De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

19 minuten leestijd

DE CLASSICALE VERGADERING
Naar vaste rooster is de Classicale Vergadering overal op den laatsten Woensdag van Juni, dat is dus Woensdag 28 Juni a.s.
De Agenda is dit jaar mager, zéér mager. Maar, indien eenigszins mogelijk, gaat leder toch naar orde en plicht, naar die Vergadering, hetzij hij predikant of afgevaardigd ouderling is (zooveel ouderlingen uit elke gemeente, als er predikantsplaatsen zijn, van een dorp dus één dominé en éen ouderling, van de stad gaan er meer). Voor ieder afgevaardigde is de Synodale missive No. 574 toegezonden met de „voorloopig aangenomen Reglementswijzigingen", waarover advies gevraagd wordt van de Classicale Vergadering.
Natuurlijk vergeten we de bestuursverkiezing niet. Wij zijn nooit voorstanders geweest, om daaromtrent onverschilligheid te betrachten. Wij hebben altijd belangstelling daarvoor getoond, omdat we het den middellijken weg achten, om in ons kerkelijk leven, zoo mogelijk, invloed ten goede uit te oefenen ; niet met blinde partijzucht, die zoo makkelijk tot onbillijkheden — en soms oneerlijkheden — zou kunnen leiden ; maar toch ook weer niet met een onverschilligheid, die de middelen verwaarloost. De Classicale Besturen, de Provinciale Kerkbesturen en de Synode zijn nu eenmaal onder de huidige organisatie de wegen en de middelen, waardoor invloed ten goede of ten kwade kan worden uitgeoefend op ons kerkelijk leven, dat we zoo gaarne willen opvoeren tot een kerkelijk leven bij en uit de kerkelijke belijdenis !
Dus eerst „de Bestuursverkiezing". En dan de bespreking van de Synodale Voorstellen. Maar dat is dit jaar o ! zoo weinig. Het zijn drie Voorstellen. We willen er in 't kort iets van zeggen.
No. 1 is „om gedingen te voorkomen of bij te leggen". Dat zit zóó : in een bepaalde Gemeente is er wel eens „herrie" geweest, doordat de kerkvoogden den dominé z'n tractement niet uitbetaalden, en dat de dominé er een rechtzaak van maakte, waarbij de Kerk in opspraak kwam en op de kerkelijke goederen beslag werd gelegd. Zoo iets is verschrikkelijk ; en zoo iets moest niet voorkomen. „Dat moest een dominé niet doen" — heeft men gezegd. Maar hadden de kerkvoogden zóó moeten handelen ? Kerkvoogden, Kerkeraad en dominé, moeten samen werken hier, dat zoo iets (of andere dingen, die de Kerk in opspraak kunnen brengen !), niet, nooit en nergens gebeurt.
Nu wil men in het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht een nieuw hoofdstuk invoegen, dat men noemt : „ter voorkoming of bijlegging van gedingen". Het is natuurlijk jammer, dat zulke dingen zich voorgedaan hebben en zich misschien straks weer zouden voordoen — maar gezien de feiten, zouden wij geneigd zijn vóór te stemmen. Wij gelooven, dat het preventief werken kan, ter voorkoming van het kwaad, of tot gemakkelijker bijlegging van een geding. Kerkeraad, Classicaal Bestuur, Ring, ambtsdrager moeten zich „onverwijld" wenden, als er geschil of kwestie is, tot het Prov. Kerkbestuur, vóór dat men een „geding" aangaat enz., om dan te vragen om de tusschenkomst van de „bemiddelingscommissie".
„De partij die tot kennisgeving volgens art. 8'8 verplicht is, onthoudt zich intusschen van het nemen van verdere rechtsmaatregelen enz." De „bemiddelingsraad" bestaande uit 21 leden met „bemiddelingscommissie !") moet het werk doen, als het noodig is. En als het, onverhoopt, spaak loopt en geen „bemiddeling" mogelijk blijkt, dan wordt bericht aan „de partijen", dat de Commissie haar taak als beëindigd beschouwt. (Art. 93, al. 2).
