WAT CALVIJN ONS LEERT
Gelooven en kennen.
Dit is de ware kennis van Christus, dat wij Hem aannemen, zooals Hij ons door den Vader wordt voorgedragen — te weten — met Zijn Evangelie bekleed.
Hij is bestemd tot een „wit en oogmerk" des geloofs. Daarom zullen wij den weg tot Hem niet vinden, tenzij het Evangelie voorga. Daarin worden ons de schatten der genade geopend, zonder dewelke Christus ons weinig nut zou brengen.
Maar daarom ook wordt door Paulus het geloof onafscheidelijk aan de leer verbonden, wanneer hij schrijft: Doch gij hebt Christus alzoo niet geleerd, indien gij hem maar gehoord hebt en door hem geleerd zijt, gelijk de waarheid, in Jezus is. (Efeze 4 vs. 20).
Paulus noemt hét Evangelie de leer des geloofs. (1 Tim. 4 vs. 6). Elders zegt hij, dat de Wet is te niet gedaan (Rom. 10 vs. 4) en wijst op het geloof, als een nieuwe en ongewone wijze van leeren, waarmede Christus de barmhartigheid Gods verklaart, en van onze zaligheid betuigt, nadat Hij als Leeraar is verschenen.
Calvijn wil dit op een nadere wijze uiteenzetten en van het algemeene tot het bijzondere neerdalen.
Dan moeten wij vooreerst voor oogen houden, zoo schrijft hij, dat het geloof gedurig op het Woord ziet, daarvan niet kan worden gescheiden, zoomin als de stralen van de zon, van welke zij uitgaan.
Daarom roept God bij Jesaja : Hoor naar Mij en uwe ziel zal leven. (Jes. 55 vers 3).
Johannes wijst op dezelfde fontein des geloofs (Joh. 20 vs. 31) : Deze dingen zijn geschreven, opdat gij zoudt gelooven. Voorts Psalm 95 vs. 7 : Heden, zoo gij Zijn stem hoort. (Hooren beteekent vele malen gelooven).
Al deze plaatsen wijzen op het Woord. God onderscheidt de kinderen van de kerk en van de wereld ook daarin, dat Hij de eersten onderwijst; opdat zij van Hem geleerd mogen zijn. (Jes. 54 vs. 13).
Calvijn wijst op het gebruik der Evangelisten van het woord discipelen of leeringen en houdt dit voor eenerlei met geoovigen. Zoo inzonderheid in de Handelingen.
Het geloof vindt in het Woord niet alleen een fontein, maar ook een steunpunt en fundament. Wijkt het daarvan af, dan Valt het in elkaar. Neem het Woord weg en daar zal geen geloof meer over blijven.
Het Woord is als een spiegel, waarin het geloof God aanschouwt. Wien God tot Zich trekt, ontdekt Gods aangezicht in het Woord. Zoo is dan het geloof een gehoorzaamheid aan het Evangelie. (Phil. 2 vers 17).
Voorts is het geloof niet slechts een aannemen, dat er een God is, ook niet alleen een kennis, hoe Hij is, maar er is het meest aan gelegen te weten, hoe God jegens ons is. En dat nu is de kennis, die uit Zijn Woord geleerd wordt.
Men kan begrijpen, waarom Calvijn op deze zaak zoozeer den nadruk legt. De Roomsche kerk had den Bijbel aan het volk onthouden. Hoe moest het volk nu gelooven zonder het Woord ? Hij ziet daarin dus een gebrek, hetwelk oorzaak moest worden van den achteruitgang van het geloofsleven en dus ook van het kerkelijk leven.
Daartegenover wordt het zeer begrijpelijk, dat de reformatoren de Heilige Schrift onder het volk brachten. Luther was er spoedig bij om den Bijbel over te zetten in de volkstaal. Dat is een klaar bewijs, dat hij het belang er van inzag, het volk te leeren bij het licht des Evangelies.
De mannen van de reformatie hadden ' dit trouwens ervaren. Immers de eerste sprankjes van reformatorisch leven gaan uit van de Heilige Schrift. Hier en daar werden stukken van den Bijbel, de psalmen en de evangeliën of Paulus' brieven, meer bekend, en daar ging van deze kennis kracht uit op het leven.
De kerk heeft altijd bij het Woord geleefd, zegt Calvijn ergens, en met recht; zij leeft uit het Woord. Omdat Calvijn het verband tusschen het Woord en het geloof zoo goed kent, drukt hij zoozeer op de kennis. Men moet kennis dragen van het Woord, zijnde de fontein en het fundament des geloofs. Het Woord onder de menschen, opdat de menschen onder het Woord komen, is de slotsom van deze dingen.
Wat het geloof in het Woord ziet.
Calvijn zal dat onderzoeken.
Het is Gods stem, die tot Adam zeide: „Gij zult den dood sterven", en het is Gods stem, die tot Kaïn sprak : „Het bloed uws broeders roept van de aarde tot Mij". (Gen. 2 vs. 17. Gen. 4 vs. 10).
