De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

23 minuten leestijd

Dr. COLIJN 70 JAAR
Vandaag is dr. H. Colijn, ministerpresident en leider der A. R. Partij, zeventig jaar geworden. (1869—22 Juni—1939). En wij achten dat een gebeurtenis van zóó groote beteekenis, dat wij er niet stilzwijgend aan voorbij willen gaan. Wij zien in deze dingen de vaderlijke hand onzes Gods. Immers Hij is het, die alle tijden overziet en den menschenkinderen beschikt, alles wat zij noodig hebben, naar Zijn raad en welbehagen. En als er dan een bijzonder man ons gegeven is, dan erkennen wij daarin Gods vaderlijke goedheid.
Is er dan in dr. Colijn ons waarlijk iets bijzonders geschonken ?
Volmondig antwoorden wij : ja !
Want juist in de jaren, dat heel Europa op zijn grondvesten schudt en heel de wereld beroerd wordt, zooals schier nooit te voren, heeft de Heere ons Volk en Vaderland een man gegeven van zoo eminente gaven en zoo zeldzame werkkracht als dr. Colijn is.
Dat is geen „menschvergoding", als we dat opmerken hier. Dat is, naar christenplicht, lezen in het boek der geschiedenis en acht geven op de teekenen der tijden, ook op de mannen van onzen tijd, om daarin Gods Naam groot te maken. Ook willen we daarin dr. Colijn onze hartelijke genegenheid en innige verknochtheid toonen.
Ons Bondsleven is niet zoo dikwijls in aanraking geweest met dr. Colijn, maar toen onze Gereformeerde Bond jubileerde, wilde dr. Colijn onze gast zijn en heeft de vergadering toegesproken, waarop een warm applaus volgde, omdat we allen voelden wat groot voorrecht de Heere ons en ons volk gegeven heeft in zoo'n man. En toen onze Bond van Jongelingsvereenigingen in 't zilver stond, was het voor de groote schare der jongeren een ongekend genot en groote eer, dat dr. Colijn in hun midden wilde zijn.
Duizenden onder ons, jongeren en ouderen, houden van dr. Colijn ! En hoe banger de tijden waren, hoe meer de wensch werd gehoord en het gebed werd vermeerderd : dat God ons dr. Colijn mocht laten, om hem te zegenen en tot een zegen te stellen.
Colijn is de „saambinder". En als er „scheidende broeders" zijn, dan is niet Colijn de oorzaak daarvan. Dan moeten de oorzaken heel ergens elders gezocht worden.
Dr. Colijn is de christen-staatsman, met een wereldreputatie, die elk ministerie ten onzent kan beheeren ; die zoowel voor financiën geschikt is als voor defensie, die binnenlandsche zaken kan beheeren, even goed als buitenlandsche zaken ; die voor koloniën geschikt is en ook minister van economische zaken zou kunnen zijn ; die net zoo gemakkelijk in Geneve spreekt, als in Den Haag een redevoering houdt, die Indië door en door kent en weet wat er in Nederland, op elk gebied, zich afspeelt en wat hier noodig is.
Dr. Colijn is een staatsman bij de gratie Gods ; een man van geloof en kracht ; een ridder zonder vrees en blaam ; een geboren leider, wiens beteekenis veel verder reikt dan tot een deel van ons volk ; veel verder dan tot de grenzen van ons Vaderland of de Nederlandsche gebieden in Oost- en West-Indië. Een staatsman van superieure beteekenis, die, vast in beginseltrouw, overal weet te spreken met kennis van zaken ; terwijl van hem altijd een saambindende kracht uitgaat, nationaal en internationaal.
Colijn is een man uit één stuk. Zoo heeft God hem gesmeed. Een christen, diep afhankelijk zich wetend van zijn God. Zoo maakte en vormde hem de Heere, die héél zijn leven zoo wonderlijk leidde.
Het Nederlandsche volk in zijn geheel is het volk, dat Colijn liefheeft en wenscht te dienen, totdat hij als een kaars is uitgebrand. Calvijn's levensspreuk heeft hij hierin tot de zijne gemaakt.