„De leidende beginselen die voor oogen worden gehouden door de bemiddelingscommissie zijn : de christelijke liefde naar den eisch van de Heilige Schrift, de eerbiediging van hetgeen de rechtvaardigheid ten aanzien van de belangen der partijen eischt en de bevordering van al hetgeen het welzijn der Kerk kan verhoogen" (Art. 92 al. 4).
Wij zijn geneigd vóór te stemmen, omdat we gelooven, dat hier een weg geopend wordt om kerkelijk met elkaar te praten, onder leiding, voordat men tot den burgerlijken rechter z'n toevlucht gaat nemen. En dat vinden we een voordeel van dit Voorstel.
Maar — hoe zullen de Kerkvoogden nu eventueel reageeren en optreden, als er ergens moeilijkheden zijn of komen ? „Kerkeraad, Classicaal Bestuur, Ring of ambtsdrager" (Art. 86 al. 1) worden min of meer „aan de band gelegd". Maar hoe staat het met de Kerkvoogden ?
Laten we hier even afschrijven hoe de bemiddelingsraad samengesteld is.
Art. 89 zegt : 1. Er bestaat een bemiddelingsraad, uit welks leden worden benoemd bemiddelingscommissies, overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk, werkzaam tot het voorkomen of bijleggen van gedingen bedoeld in Art. 86.
2. De bemiddelingsraad telt 21 leden ; zij moeten lidmaten der Kerk zijn en den vollen ouderdom van 30 jaren hebben bereikt. De Algemeene Synode wijst uit de leden van den raad een voorzitter en een secretaris aan.
3. De leden worden benoemd door de Algemeene Synode of, deze niet vergaderd zijnde, door de Algemeene Synodale Commissie, in dier voege, dat de Provinciale Kerkbesturen en de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken uit hun ressort elk één lid voordragen" (dat zijn elf leden) „en het Algemeen College van Toezicht, alsmede de Vereeniging van Kerkvoogdijen elk vijf leden daartoe voordragen" (dat zijn 10 leden).
Bestuur en Beheer dus samen in de Commissie vertegenwoordigd (11 en 10) om Kerkeraad, Classicaal Bestuur, Ring of ambtsdrager in toom te houden.
Maar nog eens — wat doet men nu tegenover de Kerkvoogden, die kwaad willen ? Of zijn er zulke Kerkvoogden niet ?
(Slot volgt).

DE VRIJZINNIG HERVORMDEN EN DE REORGANISATIE. (3)
Kalmpjes aan. Niet alles tegelijk overhoop halen. Een partieele reorganisatie moet aan de orde worden gesteld. En dan niet theologisch, maar practisch aangepakt. Waarbij het doel moet zijn, dat de Ned. Herv. Kerk naar de beginselen van het Evangelie beter haar „zendingstaak" in hel; midden van een volk, dat wegzinkt in onkerkelijkheid en ongodsdienstigheid, kan vervullen.
Zóó is de redeneering van de Vrijz. Hervormden, bij monde van ds. Bakker in zijn brochure : „Wenschelijkheden en Mogelijkheden van Reorganisatie enz."
Hervorming van het Algemeen Reglement wordt dan in het 2de hoofdstukje aan
de orde gesteld. Waarom ?
„De stem der Kerk moet met grooter stelligheid in de wereld worden gehoord. Onder de huidige omstandigheden is er van de stem der Kerk (in haar geheel genomen) in het midden van ons volksleven, eigenlijk geen sprake. Zij zou immers moeten uitspreken wat de massa van het kerkvolk gelooft en oordeelt : dat is de consequentie van het algemeene priesterschap der geloovigen".
