerst de Hervormde Jongelingen in Leeuwarden bezocht en toesprak, handelend over „de eenheid van alle Christus-belijders rondom Gods Woord" en daarna 's middags m Utrecht den Bondsdag der Geref. Jongelingsvereenigingen bezocht en opwekte tot „trouw aan "et beginsel en veel gebed".
Hoe zal de komende generatie daarop reageeren ?
Te Leeuwarden sprak de Haagsche predikant dr. G. P. van Itterzon, voorzitter van het Nederlandsch Jongelings Verbond (opgericht in 1853 — toen ook de sterke actie in ons land begon voor het Christelijk Onderwijs !) over : De Kerk. Een teeken des tijds ! Een bewijs, dat het waar is, wat prof. Berkelbach van der Sprenkel onlangs zei : dat er een geheel andere mentaliteit onder de jongeren gekomen is, ten opzichte van de Kerk i Op den Bondsdag in Rotterdam, waar de Bond van Herv. Jongel. Vereen, op Gereform. grondslag vergaderde in het gebouw van den Dierentuin, sprak prof. dr. J. Severijn over : „Verbond en Kerk" — welke rede reeds in druk verschenen is. „Het geheele leven" — aldus spreker — „verschijnt in het licht van Gods Verbond. De Kerk ziet het als een genadige beschikking van Gods eeuwige liefde jegens een doemwaardig geslacht en verstaat het dat de Vader in Christus Jezus de eischen en beloften van Zijn Verbond heeft vervuld, dewijl zij deelt in de gemeenschap Zijner goederen door den Heiligen Geest, die een Uitdeeler is van de verborgenheden Gods".
Op den Bondsdag der Chr. Gereform. jongelingen werd gesproken over : „Geloofsverzekerdheid en Zelfonderzoek", en de spreker zei o.a. :
„Het geloof blijft een rechtstreeksche daad Gods, welke evenwel middelen gebruikt in Zijn werk. De zekerheid ligt alleen in het geloovig omhelzen van den Christus Gods. Dan brengt het geloof zelf de zekerheid mede. Gelooven moet altijd zijn een vastklemmen aan Gods beloften en Woord. Doch daarom is zelfonderzoek niet overbodig, er is immers zooveel schijngeloof. Het onderzoek leidt ons tot de geloofsdaad ; het geeft nieuwe kracht en het geloof zelve wordt er door opgebouwd. Kenmerken kunnen dus nooit zekerheid geven. Christus blijve voor ons altijd de grond van onze hoop !"
Prof. dr. K. Dijk, de voorzitter te Utrecht, heeft in zijn openingswoord gedacht aan : Karl Barth en wij. En hij zei o.a. : „Ziet, Hij, die verticaal tot de aarde doorbrak en tot den hemel opvoer, trekt hier Zelf de horizontale lijnen van Zijn werk, dat bij ons is en bij ons blijft en in dat werk mogen wij Zijn medearbeiders zijn. Daarom is de boodschap van dezen Bondsdag : „zegt den jongeren, dat zij voorttrekken. En jonge Calvinisten zijn de jongeren der heilige voortvarendheid".
In dit verband citeeren we (al ligt het even op ander terrein) één zinsnede van prof. Anema, op de vergadering van de Calv. Juristen Vereeniging, daags vóór Hemelvaartsdag te Amersfoort gesproken. Hij sprak over: i, Calvinistische en Nat. Socialistische rechtsleer" en zeide toen : „Tegenover het : wat de dictator beveelt, heeft wettelijk kracht, stelt het Calvinistisch denken : Wat God wil, zij wét".
Als laatste stem, op onze Jeugddagen gehoord (we kunnen niet alles overnemen van het zéér vele dat is gesproken) citeeren we een gedeelte van wat ds. B. N. B. Bouthoorn van Harderwijk sprak op den Bondsdag der Ned. Herv. Meisjesvereenigingen te Utrecht. Zijn onderwerp was: „Geestelijke en moreele herbewapening". En zei toen o.a. :
„Wanneer wij dien oproep nader bezien, blijkt de humanistische gedachte er zeer sterk in te liggen, geheel in overeenstemming met de Oxford- of Buchmann-beweging, welke aan dezen oproep niet vreemd is. Maar het Humanisme heeft nog nimmer levenskrachtige kinderen gebaard.