Op den verjaardag van dr. Colijn, die door Gods goedheid nu 70 jaar mag worden, willen wij hem heel hartelijk gelukwenschen. En onze bede is, dat de God de Vader van onzen Heere Jezus Christus hem bij voortduring schenken mag alles wat hij voor hoofd en hart noodig heeft en dat onze goede God hem telkens weer en telkens meer in den eenigen troost van een arm zondaar mag doen deelen, die Jezus Christus mag kennen als zijn Borg en Middelaar, als zijn Heiland en Koning.
In des Konings dienst vergrijsd, deele dr. Colijn als des Konings dienaar in des Konings gunst, nu en tot in eeuwigheid.
En, door God gezegend, moge hij nog vele jaren tot zegen zijn voor Volk en Vaderland, staande aan de rechterhand van Hare Majesteit onze geëerbiedigde en geliefde Koningin, in wier gunst dr. Colijn mag deelen.
Ons volk vertrouwt dr. Colijn, met zijn „vaderlijke stem" méér, dan iemand anders. De Heere late hem ons nog tot in lengte van dagen, hem genade en eere .gevend, naar Zijn welbehagen.

DE CLASSICALE VERGADERING (II).
We krijgen dus eerst: Bestuursverkiezing. (Wat zot klinkt dat in de Kerk van Christus! Erger nog : hier openbaart zich onze hoogmoed, dat wij het beter willen weten dan God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, en dat wij de ambten, van Christus gegeven, verachten, en onze wijsheid en sterkte zoeken in onze eigene ordeningen, die in strijd zijn met Gods Woord). Maar wij doen toch trouw mee aan die Bestuursverkiezing, omdat de Synodale besturen-organisatie over ons gebracht is, niet los van de zonden van onze Vaderen en van ons ; en omdat we alleen in den ordelijken weg verwachten mogen, dat er, op Gods tijd, verandering zal komen. Wij verachten ook in deze niet den weg der middelen !
Van de Voorstellen, die dit jaar om ons advies vragen, hebben we het eerste : „om gedingen te voorkomen of bij te leggen", besproken. We willen nu een enkel woord zeggen over het tweede Voorstel, rakende „de godsdienstonderwijzers", waarbij meer en meer onderscheid gemaakt moet worden tusschen degenen, die godsdienstonderwijzer zijn en degenen, die zich maar godsdienstonderwijzer noemen, terwijl ze het inderdaad niet zijn. De godsdienstonderwijzers met een kerkelijke aanstelling en de godsdienstonderwijzers „op eigen houtje".
Verleden jaar is hierover ook reeds gesproken en beraadslaagd, maar de zaak is toen wel behandeld, maar niet afgehandeld. Vandaar dat dit Voorstel No. 2 nu behoort tot het Classicaal menu.
Het gaat er nu voornamelijk om : wie mogen optreden in een godsdienstoefening.
De voorgestelde wijzigingen luiden aldus ; „De door een Kerkeraad tot godsdienstonderwijzers aangestelden, die als zoodanig onder zijn toezicht werkzaam zijn, hebben de bevoegdheid om in de Gemeenten, waarin zij aangesteld zijn of in een andere Gemeente in openbare godsdienstoefeningen bijbellezingen te houden, doch alleen met uitdrukkelijke toestemming van den betrokken predikant of de betrokken predikanten.
Deze bevoegdheid kan ook worden toegekend aan zendelingen of aan degenen, die — en voor zoolang zij — vereenigingen of stichtingen op het gebied van in- of uitwendige zending, evangelisatie en Christelijke philanthropie vertegenwoordigen en in 't bezit zijn van de acte tot het geven van godsdienstonderwijs. Hun bestuur richt zich met het verzoek daartoe tot de Algem. Synodale Commissie, die — het Prov. Kerkbestuur en het Classicaal Bestuur, waaronder dat bestuur ressorteert, géhoord — over het verzoek beslist".
„Nog worden bij het examen voldoende proeven gevorderd van geschiktheid tot het geven van onderwijs in tegenwoordigheid van minstens twee leden van het Classicaal Bestuur en moet de examinandus uiterlijk één maand vóór het examen een bijbellezing van zijne hand inzenden bij den Scriba van het Classicaal Bestuur. De Scriba doet deze bijbellezing ter kennisneming onder de leden van het Classicaal Bestuur rondgaan".