Het komt wel eens voor, dat de Synode op juiste wijze peilt, wat er onder en in het kerkvolk leeft, b.v. toen zij het Reorganisatie-ontwerp niet aannam. Dat was de stem van de Kerk : „niet aannemen !" En zoo kan het gebeuren, dat de Synode zich beraadt op een brandende kwestie zooals b.v. het echtscheidings-vraagstuk. Dat is naar de behoefte van den tijd.
Maar — nu kan men bij die beslissingen en die besprekingen door de Synode nooit zeggen, dat de Synode de Kerk vertegenwoordigt en de mond van de Kerk is.
Daarvoor staat deze Synode electoraal — door de wijze van afvaardiging langs den weg van de getrapte verkiezingen, véél te ver van het volk af. En toch zal onze Kerk zich juist over de brandende vragen van dezen tijd vanuit het Evangelie van Jezus Christus hebben uit te spreken.
Voorwaarde daartoe is : een grondige herziening van het Algemeen Reglement. Aldus ds. Bakker (blz. 8). „Wat dat betreft is er uit de verworpen Ontwerpen stellig allerlei over te nemen", schrijft hij.
Een Classicale Commissie, die verantwoording aan de Classicale Vergadering schuldig is, is een vooruitgang bij een Classicaal bestuur en zijn bevoegdheid zooals die nu is (blz. 9).
Maar — men moet de centralisatie dan weer niet te ver doorvoeren ; en allerlei administratieve werkzaamheden niet opdragen aan groote vergaderingen.
Het zelfde geldt voor de Provinciale Synode en de Prov. Commissie.
En wat de Synode betreft : om de stem der Kerk waarlijk te doen hooren, zou men een Groote Synode moeten hebben, waarvan de leden gekozen worden door de Class. Vergaderingen ; door elke classis één, volgens rooster beurtelings een predikant of ouderling. (Dus een Synode van 45 leden : 44 Classes en dan één afgevaardigde van de Waalsche Kerken).
„Deze Algemeene Synode kieze uit haar midden een college van b.v. 19 (het Synodaal Bestuur), dat, evenals nu de Synode, jaarlijks vergadert ; en daaruit weer een algemeene Synodale Commissie van b.v. 9 leden, die, evenals de tegenwoordige, tweemaal per jaar samenkomt.
Die Algemeene Synode benoeme ook bijzondere commissies als in het Voorstel 1937 genoemd zijn.
De Algemeene Synode zelve moet dan ééns in de drie jaar samenkomen.
„Die termijn van 3 jaar is ten opzichte van zoo'n groote Synode steeds genoemd", schrijft ds. Bakker. Zoo zei b.v. prof. Gooszen reeds in de Synode van 1904 : „En ik hoop, dat er dan een Synode kome, die dan best elke 3 jaar vergaderen kan". Ook het Ontwerp-1937 bepaalde in Art. 63 : „Ééns in de 3 jaar".
Voor spoedgevallen zou natuurlijk een afzonderlijke regeling nog daarbij moeten worden getroffen.
„Intusschen is het duidelijk, dat een dergelijke ingrijpende wijziging van het Algemeen Reglement, die een hervorming onzer Kerkorde beteekent, niet buiten de vragen van belijdenis en tucht óm kan gaan".
En hier liggen — aldus ds. Bakker — vooral de voetangels en klemmen. En het is het groote struikelblok geworden voor het Ontwerp '37, dat daarin Kerkorde èn belijdenis tegelijkertijd niet alleen aan de orde gesteld wordt, maar ook definitief werden geregeld" (blz. 10). (Wordt voortgezet).

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (7)
Voor de eigenlijke Heidenen, Kanibalen, Hottentotten enz., voelt men nog wel medelijden en men bezint zich op het „Zendingswerk", maar — zoo zegt Wormser — zonder eenig medelijden spreekt men dikwijls over de „gedoopte Heidenen", waarmee men dan bedoelt de groote massa van het volk, welke gedoopt is, maar van den doop is vervreemd.
