De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Raad Gods.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Raad Gods.

Calvijn.

7 minuten leestijd

Calvijn. (VIII).
Bij Calvijn zullen we natuurlijk wat breeder moeten stilstaan. Degenen die in 't bezit zijn van de Institutie van Calvijn, kunnen we aanbevelen om eens te bestudeeren, wat Calvijn er van gezegd heeft. Hij handelt er over in boek I, caput 16—18 en in boek II caput 4 en in boek III cap. 21—24.
Laten we eens in het bijzonder letten op hetgeen Calvijn in boek I caput 16 heeft geleerd. Hij wil er niet van weten om God den Heere maar tot een ongedurigen en tijdelijken Schepper te maken, die voor eenmaal Zijn werk heeft volbracht en er nu Zijn hand van zou hebben afgetrokken.
Na gewezen te hebben op de schoone uitspraak in Hebr. 11 vs. 3 : „Door het geloof verstaan we, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzoo, dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden", zegt hij, dat het geloof gewis en zeker nog hooger moet opklimmen.
Het moet verstaan en begrijpen, dat hij, die de Schepper is van alles, ook degene is, die alles regeert en onderhoudt.
Door een bijzondere voorzienigheid komt Hij elk ding, wat geschapen is, te voeden en te verzorgen. Hij wijst op hetgeen geschreven is in Matth. 6 vers 26 en 10 vers 29, en in Psalm 33 vers 6 en 13.
Met aangrijpende voorbeelden weerlegt hij de Epicureërs, die de leer van het toeval stellen tegenover de Schriftuurlijke leer van de voorzienigheid Gods.
Het vallen onder de moordenaars, het verscheurd worden door de wilde dieren, het schipbreuk lijden, het bedolven worden onder een instortend huis, uitkomst in den nood, gered te worden van de gevaren van den dood, die zoo vlak bij was, ziet, de Epicureërs schrijven dit alles toe aan het toeval of aan het geluk.
Maar degenen, die door Christus zijn onderwezen, weten, dat er een hoogere oorzaak is. In den breede spreekt hij over de zon en over hare verlichtende en verwarmende werking, over al den zegen, die ze verspreidt, maar toch wijst hij er bovenal op, dat ook die zon eigenlijk maar een instrument is, hetwelk de Heere gebruikt om zooveel zegen te verspreiden.
In dit alles betoont zich de Heere als de Almachtige. Van een ledige almacht Gods, zooals de Sophisten leerden, wil Calvijn natuurlijk niet weten. Hij wordt almachtig genoemd, niet omdat Hij wel machtig is alles te verrichten, maar nochtans ondertusschen zou ophouden te werken en nu zou stil zitten. Neen, maar almachtig, omdat Hij altoos wakker, krachtig, werkzaam en bezig is.
In Psalm 115 vs. 3 zegt de dichter, dat de Heere doet, al wat Hij wil.
Terecht merkt Calvijn op, dat hiermede een zekere en voorbedachte wil aangeduid wordt, 't Gaat niet aan om te leeren, dat God alleen maar het begin en de oorzaak van alle beweging is. Neen, Hij is ook de voortgang. Het gouvernement Gods breidt zich uit over al Zijn werken.
Calvijn wijst er op, dat zelfs de sprakelooze kinderkens aan de moederborst welsprekend genoeg zijn om Gods heerlijkheid te verbreiden. O, wat geeft het geloof aan de almacht Gods een rijke troost aan het ware volk van God. In Zijn bescherming kunnen ze gerust zijn. Alle bezwaren en schadelijkheden, die ze te vreezen hebben, zijn immers aan Hem onderworpen. De satan en al zijn helsche trawanten worden als met een toom door Hem bedwongen.
Een geloovige is eigenlijk bij geloovig bevreesd, indien hij, zoo dikwijls de menschen hem met eenig onheil bedreigen, beangst en bevreesd wordt, alsof ze uit zich zelf kracht hadden om ons te beschadigen en alsof er bij den Heere geen bescherming te vinden was. In Jeremia 10 vs. 2 waarschuwt de profeet, dat Israël zijn geluk toch niet zal verwachten van de gesternten, maar alleen van den wil Gods.
Neen, God de Heere zit niet werkeloos in den hemel. Hij ziet niet ledig toe, maar Hij regeert en beschikt alle uitkomsten.