Daarbij is in dezen oproep de diagnose van de kwaal van onzen tijd verkeerd gesteld, terwijl ook de rechte geneesmiddelen niet worden gewezen. Met het diep bederf van het menschelijk geslacht en de totale vermolming onzer cultuur, wordt geen rekening gehouden, zoodat heel deze poging tot een dergelijke herbewapening onverbiddelijk moet uitloopen op een desillusie, op een totale mislukking.
Maar moeten wij daarom nu maar van alle herbewapening afzien ? Ligt hier geen taak voor den christen ? .
Maar al te veel — aldus spr. — wordt aan hen, die de Gereformeerde levensovertuiging zijn toegedaan, verweten, dat de Gereformeerde belijdenis tot lijdelijk nederzitten brengt. Doch de' Heilige Schrift leert ons wel andere dingen ! Neen, wij mogen niet onbewogen blijven bij de dreigende ineenzinking der cultuur. Ook wij moeten de bewogenheid kennen, en onze taak en roeping verstaan. Ook wij moeten verstaan onze hooge roeping om „mede-arbeiders Gods" te zijn. Dan zullen wij niet stilzitten, maar in Gods kracht strijden tegen de zonden van onzen tijd, tegen de zonden ook in onze eigen Herv. Geref. kring en de zonden van ons kerkelijk leven. Niet het minst tegen de macht der zonde in eigen hart en leven."
Zegt den jongeren, dat zij voorttrekken ! Jagend naar het ideaal, om, één van hart en zin, wèl onderwezen in de heilige Schriften, als menschen Gods volmaakt te mogen zijn, tot alle goed werk volmaakt toegerust ! (2 Tim. 3 : 15—17).
DE GEZAMENLIJKE KERKEN (1)
In de Geref. Kerken is lang de gedachte geweest, dat de autonomie van de plaatselijke Kerken het geneesmiddel voor alle kwalen was. Vooral in de dagen van de Doleantie (1886) deed die leuze opgeld. Heel de kerkelijke actie was er op ingesteld. Heel anders dan b.v. bij de Afscheiding in 1834. Men komt nu van deze dingen terug. En wel over heel de linie.
In zijn brochure : Oud of Nieuw Kerkrecht ? (blz. 19) zegt ds. Joh., Jansen : „Elke plaatselijke Kerk is daar ter plaatse eenerzijds wel een zelfstandige Kerk, maar anderdeels is zij te beschouwen als een deel van het geheel der Kerken van het Kerkverband". Vlak er aan vooraf staan deze woorden : „De Kerk van Christus is een organisme. Het Hoofd gaat aan de leden, het geheel aan de deelen vooraf".
Dat hier het organisme invloed heeft op het statuut is duidelijk. Zooals de bij elkander liggende eilanden oprijzen uit de zee, uit den gezamenlijken ondergrond, zoo komen de plaatselijke gemeenten op uit het eeuwig raadsbesluit Gods in Christus, het Hoofd van Zijn gansche Gemeente. En als in den tijd Gods raad tot openbaring komt in een land, of dit Nederland of dat het Celebes is, doet er niet toe, dan komt de gemeente te Bunschoten en te Aalten en te Heerlen en te Nieuw- Amsterdam, zoo goed als te Poleppo of te Tjolo, tot openbaring uit dien éénen Christus, uit dien ééneh Raad Gods. Want Christus vergadert hier en elders, zoovelen als er tol het eeuwige leven zijn uitverkoren, door Zijn Geest en Woord (elders staat Woord en Geest) tot Zijn Gemeente in éénigheid des waren geloofs, waarbij we hebben te denken aan het organisme („waarvan ik een eenig lidmaat ben), maar waarbij we niet minder hebben te denken aan het instituut, langs den weg der prediking, des geloofs, den Doop, de ambten enz. Het is de Gemeente die door Christus, door middel van de ambten wordt vergaderd, geregeerd, en opgebouwd, beschermd en uitgebreid.
Het is dus volstrekt niet waar, dat de plaatselijke gemeenten zich op een goeden dag gaan vereenigen in „confederatief" verband, en een „accoord" gaan sluiten van „gemeenschap". Neen, het is de éénheid die er is in Christus en die zich' naar buiten openbaart, om te toonen dat men bij elkander behoort, als leden van één lichaam ; als kinderen van één gezin, als leden van één familie, met éen Hoofd en éen doop.