„Over deze ten onrechte genaamde gedoopte Heidenen wordt dikwijls met minder barmhartigheid gedacht dan over de eigenlijke Heidenen".
Wat is dat toch verkeerd — zegt Wormser. Want de doop als „zegel van het genadeverbond", kan van Gods zijde niet verbroken worden. En de afval is zoo groot !
Daarom moet ons als ideaal voor oogen staan en blijven staan, dat de kinderen des volks, die gedoopt zijn, den Heere geheiligd worden. God blijft zeggen : „het zijn Mijn kinderen, waarom offert gij ze dan den Moloch ? "
Er moet komen een christelijke, godvruchtige opvoeding van het geslacht, dat nu leeft en van de geslachten, die komen zullen. En onze nationale omgeving, onze nationale instellingen moeten christelijk zijn, omdat het gaat om een gedoopte natie. De goddelijke waarheid en de middelen der genade moeten overal rondom bewaard en gehandhaafd worden. Nu is het loffelijk — en noodzakelijke plicht — om z'n eigen kinderen op te voeden in de leering en vermaning des Heeren. Maar dan moet men z'n kinderen niet van de natie, van het gemeenschapsleven, afzonderen, want dan gaat de vreeze Gods in de geslachten verloren. Degenen, die God vreezen, moeten ook wenschen God te dienen, en moeten „steeds dieper en dieper met de natie vertakt raken, en door aanhuwelijking, door vriendschapsbetrekkingen, door nabuurschappen, als geleerden, als handelaars, als landbouwers, als handwerkslieden, als militairen, als zeevarenden, ja, in iedere betrekking als gebiedenden of als gehoorzamenden, als heeren en vrouwen of als ondergeschikten, er het hoogste belang bij hebben, dat de natie een Christelijke natie zij, en dat de openbare erkenning van algemeene Christelijke waarheden en instellingen, en dus ook die van den doop, bewaard blijve".
Daarom moet ook de doop van de dwalenden worden erkend. Die doop zelf is geen dwaling ; en die doop behoort tot de banden, welke de dwalenden nog aan vorige, vrome geslachten blijven vasthouden en verbinden ; en zij moeten er telkens aan herinnerd worden, dat zij niet gedoopt zijn om te dwalen of hun leven in goddeloosheid door te brengen. De doop als stempel van hun adeldom moet bewaard en benut worden.
„Indien men lijdelijk aanziet" — aldus Wormser — „dat de gedoopte natie, tengevolge van een algemeene geringschatting van den doop, de ééne Christelijke instelling na de andere vernietigt ; indien men er zich aan gewent, om met zekere koelbloedigheid van zijn gedoopte volksgenooten te spreken als van gedoopte Heidenen, kan men zeker zijn, dat men den weg bereidt voor den ondergang van zijn eigen geslacht", (blz. 26).
„Eigenbelang, evenzeer als het belang van anderen, vordert dus, dat wij hart hebben voor hen, die ons omringen, ook dan wanneer zij van de vreeze Gods ontbloot zijn. Hoe meer men overtuigd is zelf de waarheid te belijden en door Gods genade te wandelen in Zijn wegen, des te minder is het geoorloofd, dat licht te verbergen door bekrompenheid ; des te meer is men verplicht te trachten de waarheid allerwege ingang te doen vinden".
„En wat is nu meer geschikt in deze, dan de gedoopten te wijzen op die waarheden en instellingen, welke door de gansche Christenheid als zoodanig worden erkend, maar niet gewaardeerd !"
„Dit heeft men dan bij gedoopte dwalenden en goddeloozen vóór boven de Joden en Heidenen, dat men de eersten dadelijk bij een instelling bepalen kan, waaraan zij gewoonlijk althans nog wel eenige waarde hechten en waarbij zij, die vermanen, en zij die vermaand worden, op één en denzelfden grondslag staan".
De Doop vereenigt ons dan — en dit kan van groote beteekenis zijn.