„De in art. 11 van het Reglement op het godsdienstonderwijs bedoelde personen, mogen in een vacante Gemeente in eene openbare godsdienstoefening een bijbellezing houden, echter alleen met de uitdrukkelijke toestemming van den praetor van den Ring en den betrokken Kerkeraad.
De „aangestelde" godsdienstonderwijzers zullen dus bij gelegenheid in een openbare godsdienstoefening een bijbellezing mogen houden ; doch alleen met uitdrukkelijke toestemming van den predikant.
Ook Zendelingen mogen datzelfde doen. Ook mannen, die officieel een of andere landelijke Vereeniging of Stichting vertegenwoordigen en een acte van godsdienstonderwijzer bezitten (we denken aan diaconen van Heemstede, vertegenwoordigers van Zendings Corporaties, reizende agenten van Evangelisatievereenigingen, enz.
Zoo krijgen we ten minste eenige orde en regel bij dit werk !
In vacante gemeenten zal men de toestemming van den praetor van den Ring èn van den Kerkeraad moeten hebben.
Wij adviseeren : vóór te stemmen. Vooral omdat nu voorzien is in het bezwaar van verleden jaar, dat vertegenwoordigers van Vereenigingen of Stichtingen op het gebied van Inwendige en Uitwendige Zending, Christelijke Philanthropie, enz., de dupe zouden worden.
Het derde en laatste Voorstel luidt : „Predikanten, die na de inwerkingtreding van dit Reglement (op de Kas tot aanvulling van het Rijksemeritaatspensioen) emeritus worden, vóór dat gedurende 20 jaren voor of door hen aan deze Kas is bijgedragen, storten, indien zij in het genot wenschen gesteld te worden van eene uitkeering, zoolang, tot de 20 jaren vol zijn, jaarlijks een persoonlijke bijdrage, waarvan het bedrag wordt bepaald als in de vorige alinea is aangegeven".
Dit Voorstel is noodig, omdat de toestand van de Kas tot aanvulling van het Rijksemeritaatspensioen het noodig heeft ! Die toestand is niet zoo rooskleurig. En het laat zich aanzien, dat het aantal emeriti predikanten, dat ten laste der Kas komt, gestadig zal toenemen en tot 1953 nog voortdurend zal stijgen. Door invoering van den voorgestelden maatregel hoopt de Pensioenraad het gevaar van procentsgewijze verlaging der „aanvulling" in de eerstvolgende jaren zooveel mogelijk te kunnen bezweren.
Men voelt het wel : de nood dringt tot dit Voorstel.
Daarom ! noodgedwongen zullen wij vóór adviseeren.
Zal dit nu het laatste zijn van het Classicaal menu ? Natuurlijk zal de Classicale Zendingscommissie aan het woord komen. En veelszins wordt er door die Class. Zendingscommissies uitnemend werk verricht.
Ook zal de nieuwe Zuiderzee-polder wel ter sprake komen. Wij adviseeren onze leden aandacht aan deze belangrijke aangelegenheid te geven. De zaken zullen nu zéér zeker geheel anders komen te staan dan in Noord- Holland met de Wieringermeer-polder, waar de Vrijzinnigen geheel de leiding hadden. Trouwens ook daar is inmiddels reeds allerlei uitnemend werk verricht door hen, die den Naam van Christus belijden, dat nu en in de toekomst tot zegen kan zijn. Kerkelijke arbeid, vereenigingswerk, schoolstichting en - uitbreiding, enz., zijn daar reeds lang aan de orde. De orthodoxen moeten dit niet uit het oog verliezen — wat de Vrijzinnigen wel zouden willen, maar wat we toch niet moeten doen.
Over de Noord-Oost-Polder laten we een afzonderlijk artikeltje volgen.
