UIT DE HISTORIE
Iets over den oorsprong en de geschiedenis der Waldenzen.
II.
De armen van Lyon. Na hun verbanning uit Lyon trachtten Waldus CS. te Rome recht te verkrijgen. Met klem konden zij namelijk betoogen, dat zij niets tegen de kerk wilden ondernemen. Alleen tegen insluipend bederf ging hun protest. Een openlijke breuk met de kerk wilden zij beslist vermijden.
Drie jaar later (in 1179) werd der Waldenzen zaak op het derde Lateraansch concilie behandeld. Hun werd toen verlof verleend, om overal te mogen prediken, mits de plaatselijke geestelijkheid daartoe haar toestemming gaf. Practisch kwam een en ander neer op een algemeen verbod, want allerwegen heerschte het traditioneele geloof, dat de „nieuwlichterij" niet naast zich duldde.
Toen men ook te Lyon Waldus geen verlof tot de verkondiging van het Evangelie gaf, was voor hem het tijdstip aangebroken, waarop hij zijn eigen weg ging, getrouw aan het woord : „Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de menschen".
Waldus stond niet alleen. Zijn optreden ontketende een heele volksbeweging. Velen wilden uit eigen overtuiging in volkomen armoede leven, meenende op deze wijze te handelen overeenkomstig Gods getuigenis en wil.
Weldra werd het geklank des Evangelies in heel Zuid-Frankrijk vernomen. Hoeveel moeilijkheden men de opkomende reformatorische beweging ook in den weg leggen wilde, — men kon haar opmarsch niet stuiten. Men mocht de Waldenzen als een troep oproerkraaiers brandmerken, — de breuk met Rome was niet te keeren. Tijdens het Concilie van Verona in 1183 werden de Waldenzen en hun leer officieel geoordeeld.
Daar het uitermate bezwaarlijk was, om gedurende de vervolgingen, waaronder de Waldenzen van nu aan meer dan ooit te lijden hadden, het verband te bewaren, moest Waldus het aanzien, dat zijn aanhangers weldra over heel Europa verspreid waren. „De Armen van Lyon" werden gezonden als schapen te midden der wolven. Zoo drongen ze door tot den Elzas, tot Lotharingen, Zwitserland, Duitschland, Spanje en Italië.
Veel zegen hebben de Waldenzen allerwegen verspreid. Als kooplieden, die allerlei waar aan den man trachtten te brengen, boden zij ook een schat aan van onberekenbare waarde : het onvervalschte Evangelie. Bij velen werden de vreemde kooplieden gaarne geziene gasten. Hun aanhang werd op den duur van dien aard, dat men wel gezegd heeft: „Een Waldenzer kan van Milaan tot Keulen trekken, en eiken nacht bij een anderen geloofsgenoot slapen". Wel een bewijs, hoevelen er ook in het Rijndal destijds de leer der Heilige Schrift hadden aanvaard !
Het zou ons te ver voeren, wanneer wij hier wilden uiteenzetten hoe breedvertakt de Waldenzer-beweging ten slotte geworden was. Men zij er echter van overtuigd, dat ze niet een eendagsvlieg was, zooals met meerdere secten en groepjes in die dagen soms wel het geval was, maar een krachtige gemeenschap, die vast besloten was, om zich van het juk der Roomsche hiërarchie te bevrijden. Het Woord van God was voor hen onvoorwaardelijk de eenige regel des geloofs, en zij voelden het als hun plicht, dat Woord overal te doen prediken.
Ten einde den Waldenzen de wind uit de zeilen te nemen, stelde Rome een tweetal bedelorden in, om eenig tegenwicht te bieden aan de door hen beleden beginselen. Het waren de „Armen van Assisi" en de „Predikheeren".
Over het algemeen waren de woordvoerders der Waldenzen goed onderlegd. Een school-opleiding ging aan hun openbaar optreden vooraf, en vooral hun kennis van den Bijbel was gedegen. Een groot gedeelte van het Nieuwe Testament leerden zij uit het hoofd.
Verschilden de Waldenzen in levenshouding al veel van Rome, — ook in dogmatisch opzicht bestaat er menig onderscheid in visie op en waardeering van onderscheidene punten. Zoo verwierpen de Waldenzen het vagevuur ; de mis ; 't kwellen van zich zelf ; de aanroeping van heiligen ; de Maria-vereering, enz.