De voorzienigheid Gods bestaat dus zoowel in het werken als in het zien.
In Genesis 22 vs. 8 laat de Heere ons dit duidelijk in Zijn Woord zien. Want toen Abraham tot Izaak zeide, dat de Heere het voorzien zou, zoo wilde hij met die woorden niet te kennen geven, dat God wist wat er gebeuren zou, maar hij wilde ook de zorg voor de hem toen nog onbekende zaak in den wil Gods stellen.
Calvijn wijst hier reeds met alle beslistheid af de meening van hen, die meenen, dat wij in den Raad Gods enkel met voorwetenschap te doen hebben.
Hij zegt voorts, dat er wel menschen zijn, die de goddelijke regeermacht erkennen, maar die alleen op de natuur betrekken. Zij willen echter niet erkennen, dat God een iegelijk schepsel in 't bijzonder bestuurt.
De voorzienigheid Gods zou dan niet beletten, dat de mensch zich naar het vrije goeddunken van zijn wil zou kunnen wenden, waarheen hij maar wil. De mensch zou tenslotte zijne daden en handelingen besturen naar den raad van zijn eigen wil.
Calvijn verzet zich tegen allen, die leeren, dat God alleen maar in het bovenste deel van de lucht zou heerschen en dat de dingen hier beneden op de aarde aan het toeval zouden zijn overgelaten.
Hij klaagt er over, dat er in zijn dagen zoo velen gevonden werden, die God met den mond tot regeerder der wereld maakten, maar die met de daad aan Hem die regeering ontnamen.
We zien, dat Calvijn in zijn dagen stuit op den zelfden tegenstand als in onze dagen. Op het terrein van het natuurlijke leven wil men Gods Raad nog wel eerbiedigen. Maar als we toekomen aan het terrein van het zedelijk leven, dan wil men van het Koningschap Gods niet meer weten.
Wel heeft' Calvijn een open oog voor teksten als Joh. 5 VS. 17 : Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook, en Hand. 17 vs. 28 : In Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook eenigen van uwe poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook zijn geslacht, en Hebr. 1 vs. 3 : Dewelke, alzoo Hij is het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, enz.
Hij erkent wel, dat elk van de geschapene dingen door een verborgen inwerking van de natuur bevlogen wordt, alsof ze een eeuwig gebod gehoorzaamden, mits men maar niet de bedoeling heeft om de bijzondere voorzienigheid Gods betreffende een ieder ding, te verduisteren.
Daarom gaat Calvijn bewijzen, dat God alle gebeurtenissen en uitkomsten regeert en beschikt naar Zijn eeuwigen raad en dat er op deze aarde niets bij toeval geschiedt.
Hij wijst er op, hoe ook in de natuur niet altijd precies dezelfde orde en regelmaat is te aanschouwen.
Nu eens is 't buitengewoon heet, dan weer koud. Nu eens hebben de akkers te lijden van de hitte, dan weer vallen er geweldige slagregens. In dit alles openbaart zich de Heere met Zijn zegen zoowel als met Zijn vloek en Zijn oordeelen.
In Matth. 10 vs. 29 zegt Christus, dat er zelfs geen muschje op de aarde valt, zonder den wil des hemelschen Vaders. Maar als dan het vliegen van de vogelen door den raad Gods wordt geregeerd, zoo moeten we met den profeet bekennen, dat Hij alzoo in de hoogte woont, dat Hij zich ook vernedert om op te merken op al hetgeen in den hemel en op de aarde geschiedt.
In Jer. 10 vs. 23 lezen we : Ik weet, o Heere, dat bij den mensch zijn weg niet is en het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.
En in Spr. 20 vs. 24 : De treden des mans zijn van den Heere, hoe zou dan een mensch zijn weg verstaan, en in Spr. 16 vs. 1 wordt duidelijk gezegd : De mensch heeft schikkingen des harten, maar het antwoord der tong is van den Heere.
Calvijn noemt het een belachelijke dwaasheid, dat de nietige mensch iets meent te kunnen doen zonder God, omdat hij zelfs niets kan uitspreken, dan hetgeen God wil, dat er gesproken wordt.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Raad Gods.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's