Nu gaat men, helaas ! — zegt Wormser — door „bekrompenheid" veelszins de troost van den doop rooven. (blz. 27)
Maar daarover in een volgend artikel.
(Wordt voortgezet.)

DE GEZAMENLIJKE KERKEN (2)
In „Credo" (Hoofdredacteur prof. dr. v. Hepp) vraagt dr. M. Bouwman (bekend door zijn dissertatie over : Voetius en het recht der meerdere vergaderingen) of de tegenwoordige emeritaatslasten (in de Gereform. Kerken) te hoog zijn ? „De verzorging der emeriti, predikantsweduwen en - weezen, dateert wat haar huidigen omvang en beteekenis betreft, uit den tijd kort na den oorlog". De tractementen en pensioenen zijn toen op peil gebracht. Door de samenwerking der Kerken werden de lasten naar het omslagstelsel vrij evenredig verdeeld. En zoo was dan eindelijk „een behoorlijke verzorging der emeriti bereikt". De uitgaven gingen met sprongen omhoog. In 1917 ƒ 110.000 ; in 1920 ƒ 269.000 ; in 1922 meer dan drie ton. In 1936 zou het zeker ƒ 500.000 zijn geweest, ware het niet, dat toen de kortingen overal waren aangebracht, en zoo bleef het bij ƒ 465.000.—, dus nóg een bedrag, dat zéér hoog is.
Aan tractementen wordt (in de Gereform. Kerken) ongeveer 3 millioen uitbetaald. Aan emeritaatsgelden enz. bijna een half millioen ; dat is dus één-zesde gedeelte van de tractementen, of 16%".
Nu hebben de Kerken geen pensioenfonds. Dat heeft men tot nog toe niet gewild. En zóó brengen dus de gezamenlijke Kerken voor de emeritaatsgelden enz. bijna ƒ 500.000 op, die zoo, rechtstreeks aan de belanghebbenden worden uitbetaald.
Wij willen hier een woord van „hulde !" niet achterhouden. Het is een prachtig resultaat, dat door de aanslag over de gezamenlijke Kerken bereikt is. Al voelen we, dat er wel eens een zucht zal worden geslaakt, vooral in deze jaren van groote, algemeene werkloosheid óók onder de leden van de Gereform. Kerken ; die trouwens toch al zooveel moeten „bijdragen".
Wij vermoeden, dat met de bezwaren van tegenwoordig in verband staat, wat dr. Bouwman er even „tusschen door gooit" in z'n artikeltje. We bedoelen deze zin : „Zou het baat brengen, S.O.S.-seinen uit te zenden naar de levensverzekeringsmaatschappijen ? Die hebben hun sleepbooten onder stoom liggen, gereed om het in nood verkeerend schip van art. 13 D.K.O. in behouden haven te sleepen. Maar het bergingsgeld is niet gering".
Met wat dr. Bouwman in „Credo" schrijft, brengen we hier in verband wat prof. Grosheide schrijft in „N.-Hollandsch Kerkblad". Hij schrijft : „Het systeem, dat onze Kerken thans volgen, komt hierop neer. Theoretisch zorgt elke kerk voor haar eigen emeritus. Er is een tijd geweest, dat dat ook het eenige was, dat er geschiedde. Maar de gevolgen waren voor meer dan één kerk fataal". (Cursiveering is van ons). „Een kleine kerk had soms twee emeriti en andere kerken konden wel wat helpen, maar van eenige ver­plichting daartoe was geen sprake. Dit systeem heeft dan ook tot den hemel schreiende toestanden aanleiding gegeven".