Waarschijnlijk zal op de komende Classicale Vergadering ook wel een of andere motie ter tafel komen, inzake de wijze van invoering („aanbieding" heet het) van het nieuwe Kerkboek, bijzonder wat aangaat het nieuwe Gezangenboek. Men zal de Class. Vergaderingen willen laten uitspreken : dat de Synode geen recht heeft een nieuw Gezangenboek zoo maar in te voeren, zonder de Kerk gehoord te hebben.
Wij kunnen dit bezwaar deelen. Maar wij weten allen wel, dat de Vervolgbundel, waaruit zeer velen zingen, óók door de Synode is ingevoerd, terwijl de Oude bundel op andere wijze is ingevoerd en algemeen geoordeeld wordt veel slechter te zijn met al dat rationalistisch en humanistisch gedoe, dat een schande is voor onze Hervormde Kerk. „De deugd, o ja ! ik vind ze schoon, zij strekt zichzelve ten grooten loon, ik volg haar pad met vreugd en moed". (Gez. 74 vs. 2).
En dat is maar één voorbeeld, uit de vele ! Dat zoo'n bundel verdwijnt, kan niemand tot droefenis zijn.
Jammer, dat heel deze aangelegenheid van het Kerkboek zoo vertroebeld is, terwijl de vragen en de wenschen blijven in de Kerk van Christus, die zich den Naam van Christus niet mag schamen noch in de prediking, noch bij de Sacramentsbediening, noch in 't gebed, noch in het lied.
Of men méér zaken nog op de Classicale Vergaderingen zal ter sprake brengen, weten we niet. Het menu is dit jaar nog al mager ! Wij hopen, dat er nochtans van onze Classicale Vergaderingen nog een zegen mag uitgaan. Hoemeer het Woord Gods in het midden mag staan en het gebed mag vermeerderen, hoe beter het zijn zal. Des Heeren is de sterkte !
Voor Kerk en Volk zou het zoo'n groote zegen zijn, wanneer de Heere in ons midden mocht wezen met Zijn Woord en Geest. En Hij wil gebeden worden, om Zijn zegeningen.

DE BETEEKENIS VAN DE KERKORDE
„Hoewel het nuttig en goed is", zegt Art. 32 van onze Ned. Geloofsbelijdenis, „dat zij, die Regeerders der Kerk zijn, onder elkander zekere ordinantie stellen en bevestigen, tot onderhouding van het lichaam der Kerk zoo zullen zij zich wel moeten wachten af te wijken, van hetgene ons Christus, onze eenige Meester, geordineerd heeft".
Het is dus nuttig en goed, dat de Regeerders der Kerk, dat zijn de ambtsdragers, i de wettige kerkelijke vergaderingen, in hoogste instantie in de vergadering van de Algemeene Synode (naar de beginselen van het Geref. Kerkrecht samengesteld) een Kerkorde opstellen, die dan ook moet worden nageleefd.
Maar Art. 32 zegt : dat zij, die als ambtsdragers in den Naam en op last van Christus handelen, daarbij niet mogen afwijken van hetgeen Christus, onze eenige Meester, Zelf geordineerd heeft. Wij mogen de ordeningen Gods niet omkeeren. Dat is hoogmoed. Dat is zonde. Dat is ongehoorzaamheid. Dat is dwaasheid. En dat maakt juist, dat we het leven der Kerk, dat in den weg van Gods ordeningen goed gaat in den weg van onze dwaze, hoogmoedige, zondige ordeningen bederven, zoodat het dan slecht en verkeerd gaat.
Ook de Kerkorde staat in verband met onze geloofsovertuiging ! En als we de orde van het leven der Kerk mogen zien bij het licht van Gods Woord, zullen we ook niet anders begeeren dan een Kerkorde te mogen hebben, die naar Gods Woord is.
Elke goede Kerkorde is uitvloeisel van onze geloofsovertuiging.

HET ZUIDERZEEGEBIED De Noord-Oostelijke Polder
Van Urk naar de Lemmer, Blokzijl, Vollenhove. Zwartsluis, Genemuiden, Kampen, naar Urk — zal zich straks de Noord-Oostelijke Polder uitstrekken
Van Urk naar Vollenhove zal een hoofdweg loopen, die gesneden wordt door een hoofdweg van de Lemmer naar Ramspol (bij Kampen). Aan het snijpunt van deze twee groote wegen, in het hart van de Polder, zal een nieuwe Gemeente worden gesticht, die we maar zullen noemen „Hoofddorp" (A). (Of zullen we deze nieuwe belangrijke Gemeente maar dadelijk Emmastad noemen ? ....)