„Het bloed kruipt waar 't niet gaan kan". Zóó komen „als van zelf" de apostelen met de oudsten te Jeruzalem bijeen, om over de „gezamenlijke Kerken", als één geheel, één algemeene Christelijke Kerk, te beraadslagen. Zoo komen onze Geref. Vaderen „als van zelf" bij één te Wezel en stellen samen de Wezelsche Artikelen op. Men is een gemeenschap en men kan niet zonder die gemeenschap. Een plaatselijke Kerk kan, van die gemeenschap afgedacht, niet bestaan ; dan versterft ze.
Wij willen op één ding wijzen, dat nu in de Geref. Kerken zoo ietwat tot een „brandende kwestie" is geworden, n.l. de emeriteering van oude predikanten en de voorziening in de emeritaatsgelden (met de verzorging van weduwen en weezen).
Vroeger was het in de Gereformeerde Kerken uit de Doleantie voortgekomen de wet der wijsheid : elke plaatselijke Kerk zorgt voor haar dominé, die met emeritaat gaat en voor de weduwe en de weezen van een overleden predikant. Dat was het recht en de plicht — er wordt ook gesproken van de eere — der plaatselijke Kerk. „Daar brandt het vuur, daar is de energie, daar moet ook de hulp verleend worden. En men zal voor z'n eigen dominé, die nu emeritus is, gaarne een offer brengen, en men zal voor de weduwe en de weezen van den overleden predikant gaarne z'n bijdragen storten". Maar ja wel. Woorden zijn soms niet duur, maar als de liefde en de sympathie nu niet zóó groot is, als bij een afscheid of bij een begrafenis scheen 't geval te zijn ? Of als — weer een eigen predikant hebbend — de middelen ontbreken, om in alle nooden tegelijk te voorzien ? En als dan de nieuwe dominé niet zoo héél sympathiek staat tegenover den ouden emeritus ? Als de eigen herder en leeraar niet uitmunt door edel karakter ?
Het is zoo begrijpelijk, dat de moeilijkheden vele geworden zijn. En de onmogelijkheid is aan den dag gekomen. Wat ons absoluut niet verbaast. En wat, naar onze meening, z'n oorzaak vindt in de geheel verkeerde gedachte van de autonomie van de plaatselijke Kerk, in dien zin, die men er in 1S86 aan gegeven heeft.
Naar onze meening ligt hier de taak voor de gezamenlijke Kerken.
Wij willen hierbij, in een volgend artikel, wijzen op twee uitlatingen in weekbladen uit den kring der Gereformeerde Kerken.
(Slot volgt)
DE VRIJZINNIG HERVORMDEN EN DE REORGANISATIE. (2)
Partiëele Reorganisatie.
Dat is het eerste wat door de Vrijz. Hervormden gezegd wordt : alles niet in eens ; langzaam aan ; bij stukjes en brokjes. Waarbij ook dadelijk gezegd wordt : aan de theologische, principieele oplossing zijn we nog niet toe ; we moeten het vooreerst benaderen van den practischen kant. Waarbij het woord compromis gebruikt wordt. „Dit is de eenige weg om van al het getheoretiseer over reorganisatie af te komen en te komen tot daden. Het gaat om het voortbestaan als volkskerk."
Op zich zelf genomen is het een vooruitgang, dat men in den kring van de Vrijzinnigen over reorganisatie spreekt. „Want in vroeger dagen", schrijft ds. Bakker zelf, „wilde men in ons Vrijz. Hervormd kamp van reorganisatie in 't geheel niets weten" (cursiveering is van ons). Nu is het anders ; en velen stemmen in met het woord van prof. Daubanton : „men behoeft nog niet alle heil van reorganisatie te verwachten, om toch eenig heil er van te hopen".
De Vereeniging van Vrijz. Hervormden wil dan ook aan de reorganisatie meewerken „opdat de Hervormde Kerk haar zendingstaak beter kan vervullen" (blz. 6).