Prof. Grosheide zegt dan verder : in dit systeem, dat iedere plaatselijke kerk voor haar eigen emeritus zorgt en haar „eigen" belangen moet behartigen, ligt ook iets onbillijks. „Een predikant kan emeritus worden in een kerk, die hij slechts een enkel jaar heeft gediend, terwijl andere kerken, die hij twintig of meer jaren diende, niets bijdragen voor zijn pensioen". „Voor de meeste kerken is dit systeem onbruikbaar. Zoo zijn onze kerken dan ook gekomen tot het thans geldende systeem. Dat houdt in, dat wel elke kerk aansprakelijk is voor het pensioen van haar emeritus, maar dat de kerken samen de onkosten der emeritaatsgelden dragen". In de practijk komt het er dus op neer — al blijft men spreken van „vrijwillig elkander steunen", dat er een aanslag' gemaakt wordt en elke kerk weet wat zij voor de emeritaatsgelden enz. heeft bij te dragen, als kinderen van één groot gezin, waarvan Christus het hoofd is en waarbij Zijne dienaren geholpen moeten worden door héél de Kerk.
„In de practijk werkt dit systeem voortreffelijk. De emeriti ontvangen Ixun pensioen en de kerken kunnen beroepen".
„Wij gelooven dan ook ernstig te moeten ontraden om het systeem te veranderen. Wil men onze emeriti redelijk verzorgen, dan moet men verder gaan op den thans bewandelden weg".
„Kerken, die zelf geen emeritus hebben, betalen mee voor de emeriti van andere kerken, voor het pensioen van predikanten of van hun weduwen en weezen, die men in het geheel niet kent". En daarover komen wel eens klachten. Daar wil men wel weer terug naar het oude systeem: elke plaatselijke kerk zorgt voor haar eigen dominé, en voor haar eigen emeritus (emeriti) en weduwen en weezen". Maar prof. Grosheide waarschuwt daarvoor ernstig.
„Ons persoonlijk" — zoo vervolgt prof. G. — „heeft altijd het meest toegelachen een systeem, waarbij de kerken zich verzekeren. Het zou dan zóó zijn, dat elke kerk jaarlijks een premie betaalde, waardoor zij een zeker bedrag kreeg uitgekeerd, als er een emeritus komt, een zeker minimum, en voorts een bedrag voor dienstjaren". „Er zijn aan dit systeem kleinere en grootere bezwaren verbonden. Er zou een fondsvorming moeten komen enz., en dat heeft bezwaren.
En daarom herhaalt prof. Grosheide : „Wil men onze emeriti redelijk verzorgen, in overeenstemming met de hun gedane toezegging, dan moet men verder gaan op den thans bewandelden weg. Doet men dat niet, dan zal het er practisch op neer komen, dat men tot enkele of meerdere emeriti zegt : Gaat heen en wordt warm !"
De weg dus van : de gezamenlijke kerken, waarbij men de saamhoorigheid moet voelen voor de verzorging van de predikanten en emeriti der Kerken saam.
Wij gaan nu op deze dingen niet verder in. Ons is van nabij bekend, dat het individualisme en het individualistisch optreden van de plaatselijke Kerken (we bedoelen nu : de Gereformeerde Kerken) vroeger „tot den hemel schreiende toestanden (het woord is niet te sterk !) aanleiding heeft gegeven" (aldus óók prof. G.) Wat óók wel hieruit voortkwam dat de „nieuwe" dominé bedektelijk of in 't openbaar met de grootste minachting sprak over zijn ouderen collega, die vóór hem de gemeénte diende. Met een zekere handigheid wist hij — mee door 't laf optreden van een of meer leiding gevende figuren in de gemeente — een hooger tractement te verkrijgen, dan zijn voorganger had gehad (toen kon dit absoluut niet, en dat kon onmogelijk !) — waarbij de emeritus bovendien nog minder kreeg, dan hem eerlijk was beloofd (omdat de gemeente het onmogelijk kon doen !) Al die schandelijkheden van het individualisme zijn tenminste nu wèg, door de regeling van de gezamenlijke Kerken, of althans tot een minimum teruggebracht.