Rondom die Hoofd-Gemeente komen vijf andere, kleinere Gemeenten : 1. tusschen Hoofddorp en Blokzijl ; 2. tusschen Hoofddorp en Kampen ; 3. tusschen Hoofddorp en Urk ; 4. ten Noorden van Urk ; 5. in de richting van de Lemmer. De Lemmer, Kuinre (dat zelve óók vergroot en uitgebreid zal worden). Blokzijl, Vollenhove, Ramspol en Urk, zullen grooten invloed kunnen uitoefenen op deze nieuwe Zuiderzee-polder.
De nieuwe Polder met zijn groote oppervlakte en zijn van het omliggende land afwijkende karakter, zal zich zeer sterk als een afzonderlijk gebied ontwikkelen. Deze ervaring is 'bij alle oudere groote polders en eveneens bij de Wieringermeer opgedaan. De bevolking voelt zich in de eerste plaats „polderbewoner", hoewel men natuurlijk niet los zal staan van de omgeving.
Hoofddorp (of zullen we zeggen : Emmastad ? ) zal gelegenheid moeten bieden straks tot koopen van de velerlei benoodigdheden, afzet van producten, financieele transacties, voortgezet onderwijs, ziekenhuisverpleging, enz. enz. En hier zal ook een belangrijk punt komen voor het kerkelijk leven, waarbij we natuurlijk bijzonder denken aan 't Hervormd kerkelijk leven, met kerk en pastorie, met vergaderlokalen, jeugdgebouwen, scholen enz- Ook het vereenigingsleven op landbouw-, cultureel-, sociaal gebied kan daar z'n zwaartepunt vinden.
Daarnaast zijn dan nog vijf, regelmatig om de hoofdplaats verdeelde kleinere dorpen ontworpen, die tot taak zullen hebben de verzorging van hetgeen meer tot de dagelijksche levensbehoeften behoort — waarbij wij hier ook dadelijk natuurlijk weer denken aan het kerkelijk- en het vereenigingsleven, de school niet te vergeten.
Op grond van een uitvoerige studie kan de verwachting worden uitgesproken, dat de Polder op den duur ongeveer 50 duizend inwoners zal kunnen krijgen, van wie ongeveer de helft op het platteland zal wonen en de rest in de dorpen.
Voor Hoofddorp wordt daarbij gerekend op ongeveer 10.000 inwoners. De vijf overige dorpen zullen ten slotte gemiddeld misschien 3000 inwoners tellen.
Omdat onze Hervormde Kerk hier zeer zeker een taak heeft te vervullen, noemen we deze dingen hier. Ze zijn zeker onze volle belangstelling waard.
Wellicht, dat er op de a.s. Classicale Vergadering ook over deze dingen gesproken wordt.

DE VRIJZINNIG HERVORMDEN EN DE REORGANISATIE. (4)
Belijdenis en tucht. Nu komen „de voetangels en klemmen" ; „het groote struikelblok". Want naast en na de Kerkorde — heeft men de belijdenis-kwestie. In het 3de hoofdstuk van zijn brochure spreekt ds. Bakker hierover. Er staat boven : „Belijdenis en tucht".. En hij schrijft dan : „Er wordt vooral door de Confessioneelen gezegd, dat de tegenwoordige Kerkorde onwettig is. Koning Willem I zou in strijd gehandeld hebben met de Gereformeerd-Protestantsche Kerkopvatting. Daarom moet het Synodale juk zoo spoedig mogelijk afgeworpen worden. Het is nu niet meer dan een genootschap. De Ned. Hervormde Kerk kan als Kerk niet spreken, heeft geen mond en kan dus ook niet belijden".