Dat woord „zendingstaak" moeten we even onder de loup nemen ; want dat zou ons, die altijd in bepaalden zin over „zending" en „zendingstaak" spreken, in de war kunnen brengen. Wat bedoelen dus de Vrijz. Hervormden met dat woord „zendingstaak" hier? En dan blijkt, dat men hier 't oog heeft op de positie van de Hervormde Kerk in 't midden van ons volk, dat door onkerkelijkheid en verarming dreigt te verkommeren en dreigt verloren te gaan. De doorwerking van de beginselen van het Evangelie ontbreekt ; en tien- en honderdduizenden vervreemden volkomen van God en van Christus (blz. 6).
„In deze nieuwe situatie der wereld staat de Kerk voor een nieuwe taak" — dat is het wat men op 't oog heeft. En om de Hervormde Kerk beter voor die taak „(zendingstaak" hier genoemd) toe te rusten, wil men meewerken aan de reorganisatie. „Een nieuwe taak" n.l. om Kerk des Evangelies te zijn en als volkskerk met het Evangelie haar taak („zendingstaak" genoemd) te kunnen vervullen — vraagt „een nieuwe aanpak." (blz. 6).
Er moet een nieuwe aanpak komen, met „eigen methode van werken, en in verband daarmee een andere organisatie" (blz. 7).
„Bij ons, Vrijz. Hervormden, is de roep om reorganisatie geboren uit den nood van onze wereld en de daarmee samenhangende nood der Kerk" (blz. 7).
Er zijn er zoovelen, die de tegenwoordige organisatie nog zoo kwaad niet vinden — zegt ds. Bakker. Maar die de dingen wat dieper neemt, en oog heeft voor den nood der wereld en „de apostolische taak als roeping der Kerk in onze dagen ziet, zal telkens weer ontdekken hoe haar apparaat in menig opzicht (natuurlijk niet in alles tekort schiet, zelfs meer dan eens onbruikbaar is. En die zal willen reorganiseeren" (blz. 7).
De stem der Kerk moet met grooter stelligheid in de wereld worden gehoord ! „En dan gaat het er niet om, hoe wij, Vrijz. Hervormden, onze Ned. Herv. Kerk wel zouden willen reorganiseeren, als wij het voor het zeggen hadden — dat zouden „vrome wenschen" zijn en blijven".
We moeten, zonder ons ideaal uit het oog te verliezen, trachten te bereiken, wat er nu te bereiken is. We zouden dat „geloovig realisme" willen noemen — aldus ds. Bakker. „Want mijn geloof in de Kerk en mijn zin voor realiteit ontmoeten hier elkaar." „Het is m.i. de fout van alle reorganisatie-pogingen tot nu toe geweest, dat men alles tegelijk wilde, daardoor de zaak forceerde en niets bereikte !"
„Wij gaan dus niet alles overhoop halen" (blz. 7).
„Men moet b.v. niet de belijdenisschriften aan de orde stellen en b.v. de kwestie van bestuur en beheer — want dat zou beteekenen, dat er weer niets van komt". En als het gelukte, zou de patiënt wel eens tegelijk dood kunnen zijn.
„Wat ik dus voorsta", aldus ds. Bakker, „juist om de Kerk te redden, is : partiëele organisatie l" (blz. 8). (Wordt voortgezet).
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (6)
Men moet den doop van allen ernstig nemen — leert Wormser.
En in het 4de hoofdstuk zegt hij dan ook: „Men spreke niet van „gedoopte Heidenen" !" Hoe weinigen zijn er toch die hun doop en den doop van anderen weten te waardeeren ? Bij al de ellende, die ons deel is, komt God in den doop om ons en anderen te spreken van Zijn rijke genade en slechts weinigen, die hun roeping en verkiezing hebben vastgemaakt, zijn werkzaam met en putten troost en versterking uit hun doop. Zelfs de godvruchtigen weten dikwijls geen weg met hun doop, nog veel minder met den doop van „dwalenden en goddeloozen". „Die doop" — zegt Wormser — „moet echter een volle Schriftuurlijke beteekenis hebben, zal men niet gehouden zijn zichzelven te beschuldigen wegens het voortdurend toedienen van den Kinderdoop èn de erkenning van de doopsbediening van andere gezindheden".
„Over de ongelukkige uitdrukking van : Gedoopte Heidenen, toegepast op de overgroote meerderheid onzer natie vanwege haar afval van het Christendom in leer en wandel, verwondert zich bijna niemand meer". „Men heeft zich gewend aan de voorstelling, dat iemands betrekking tot het Christendom begint met zijn bekeering. Maar — wat was zoo iemand dan gedurende den tijd, die er verliep tusschen den doop, dien hij als kind ontving, en zijn bekeering ? Een Jood ? Een Heiden ?