Deze stemmen zijn niet zeer geruststellend en zijn veeleer in staat het geloof te doen wankelen dan te ondersteunen en vast te zetten.
Intusschen wijst Calvijn op het ambt des geloofs. Deze uitdrukking komt meer voor bij Calvijn: Wat is dat ? het ambt des geloofs.
Wat ambtelijk gedaan wordt, wordt in gehoorzaamheid en afhankelijkheid gedaan. Daarover valt niet te delibereeren. Men handelt zonder morren of tegenspreken, omdat men niet op eigen autoriteit handelt, maar op een ander en hooger gezag.
Als de regeering een wet geeft, waakt de politieman over de uitvoering. Hij doet dat ambtelijk en het heeft met de stiptheid van uitvoering niets te maken, of de man het met die wet eens is, ja dan neen.
Deze voorbeelden kunnen slechts ten deele helpen verstaan, wat bedoeld wordt. Zij gaan, als alle vergelijking, mank. De bedoeling echter is deze : Het ambt van het geloof is Gods waarheid te onderteekenen en enkel en alleen voor waarheid te houden.
Welnu, dat doet het geloof niet op gezag van de menschelijke rede, maar op Gods gezag. Het geloof buigt voor Gods waarheid. Het gaat niet eerst redeneeren, of de waarheid wel waarheid is, of het wel met de rede overeenkomt enz.; dergelijke redeneeringen zijn niet van het geloof. Want het geloof is een ambt. Het geloof werkt op hoog bevel en buigt voor Gods gezag.
Het geloof volbrengt zijn ambt, doet zijn dienst, men zou ook kunnen zeggen: zijn plicht, n. l. Gods waarheid zien, toestemmen en erkennen als de eenige waarheid.
Derhalve kan zulk een geloof er niet zijn, dis het hoog gezag niet werkt in de ziel.
Wat vindt het geloof in Gods Woord, waarop 't steunen kan ? zoo luidt de volgende vraag bij Calvijn. Want het behoeft geen betoog, dat de ziel beeft, als daar niet anders gesproken wordt dan wrake en verbolgenheid, zoodat zij uit vrees zou wegvluchten.
Het geloof vlucht echter niet weg, maar wil God zoeken. Men kan dus niet volstaan met zoo maar eenige kennis van Gods wil, die men geloof zou willen noemen, ofschoon het voor zoodanig niet gerekend kan worden.
Daarom spreekt Calvijn over de kennis van de barmhartigheid Gods, welke zeer aanlokkelijk is, en waardoor men wordt aangetrokken om God te zoeken. Daarin nadert hij ongetwijfeld den aard en het eigene des geloofs, zooals hij zegt.
Wanneer wij verstaan, dat de zaligheid bij Hem is weggelegd, zooals ons door het Woord wordt bevestigd, dan worden wij aangetrokken tot God om Hem te zoeken.
Uit dien hoofde is de belofte der genade noodig, zoo gaat Calvijn verder, waardoor ons wordt betuigd, dat Hij een genadig en goedertieren Vader is. Zonder deze kunnen wij niet tot Hem naderen. Want het hart des menschen kan alleen op genade steunen.
Dit stuk ziet hij bevestigd in de psalmen, die veelal de waarheid Gods en Zijn goedertierenheid in één adem noemen. Deze zijn dan ook aan elkander verbonden, zegt Calvijn, want, de kennis, dat God waarachtig is, zou ons geen voordeel doen, indien Hij ons niet tot Zich trok in goedertierenheid. Wij zouden Zijn goedertierenheid ook niet vermogen aan te grijpen, indien Hij die niet in Zijn Woord aanbood.
Met een reeks van psalmen zet Calvijn deze redeneering kracht bij : Psalm 40 vs. 11; 36 vs. 6 ; 25 vs. 10 ; 117 vs. 2 ; 138 vs. 2. Ook uit de profeten zouden getuigenissen kunnen worden bijgehaald.
Het eenige pand van Gods liefde is Christus. Zonder Hem zijn wij niet anders dan toorn en haat te wachten.
Met de kennis van Gods goedheid bedoelt Calvijn echter niet een oppervlakkig aannemen. Neen, ook die kennis beduidt niet veel, zoo God Zelf ons niet daarop doet rusten en gerust zijn. Met andere woorden : van het waarachtig geloof moet worden uitgesloten alle verstand en kennis, die met twijfel is vermengd en met zich zelf strijdt.
Het kan niet zijn, dat het verstand — blind en verduisterd als het is — zou opklimmen om Gods wil te begrijpen en dat ook het hart — hetwelk door voortdurende twijfeling heen en weder wordt gedreven — niettemin vast en verzekerd zou blijven. Daarom moet het verstand van elders worden verlicht en het hart gesterkt worden, opdat Gods Woord volkomen geloof bij ons verkrijgen moge.