Wij veroorloven ons hier een kleine tusschen-opmerking. Onze Ned. Herv. Kerk is geen genootschap. Maar men heeft aan de Hervormde Kerk, die Kerk is en Kerk blijft, wederrechtelijk een vereenigings-besturenstelsel willen opleggen. Door dit besturenstelsel is echter de Kerk geen genootschap geworden. Men zou dat wel willen, maar het is niet zoo. En daarom moet de Ned. Hervormde Kerk ook alles doen wat mogelijk is, dat het besturen-apparaat zoo spoedig mogelijk verdwijnt. De Kerk moet weer haar kerkelijke ambten, haar kerkelijke belijdenis, haar kerkelijke vergaderingen, haar kerkelijk leven vrij en frank terug krijgen, waarop zij recht heeft.
Als ds. Bakker dan ook verder met het „genootschap" werkt, dan is dat principieel een misverstand. Het tweeslachtige in onze Hervormde Kerk moeten we erkennen en dan alles doen om hetgeen niet bij de Kerk past, weg te krijgen ; en niet omgekeerd handelen: dat we( om de wille van de Synodale-besturen-organisatie de Kerk laten wegsterven !
Ds. Bakker schrijft dan : „maar als de Kerk dan geen Kerk is onder het Synodale juk" (wat zij wèl is, zeggen wij) „en als de Kerk dan geen mond heeft, moet men haar ook nu niet willen laten spreken".
Dat zou iets fraais worden ! Wanneer men iemand een prop in de mond gestopt heeft, opdat men makkelijk met stelen voort kan gaan, moet de gebondene ook maar niet probeeren geluid te geven ! Daarvoor heeft men hem (of haar) immers de prop in de mond gestopt ?
„De reorganisatie-mannen van 1937 wilden de Kerk toch laten spreken ; want zij koppelden aan de reorganisatie van de Kerkorde bepaalde belijdenisschriften vast, en lieten aldus die onmondige Kerk toch spreken". „Daarin lag dan ook de voornaamste oorzaak der verwerping. Het staat dan ook voor ons vast, dat reorganisatie-wenschelijkheden slechts werkelijkheid zullen kunnen worden, wanneer men deze twee dingen (n.l. Kerkorde en belijdenis) los van elkander maakt", (blz. 10).
Ds. Bakker kan hier aanhalen wat de heer Haagsma, van Tuindorp-Vreewijk (Rotterdam-Zuid) in „de Geref. Kerk", het orgaan 'Van de Confessioneelen, schreef. Daar lezen we : „Als uit dat Ontwerp van 1937 werden weggenomen de artikelen, waarover niet voldoende instemming werd verkregen, dan is er na enkele aanvullingen een weg geopend voor parochie-vorming". „Uit het Ontwerp zou geschrapt dienen te worden, alles wat betrekking heeft op de leer, de moderator, de ringen en de bevoorrechting der Waalsche Gemeenten". (3 Nov. 1938).
Ds. Bakker zegt : „Wij zullen dus eerst de Kerkorde moeten hervormen, aan onze Kerk een mond moeten geven en dan pas, daarna, zal de Kerk in haar nieuwe Constitutie aan het werk kunnen gaan om tot een belijdenis te komen voor dezen tijd", (blz. 11).
Dat lijkt intusschen mooier dan het is. Want het is toch onmogelijk, dat bij alles dan gedaan wordt alsof de Hervormde Kerk geen belijdenis heeft; en alsof men dan straks het recht zou hebben „een belijdenis voor dezen tijd" te gaan opstellen !
Ds. Bakker voelt de moeilijkheden ook wel, en wil dan probeeren den dans toch te ontspringen. Hij schrijft : „Intusschen kan natuurlijk in een Algem. Reglement over de belijdenis niet gezwegen worden. En wij herhalen daarom nog eens met nadruk, dat wij volgens ons Beginselprogram er geen bezwaar tegen hebben, dat wezen en taak der Kerk o.m. tot uiting komen in Symbolische en liturgische geschriften".
Dus zou ds. Bakker dan toch goed vinden, dat de Hervormde Kerk, die haar eigen symbolische en liturgische geschriften heeft, deze ook zal houden en dat we daarvan zullen uitgaan bij alle verdere besprekingen ?
Luister maar, dat hij daarover heel anders denkt dan wij.