En waarom laat gij uw kinderen doopen, alvorens gij van hen de belijdenis hunner bekeering verneemt ? Is het, opdat zij gedoopte Heidenen zouden zijn ?
Waart gij zelf Heiden, totdat ge u tot den Heere bekeerdet ?
Was uw doop u niets, ook geen getuigenis tegen uw afkeerigheid van den Heere, van Zijn genade en Zijn dienst ? Zijn uw kinderen inderdaad Heidenen, is hun doop hun niets ? En waar onze natie een gedoopte natie is, is daar de doop niet een getuigenis van de haar in het Evangelie toegebrachte genade ?
„Velen, meer dan wij vermoeden, zijn onder ons vervallen in Labadistische en Baptistische leeringen. (Jean de Labadie 1610— 1674, wilde een Kerk van louter wedergeborenen. Hij schafte in zijn Gemeente den Kinderdoop af). Bij velen heeft 't fiksche, krachtige en onbekrompen standpunt van de oude Gereformeerde Kerk plaats gemaakt voor een ziekelijke, enghartige getrouwheid, waardoor men onbekwaam wordt om Gods waarheid en instellingen vrije beweging en werking te laten. Men geeft ieder terrein lijdelijk over aan dwaling en ongerechtigheid en men trekt zich zelf terug in een veilig kringetje.
„Dit retireeren der godvruchtigen van tusschen de gedoopten is een van de grootste aanleidingen tot verderf van Kerk en Staat, en geeft het bestaan aan een zonderlinge practicale dwaling".
(Wordt voortgezet.)
De Zending in de Heilige Schrift ot Eene leer van de Zending (19)
Deze gemeente als vergadering der geloovigen had van den beginne af eene bepaalde organisatie.
Elke vereeniging van menschen heeft, om verwarring en ontbinding te vermijden, en aan het doel, waartoe zij opgericht werd, te beantwoorden, een regeling voor hare vergaderingen en werkzaamheden van noode. En ook de gemeente van Christus is aan deze algemeene wet der menschelijke samenleving onderworpen. God is geen God van verwarring, maar van vrede. En Hij die voor al Zijne schepselen ordeningen vaststelde, die ze niet zullen overtreden (Ps. 148 : '6b). Hij wil, dat ook in Zijn Kerk alles met orde zal geschieden, zooals het behoort (1 Cor. 14 : 33, 40). De Synode der Ned. Hervormde Kerk heeft dan ook in het kerkelijk stempel :
„Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden (1 Cor. 14 : 40), wat op zich zelf te prijzen is. Alleen maar, het zal er nu op aan komen, dat men de orde Gods voor Zijn Kerk nader onder de oogen ziet, en aan de hand van de Schriften naspeurt wat Hij wil. Wat dan — om dit ééne maar te noemen — zeker niet zal leiden tot een Synodale besturenorganisatie als van 1816, maar veeleer tot een instelling en eeren van de ambten en een voorstaan en handhaven van de heilige orde die van God gegeven is voor gelooven en belijden, voor leer en leven „in alle de gemeenten der heiligen" (1 Cor. 14 : 33b).
De Gemeente van Christus heeft een dubbele taak en roeping, zoowel „naar binnen" als „naar buiten". Zelf moet zij staan in het geloof en zij moet zich voortplanten van geslacht tot geslacht, predikende het Evangelie in de geheele wereld aan alle creaturen. En • als God haar nu die dubbele roeping oplegt, om te leven als Zijn Gemeente, om te belijden Zijn Naam, om Hem te dienen op alle terreinen des levens, om te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid, als een stad op een berg, zich uitbreidende onder de volkeren, tot aan de uiterste einden der aarde.
Hiervoor geeft de Heere Zelf Zijn Gemeente krachten en gaven, want zij heeft niets uit zichzelf. En zoo heeft Hij haar ook gegeven „apostelen, evangelisten, herders en leeraars, opdat dezen het werk der bediening (hun verschillend dienstwerk) in de Gemeente uitrichten, daardoor het lichaam van Christus bouwen, en alzoo de volmaking der heiligen tot stand zouden brengen. En deze gansche inrichting moet dan ook zoolang blijven bestaan, totdat het doel is bereikt en allen samen gekomen zijn tot de eenigheid des geloofs en der kennis Gods, tot een volkomen man, tot de mate der grootte der volheid van Christus (Ef. 4 : 11—13).