Vreeselijke vervolgingen.
De wijze, waarop de Waldenzen hebben moeten lijden, tart alle beschrijving. Tienduizenden zijn er in Frankrijk vermoord tijdens de kruistocht van 1208. Slechts weinigen zijn aan de slachting, die toen bijna algemeen was, ontkomen. Het bloed der martelaren was echter ook hier het zaad der kerk, daar dei overgebleven kernen de oorsprong waren voor de vele gemeenten, die in de 14e en 15e eeuw zijn opgekomen.
Veelal hebben de Alpen, die uiteraard moeilijk toegankelijk zijn, den Waldenzen als schuilplaats gediend.
Toch hebben hun dikwijls schier onbereikbare oorden niet kunnen verhinderen, dat de vervolgingen ook tot daar doordrongen.
In 1312 werd te Pinerolo een vrouw levend verbrand. Zij was de eerste van de ontelbaar vele menschen, die eenzelfde lot hebben ondergaan.
Op beestachtige manier werden vrome lieden soms door beulen, die door de Waldenzer dorpen reisden, afgemaakt. Overal vloeide bloed, en stonden er huizen in brand. Vele Waldenzen, die vluchtten, stierven onderweg van koude en ontbering. „Domini canes", „speurhonden van God", werden de tirannen genoemd. Eens kwamen o.m. 80 kinderen in de sneeuw om. Het was toen juist Kerstnacht
Ook in de 15e eeuw duurde de strijd tegen de Waldenzen voort. Met name Karel I, de Hertog van Savoye, ondernam in 1484 een inval in de valleien, die echter in zijn nadeel afliep. Ondanks hun primitieve middelen, vochten de Waldenzen als leeuwen. Na de geleden nederlaag was de Hertog tot onderhandelen bereid, en al waren de voorwaarden niet in alle opzichten aannemelijk, — toch waren de Waldenzen tot een compromis bereid. Verscheidene jaren na dien heerschte er dus vrede in de valleien, die onder heerschappij stonden van genoemden Karel I.
Andere valleien, waar ook Waldenzen woonden, behoorden tot het gebied van den Koning van Frankrijk. Ook deze zocht de ketters uit te roeien. De Waldenzen werden door Karel VIII als kinderen des verderfs beschouwd, en op 6 Maart 1488 ondernam deze Koning een kruistocht, welke onder bevel stond van Cattanea. Toen de bewoners der valleien zijn komst vernamen, schreven zij hem een brief van den volgenden inhoud :
„Wij zijn trouwe onderdanen des Konings en echte Christenen. Onze graven, die, zooals gij weet, bekend staan als zuiver in leer en leven, zijn bereid, om te bewijzen, dat ook wij Christelijk en eerlijk leven, en dat we lof verdienen, inplaats van vervolging. Rijkdom, weelde, dorst naar bezit, waarnaar het verlangen van onze vervolgers uitgaat, zijn bij ons onbekend. We vertrouwen op God ; we trachten Hem meer te behagen dan de menschen ; en wij vreezen niet voor hen, die wel het lichaam kunnen dooden, maar niet de ziel".
De bevelhebber stoorde zich echter niet aan deze opmerkingen, en hij bejegende deze helden des geloofs op de vreeselijkste wijze. Velen zwoeren onder de schrikkelijkste omstandigheden hun geloof af, doch keerden weldra onder openhartige betuigingen van spijt over hun afval weer tot de zuivere belijdenis terug. In enkele valleien waren, de Waldenzen totaal uitgemoord. Zonder pardon werden velen, die op de bergen ontkoming gezocht hadden, in den afgrond geworpen.
Treurig en diep ellendig zijn de tafereelen, die zich onder de Waldenzen in de eeuwen en jaren vóór de Hervorming hebben afgespeeld. Hun geschiedenis is er een van bloed en tranen, maar ook getuigen de bladzijden van hun historieboek van fiere geloofskracht, die respect afdwingt van een ieder, die zich na honderden jaren in hun geschiedenis verdiept. Hun Christendom was waarlijk heldendom !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's