„Het woord „historische", dat er aan was toegevoegd, was voor ons het on-aanvaardbare, omdat ons dat tot in lengte van dagen aan de 3 Formulieren van Eenigheid kwam binden, die daarmee tevens tot norm bij leertucht "werden".
„Er zou voor ons een overwegend bezwaar vervallen", aldus ds. Bakker, „als men het b.v. zóó formuleerde, dat er kwam staan : „ de zorg voor het belijden, opdat zij (n.l. de Kerk) steeds meer en beter tot uitdrukking brenge de waarheid van het Evangelie van Jezus Christus, waaraan symbolische en liturgische geschriften mede dienstbaar behooren te worden gemaakt".
We zouden dus de symbolische en liturgische geschriften, die het eigendom der Hervormde Kerk zijn, eenvoudig opzij moeten zetten en de nieuw gereorganiseerde Hervormde Kerk zou dan aan 't werk moeten gaan om „de waarheid van het Evangelie van Jezus Christus, meer en beter tot uitdrukking te brengen !" Natuurlijk is er van „naar de Schriften" geen sprake. Het zou een werken moeten zijn op eigen initiatief en met eigen kracht, om een belijdenis voor dezen tegenwoordigen tijd in elkaar te zetten"
Zelf voelt ds. Bakker (eind blz. 11), dat er dan een soort „luchtledig" zou ontstaan, gedurende den tijd, dat de Kerk zich over haar moderne belijdenis nog niet heeft uitgesproken. Het oude zou verdwenen zijn(!) en het nieuwe zou er nog niet zijn, dus een soort „luchtledig" zou er dan wezen
Maar dat kan natuurlijk niet. Dat voelt ds. Bakker ook wel. En nu komt hij tot de waarlijk geniale gedachte en tot het indrukwekkend voorstel: „De eenige oplossing hierbij zou dan een tijdelijk compromis moeten zijn". En wel op de basis van de tegenwoordige belijdenisvragen, met de woorden „geest en hoofdzaak" er bij, èn de proponentsformule, (blz. 11—12).
In het Algemeen Reglement zou dat moeten worden opgenomen, dat dat voorloopig de belijdenis van de Hervormde Kerk is de drie belijdenisvragen van Art. 39 Regiem. Godsdienstonderwijs (met de woorden „geest en hoofdzaak" er bij ! (èn de proponentsformule.
Ds. Bakker wil erkennen, dat hierin wel wat „risico" zit, maar dat risico moeten we aandurven !
Over deze geniale gedachte en dit indrukwekkend voorstel in een volgend artikel nog wat meer. .
(Wordt voortgezet.)

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (8)
Wormser wil er niets van hooren, dat men in ons land gaat spreken van „gedoopte Heidenen". Die gedoopten, ook al leven ze niet naar en bij en uit hun doop, zijn geen Heidenen ! Ze zijn en blijven gedoopten. En daar juist, bij hun doop, moeten ze aangegrepen worden en vastgehouden worden door allen, die God vreezen en Hem wenschen te dienen naar den eisch van hun weg.
„Onze natie dan is in haar geheel gedoopt. Zij is gedoopt in den naam van God : den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest.
Dit feit verliest door zijn algemeene bekendheid niets van zijn diepe beteekenis".
Zoo begint een nieuw hoofdstuk (het 5e), waarboven staat : „De troost van den doop geroofd door „bekrompenheid". De geloovigen mogen niets af doen van de beteekenis en de waarde van den doop. Zelf zijn ze gedoopt, en zij zijn niet anders gedoopt dan de anderen. „Indien zij dus trachten bij een neiging tot bekrompenheid aan den gemeenschappelijken doop z'n gewicht en waarheid te ontnemen, zouden zij tegen zichzelven en hun eigen doop strijden en zich berooven van den troost, dien zij daaruit mogen putten". Zij hebben er belang bij, niet dat de beteekenis van den doop wordt te niete gedaan, maar dat de doop in z'n waarheid en uitnemendheid, tot vertroosting der geloovigen en tot beschaming van onbekeerden, in het licht treedt !