We vinden het ook merkwaardig, dat er nu aan de dienstjaren gedacht wordt, wat niet meer dan billijk is ; wat rechtvaardig, goed en noodzakelijk is !
Laten wij dus — dat is de les — wat voorzichtig zijn met het soms zoo hoog geroemde individualisme (dat dan wel eens een anderen naam draagt) dat zoo gemakkelijk met gunst of ongunst werkt en daardoor zoo wreed, zoo onbillijk kan zijn.
God is een God van orde en niet van willekeur; van recht en niet van onrecht ; van eerlijkheid en niet van bevoorrechting ten koste van anderen.
De gezamenlijke Kerken hooren bij elkaar en daar ligt de veiligste regeling.

DE BEWIJZEN VOOR HET BESTAAN VAN GOD.
Gods bestaan gaat onvergelijkelijk hóóg boven het onze uit. En een Godsbegrip is, strikt genomen, een onmogelijkheid. Begrijpen is heel iets anders dan kennen !
Hebben nu de zoogenaamde „bewijzen voor het bestaan van God" de kracht, die er vroeger wel aan toegeschreven is ?
„Wij constateeren" — aldus prof. Hepp in Credo — „dat er hier een enorme verandering heeft plaats gegrepen. Zoo druk men zich vroeger met de bewijzen voor het bestaan van God bezig hield, zoo weinig vraag is er heden naar. Vanwaar die omekeer ?
Vroeger lei het rationalisme beslag op de menschen. Om ons tot het christelijk tijdvak te beperken : streepjes van rationalisme loopen door het denken van veel Kerkvaders, ze werden aangedikt door vele scholastieken, Descartes (Cartesius) verbreedde ze tot reuzenvlakken, welke al het overige bedekten ; de theologen der 18de en 19de eeuw, met uitzondering van enkele goede Gereformeerden, verbroederden er zich mee, om toch maar als menschen van hun tijd te worden geprezen. Kant scheen daarin een omwenteling te zullen brengen, maar het mislukte hem. Men ziet in hem soms den Simson, die de pilaren van de bewijzen voor het bestaan van God doormidden kraakte, maar één liet hij voor het oog van allen overeind staan en een ander liet hij ook ongeschonden, maar verborg die achter wat puin. Daarna ontstond de situatie, dat de een op rationalistische gronden het bestaan Gods bestreed en de ander evenzeer met rationalistische bewijzen het verdedigde ; terwijl ook de Roomsche Kerk half rationalistisch deze bewijzen trachtte te vermeerderen.
Doch reeds in de 19de eeuw dook schuchter als reactie het z.g.n. ir-rationalisme op. Het verwierp de bewijzen voor het bestaan van God, maar hield aan het bestaan Gods, in den zin van een bovennatuurlijk Wezen vast. Natuurlijk stierf het geslacht der rationalisten niet geheel uit. Ten onzent vereenigde het zich in „De Dageraad". Doch het ir-rationalisme ging ongestoord zijn gang. Thans werkt het zelfs op staatkundig gebied met ideologieën. Een vaststaande waarheid bestaat er niet en de werkelijkheid dient slechts om schokkend gewijzigd te worden. Men zweert bij de dynamiek. Het woord „worden" is te zwak en klinkt te zoetsappig. Men heeft iets meer explosiefs noodig. De logos verga, de mythos leve ! D.w.z. niet de logische ontwikkeling wordt nagestreefd, maar een voor onmogelijk gehouden mythe moet het doel van het handelen worden.
De bewijzen voor het bestaan Gods zijn daardoor in onbruik geraakt. En de dogmatiek moet zich niet aanstellen, alsof het rationalisme nog in bloei stond en „bewijzen" voor het bestaan van God nog in eere werden gehouden.
En al blijven de problemen, welke men in zake het bestaan van God opwerpt, per slot van rekening dezelfde, zij dienen toch anders te worden aangevat.
[Prof. dr. V. Hepp : Credo, 19 Mei '39.]
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's