De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemming Uitgever J. H. Kok .te Kampen
Dan werd onder gezellig gekout soms vergeten, dat men op ziekenbezoek was en klonk niet zelden een vroolijke lach op uit den appelhof, waarbij Mini niets onderdeed bij hare speelgenooten. Ook ds. Buitenveld kwam op geregelde tijden op de hoeve. Het eerste bezoek, 't welk hij haar bracht, had beangst gemaakt, 't Lijkt dadelijk zoo ernstig, als een dominé bij menschen komt, die ziek zijn, en vooral bij jonge menschen. Mini dacht, dat dit zooveel beteekende, dat zij spoedig dood zou gaan. Want als het eene gewone, korte ziekte was, kwam hij natuurlijk niet. Langzamerhand wende zij evenwel aan zijne komst. Als een verstandig leeraar wist ds. Buitenveld, hoe hij met de schapen en lammeren zijner kudde moest omgaan, zonder hen vrees of angst aan te jagen én toch in al zijne gesprekken, zelfs over doodgewone dingen, iets te zeggen, 't welk, als hij was heengegaan, tot nadenken bracht. Weldra werd zijne komst eene aangename afleiding in het eentonig tentleven. Niet een, die zoo vertellen kon als ds. Buitenveld, en zijn bibliotheek, waaruit geregeld lectuur naar Donia-state ging, scheen onuitputtelijk. Wanneer hij eens een dag langer uitbleef als gewoon, of een uur later kwam als anders, dan duurde het niet lang, of Mini gaf hare verwondering daarover te kennen en keek al maar de laan uit, om teleurgesteld zich weer neer te geven, indien het wachten vruchteloos was. Gelijk gewoonlijk in dergelijke gevallen, werd in de eenzame uren, wanneer zij zoo alléén lag, alles uitgevonden, om den tijd te korten, en zoo was zij op het idee gekomen om eens uit te rekenen hoeveel melk zij gedurende deze rustkuur van drie jaren nu reeds had gedronken, zonder dat de krachten noemenswaardig waren vooruitgegaan. De uitkomst had haar zelf verbaasd en zou het zeker ook de moeder doen.
Met een matten blik staarde vrouw Santema op het papier. De rekening klopte. Twee liter per dag, dat werd 14 liter per week, dat werd 730 liter per jaar, dat werd 2190 liter in drie jaar.
Eigenlijk kwamen d'r nog twee bij, want men had ook een schrikkeljaar gehad. Dat was meer dan 100 van die groote, koperen emmers vol, waarmee het volks 's morgens en 's avonds het land inging om te melken en die daarna door Swopk, de meid, op het boenstop zoo glanzend werden geschuurd, dat zij in 't zonlicht blonken, als zij op de emmerbrink te pronk lagen.
Zuchtend legde de boerin het briefje op de tafel, die naast het ledikant stond en waarop gewoonlijk van alles te vinden was, wat het genot of den smaak kon dienen. Meer dan 2000 liter melk.
Ja, dat beteekende wat, en geen wonder, dat het kind deze beu werd, om eens naar iets anders te verlangen.
Toch mocht moeder het niet laten merken, dat zij medelijden had. 't Ging immers om haar bestwil.
„Als wij eens wat poeder-chocolade door de melk deden", kwam zij. Maar daar had de patiënt al lang genoeg van. „Wat thee dan ? " Thee zou misschien nog gaan, maar nog liever in 't geheel niets meer. 't Gaf toch alles niets en zij bleef even zwak, niettegenstaande die innemen.
„Maar als je die versterkende middelen nu eens niet gekregen hadt, hoe zou het dan zijn ? In elk geval heeft de koorts nu nog lederen keer een tegenwicht gehad en werden de krachten niet al te veel gesloopt. Dokter zegt : 't is de eenigste manier om de kwaal te overwinnen", vervolgde vrouw Santema.
„Dus ik heb een kwaal ? En tegen mij zegt de dokter altijd, dat dit niet waar is".
„Och kind, ik noem dat maar zoo ; ik bedoel je ongesteldheid, en je weet, hoe de man zijn best doet".
„Maar hij doet immers niets ! Nu ja, geregeld naar mij komen zien en dan een en ander vragen en, als het noodig is, een hoestpoedertje voorschrijven of iets geven om te kunnen slapen, maar voor de rest doet dokter toch heelemaal niets !"
„Wat zal de man anders ook doen, mijn kind ; hij kan een mensch het leven en de gezondheid ook niet geven, evenmin als de knapste professor".
Neen, dat was zoo. Dat kon hij niet, en niemand op heel de wereld, laat staan dat de melk der koeien, die daar ginder graasden, dat kon doen. „Daar is maar Eén, die in nood en dood ons helpen kan", had ds. Buitenveld onlangs gezegd, „en die Eéne is God, in Wiens hand ons leven is en bij Wien al onze paden zijn. Zonder Wiens wil geen haar van ons hoofd gekrenkt wordt, waar ook niemand de mate der dagen overschrijdt, welke Hij heeft vastgesteld".
Toch was ook hier nog alle reden om dankbaar te zijn. Hoevelen, die met haar hetzelfde lot deelden, konden niet krijgen, wat zij noodig hadden, en hier stond van eigen koeien en kippen eiken dag versch op tafel, alles wat de dokter voorschreef. Onlangs had dominé daar nog op gewezen en het gehad over de rozen, die aan deze doornen groeiden. Wat zag hij het vaak anders. Hier bijna nooit pijn ; meestal lekker slapen, soiiis een ganschen nacht aaneen in de koele buitenlucht; dan vroolijk wakker, in een vroolijke omgeving, vol leven en vertier, waar elk van haar hield en zich beijverde om haar genoegen te doen, tot zelfs de meid toe, die. nu en dan eens een praatje kwam maken, en dan nog die overvloed van het beste, dat deze wereld bieden kon. Wat het hart begeerde, kreeg de mond. De eerste vruchten, de fijnste groenten, de fleurigste bloemen waren de hare, al zouden zij afzonderlijk uit de stad besteld woorden, en geen week ging voorbij, waarin Hendrik Alta, die met den vrachtwagen vice versa Zevenhuizen en de stad reed, hier geen bijzondere bestelling kreeg bij bakker of slager, bij fruitwinkel of bloemist, bij „Vroom en Drees" of bij „C. en A.", om Mini maar afleiding te geven en op te vroolijken.
Wat moesten velen daarvan afblijven, 't Gebeurde zoo dikwijls, dat ds. Buitenveld bij zieken kwam, waar aan alles gebrek was en vaker dan het eigenlijk kon, stak hij dan de hand in eigen zak om te helpen.
(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's