„Het is met Gods genade-bedeelingen in vele opzichten als met Zijn handelingen in de natuur : hetgeen voor alle menschen volstrekt onmisbaar is, is in de ruimste mate voorhanden. „Het manna in de woestijn behoefde niet angstvallig gezocht, of uit verborgen plaatsen opgedolven te worden. Het werd in ruime mate geschonken en bedekte de oppervlakte der aarde. Met dat manna vergelijkt de Heere Jezus Zich (Joh. 6 vers 30—36) en zegt : „Mijn Vader geeft u dat ware brood uit den hemel".
Zullen wij nu dat ware brood wegnemen voor de gedoopte natie ?
Zullen wij nu de kinderen des Koninkrijks laten verhongeren ? Immers neen ! De Heere komt in zoo ruime mate met Zijn genademiddelen en deze zullen we niet mogen onthouden aan de gedoopte natie. Wij mogen de kinderen het manna niet onthouden".
„Zoo iemand omkomt, is het niet uit gebrek aan het ware brood, maar omdat men niet gelooft en het brood niet begeert". En die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, op die blijft de toorn Gods. De Verbondsongehoorzaamheid zal velen tot een vloek worden, waarom zij tot Verbonds-gehoorzaamheid moeten worden opgewekt.
„De gedoopte wordt in zijn doop", aldus Wormser (blz. 26) „aan alle zijden met de verzekeringen van Gods genade omringd : hij wordt er mede overgoten". En de Gereformeerde Kerk wil, dat de gedoopte in het opwassen hiervan breeder onderricht zal ontvangen, door de ouders eerst, en ook door anderen op allerlei manier.
„Dit onderwijs blijft echter veelal achterwege. Zelfs geven vele geloovigen aan hun kinderen en aan andere gedoopten een tegenovergesteld onderwijs, en spannen aan zich zelven en aan anderen strikken, door angstvallig te onderzoeken en nieuwsgierig te vragen voor wie Christus wel en voor wie Hij niet gestorven is ; of er velen of dat er weinigen zullen zalig worden en dergelijke Godonteerende vragen meer, bij een welgemeend aanbod van Gods genade".
„Als de kinderen slechts weinige dagen oud zijn, worden zij gedoopt, telkens met de betuiging, of op grond, dat de Heere niet minder voor hen, dan voor de volwassenen Zijn bloed vergoten heeft. Maar als diezelfde kinderen volwassen zijn, en zij als mannen en vrouwen de gemeente uitmaken, durft men die betuiging, over hen als zuigelingen uitgesproken, en welke men nog voortdurend over de kinderen uitspreekt, niet langer volhouden". En dan wordt niet zelden ook de beste predikatie als „algemeen" veroordeeld, omdat de prediker aan de volwassenen zegt, wat hij of zijn voorganger, hun reeds als kinderen, twintig of dertig jaar vroeger, bij den doop gezegd heeft : dat wij in Christus zijn geheiligd en dat ook ons de afwassching der zonden wordt toegezegd.
„Wanneer de mensch, nog kind zijnde, om niets vraagt of vragen kan en zich zelven niet bewust is, is men omtrent hem zeer mild en ruim, en wordt hij op de meest volledige wijze op den grondslag van alle noodige genade geplaatst. Maar als hij, nu volwassen zijnde, aan die genade behoefte gevoelt, wordt men omtrent hem zeer bekrompen. Dan trekt men een bedenkelijk gezicht en weet men niet of Christus voor hem wel gestorven is. En toch gaat men voort met de kinderen, en ook de kinderen van hen, die alzóó worden behandeld, te doopen, omdat zij „in Christus tot genade aangenomen worden" en „erfgenamen van het Rijk van God en van Zijn Verbond zijn".
„Inplaats dus van de kinderen, naarmate zij opwassen, in de leer des doops te onderwijzen, keert men de zaak om, en leert men hun hun doop in z'n beteekenis en kracht betwijfelen ; en de genade van God in Christus geheel en al onzeker stellen".
„Wat bij hun doop zeker was, wordt naarmate zij opwassen, onzeker !"
En zoo ontneemt men al voortgaande alle troost aan den doop.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's