Met andere woorden, de Gemeente als vergadering der geloovigen heeft van Christus, met het oog op de roeping, die zij op aarde te vervullen heeft, een bepaald instituut ontvangen, een eigenaardige inrichting van gaven en krachten, ambten en bedieningen, waardoor zij aan deze roeping beantwoorden kan. En die inrichting is niet later aan de gemeente toegevoegd, maar is van den beginne af in en met haar aanwezig. Het is niet eerst langer 01 korter tijd geweest „vergadering van broeders en zusters ', of „vergadering der geloovigen" zonder regeling van liaar leven en zonder inrichting der Gemeente. Want terstond heeft God de Gemeente op aarde zóó ingericht (Hij is niet een God van verwarring, maar van vrede, gelijk in alle de gemeenten der heiligen, 1 Cor. 14 : 33), als door haar plaats en taak in de wereld geëischt werd. Of zou God voor Zijn jonge Gemeente, waaruit alles groeien moest, niet gezorgd hebben, als een God van orde ? Het is niet aan te nemen. Natuurlijk zijn de dingen wel „gegroeid" langzamerhand ; en de inrichting, die aan de Gemeente geschonken is, is in den loop der tijden aanmerkelijk gewijzigd.
We zouden hier kunnen wijzen op Gen. 4 VS. 26, waar we lezen, dat men in de dagen van Enos den Naam des Heeren begon aan te roepen. Waarschijnlijk wordt daardoor te kennen gegeven, dat de nakomelingen van Seth zich meer afzonderden van de Kaïnieten, en als een geloofsgemeenschap zich schaarden rondom de belijdenis van des Heeren Naam. En zóó was er van dien tijd af een „openbare eeredienst", die voornamelijk in prediking, offerande en gebed bestond. Maar overigens was er van organisatie nog weinig sprake. De gemeente had toen haar middelpunt in het huisgezin. In het patriarchale tijdperk was de vader de koning, maar ook de priester in zijn gezin ; hij richtte de besnijdenis uit (Gen. 17 : 23) en volbracht de offerande (Gen. 22 : 2 ; 26 : 1 enz.).
Bij de wetgeving op Sinaï, toen God Zijn verbond met een volk oprichtte, kwam daarin een groote verandering. Er werd toen een bijzondere priesterschap en levietenstand ingesteld. En alles wat op de heilige personen, tijden, plaatsen en handelingen betrekking had, werd nauwkeurig geregeld. De wet was een juk, dat zwaar viel te dragen (Hand. 15 VS. 10) ; maar ze was toen noodig, om het bewustzijn van zonde te verscherpen, de behoefte aan vergeving te wekken, de beteekenis en de noodzakelijkheid der offeranden in het licht te stellen, en alzoo naar Christus heen te leiden.
Daar slechts een klein gedeelte van het Joodsche volk op de groote feesten naar den tempel te Jeruzalem ging, ligt het voor de hand, dat er overal plaatselijk godsdienstige samenkomsten waren. Bovendien waren allen verplicht, om naarstiglijk den sabbat te houden, en die vierden ze allen in hun eigen woonplaats.
Het is dus hoogstwaarschijnlijk, dat de geloovigen op zulke dagen godsdienstige samenkomsten hielden en zich vereenigden in de overdenking van de wet, in gezang en gebed. Hand. 15 : 21 leert ons, dat „Mozes van oude lijden in elke stad er had, die hem predikten en dat hij op elken sabbat in de synagogen gelezen werd".
En we weten, dat ook de Heiland de gewoonte had op den sabbat deze samenkomsten in de synagoge bij te wonen. (Luc. 4 VS. 16).
Hij predikte voorts het Evangelie van het Koninkrijk Gods en verzamelde discipelen om Zich ; waaruit straks de Gemeente des Nieuwen Testaments zou geboren worden door Zijn Geest en Woord. Welke Gemeente zou worden uitgeplant onder alle volkeren, waarbij de heilige orde paste van den Heere gegeven. Ef. 4 : 11—16. (Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's