Het geloof is een stellige kennis van Gods goedertierenheid jegens ons, die op de waarheid van Zijn genadebelofte in Christus gegrond zijnde, door den Heiligen Geest ons geopenbaard en in ons hart verzegeld wordt.
Geloof én godzalige gezindheid.
Met grooten nadruk wijst Calvijn de meening af als een verdichtsel, als zouden diegenen alles gelooven, wat ter zaligheid noodig is, die nochtans door geen vreeze Gods, noch ook door eenig gevoelen der godzaligheid geroerd worden. Indien dat zoo ware, zou de Heilige Geest, die onze harten verlicht tot geloof, geen getuige van onze aanneming tot kinderen zijn.
Toch zijn er, die zulk een meening zijn toegedaan en dat geloof noemen, hoewel de gansche Schrift daartegen is.
Calvijn wil daar verder geen woorden aan verspillen. Hij bepaalt zich er toe aan te wijzen, wat de Heilige Schrift daaromtrent leert. Zij hebben geen gedachte gehad over de bijzondere gave des Geestes en moesten allereerst onderzoeken, of de inhoud het geloof Verkrijgt uit eigen macht en toedoen, dan wel of de Heilige Geest getuigt van onze aanneming tot kinderen Gods.
Wanneer zij bedachten wat Paulus zegt: Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, zouden zij zich niet langer bezig houden met zulke onnutte beweringen.
De toestemming des geloofs is meer een zaak van het hart, dan van de hersenen, meer gezindheid, dan verstand. Daarom wordt zij genoemd : gehoorzaamheid des geloofs. (Rom. 1 vs. 5).
Het geloof ontvangt niet eerst zijn vorm als aan de toestemming ook de godzalige gezindheid wordt gevoegd, want de toestemming zelve is in de godzalige gezindheid gelegen.
Het geloof omhelst den Christus, die ons door den Vader wordt voorgesteld, en dat niet alleen tot rechtvaardigheid, verzoening en vrede, maar ook tot heiligmaking en tot een fontein des levenden waters. Zonder de heiligmaking des Heiligen Geestes zal het geloof Christus niet naar behooren kennen.
Het geloof mag dus van de godzalige gezindheid niet worden losgemaakt.
Een toestemming zonder godzalige gezindheid is dus geen ongevormd geloof, zooals sommigen meenen, want het is geen geloof.
Vergeefs zoekt deze meening steun in Paulus' woord: Al ware het dat iemand alle geloof had, zoodat hij bergen verzetten kon, en had de hefde niet, zoo ware hij niet met al. (1 Cor. 13 vs. 2).
Men zou daaruit willen nemen, dat er een geloof is zonder de liefde, een verstandelijk instemmen met het geloof, zonder de godzalige gezindheid.
Dat is echter misverstand.
Wie het voorafgaande leest, zal zien, dat Paulus over de verscheidenheid der gaven heeft gesproken, die op zich zelf gezien, gaven des Heiligen Geestes zijn, en ook aan goddelooze menschen kunnen toebedeeld zijn, en door hen misbruikt worden. (1 Cor. 12).
Deze gaven zijn niet te achten, indien zij niet dienstbaar worden gemaakt aan de liefde. Dat is het, waarop Paulus wijst.
Hij waarschuwt dus juist tegen gaven en krachten des geloofs, die aan de liefde niet gepaard gaan, wijl zulk een gebruik het doel mist.
Derhalve heeft het woord geloof ook een verschillenden zin. Daarom ook kan het geloof in verschillende vormen verschijnen, doch daar is slechts één zaligmakend geloof.
Zoo is daar een geloof, dat er een God is, dat de historie des Evangelies waar is, dat de Bijbel Gods Woord is, een geloof, dat Gods geboden eenigermate waarneemt en een schijn van gehoorzaamheid heeft.
Degenen, die in zulk een vorm gelooven, gelooven, doch niet in den zin van het geloof der godzaligheid. Het is een schaduw van geloof, waaraan die naam eigenlijk niet toekomt.
Calvijn heeft alzoo het oog op wat men pleegt te noemen historisch geloof, tijdgeloof, wondergeloof e. d. g., die van het waarachtige geloof moeten worden onderscheiden. (Hand. 8 vs. 13. Luc. 8 vs. 7, , 13).
Daar is alzoo een schijngeloof, hetwelk een schaduw van het Ware aanneemt en soms voor een tijd bewaart, ja, zich een schijn van godzaligheid inbeeldt.
Dat gevaar bestaat vooral voor degenen, die alleen openbaren smaad van Gods Woord voor goddeloosheid houden. Er is echter een groot onderscheid tusschen zich wachten voor openbare verachting van Gods Woord en de godzaligheid des geloofs.
Daarom wijst Calvijn op Simon den Toovenaar en op de gelijkenis van den zaaier.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's