WAT CALVIJN ONS LEERT
Geloof en geloof.
De gelijkenis van den zaaier wijst op verschillende werkzaamheden of uitingen van het zieleleven in verband met het gehoor des Woords, immers een zaaier ging uit om te zaaien, het zaad is het Woord.
Zij noemt verschijnselen, die een schijn van waarheid hebben, zonder nog waarachtig geloof te zijn. Het Woord schijnt wortel geschoten te hebben, maar de wortel blijkt niet levend te zijn, zegt Calvijn. De gelijkenis zelf spreekt van de goede aarde, van het zaad, dat in de goede aarde valt. Daarmede wordt niets goeds van den mensch gezegd, alsof de zieleakker als zoodanig goed zou zijn, maar van de toebereide aarde, het werk van den hemelschen Landman door Zijn Geest.
Alle vormen van schijngeloof — daarop wijst Calvijn — zijn geveinsd. De belijdenis spreekt van hypocrieten. Calvijn vergelijkt degenen, die op den schijn roemen, bij duivelen, omdat ook deze een zekere wetenschap van God hebben, welke niet tot bekeering leidt. (Jac. 2 vs. 19).
Wij hebben gezien, dat de Schrift dus ook van geloof spreekt, schoon het tot de waarachtige kennis der- zaligheid niet komt. Christus heeft op een tijdelijk geloof gewezen en Paulus kent sommigen een smaak der hemelsche gaven toe, hoewel zij van het kindschap Gods vervreemd blijven.
Het is Calvijn bekend, dat dit voor sommigen moeilijkheden baart, n.l. dat aan verworpenen geloof wordt toegeschreven. Paulus toch heeft geleerd, dat het zaligmakend geloof een vrucht der verkiezing is.
De ervaring leert, dat sommigen bijna door een gelijk gevoelen als de uitverkorenen worden aangedaan, zoodat zij ook naar eigen oordeel van hen niet verschillen.
Inderdaad is dit een moeilijke zaak. Wie zal dat nauwkeurig onderscheiden. Calvijn geeft zich moeite om het onderscheid aan te duiden. Hij spreekt van de kracht der geestelijke genade, het zekere licht des geloofs, grondig vatten en ontvangen.
Wij willen over deze woorden niet twisten, want de bedoeling is duidelijk. Anders zou men kunnen vragen of genade ook ongeestelijk kan zijn, maar natuurlijk heeft hij het oog op den geestelijken mensch, waarvan Paulus spreekt.
Ook zou men kunnen vragen of genade anders dan een kracht is, maar dit alles zou meer vitzucht openbaren dan goeden wil om te verstaan.
Ook in de prediking hoort men dikmaals van waarachtig geloof gewagen, alsof er ook onwaarachtig geloof kan zijn. Men zou daartegenover willen zetten: geloof is geloof. Daar is maar één geloof. Doch dat is nu juist de zaak, dat de Schrift ook van geloof spreekt, hoewel het tot den wortel der zaak niet reikt, of zooals Calvijn zegt: van een geloof, den verworpenen toegekend.
Kan men gelooven en toch verloren gaan ? Blijkens deze dingen is dat zoo. Maar dan is alle geloof nog geen geloof uit de werking der wedergeboorte. Alle nadruk valt dus op de wedergeboorte, een onverderfelijk zaad, het zaad des eeuwigen levens.
Zoo moet men dus verschillende werkingen des Heiligen Geestes onderscheiden, waaronder de wederbarende een bijzondere plaats inneemt. In die richting gaan ook de gedachten van Calvijn, hoewel hij dat niet verder uitwerkt. Hij zegt toch, dat de werking des Geestes haar loop heeft ook in de verworpenen.
Elders merkt hij op, dat God door Zijn Geest ook gaven geeft aan goddeloozen, b.v. in de wetenschap. Zoo zijn er dus ook werkingen, die een zeker godsdienstig gevoelen en geloof opwekken, hetzij voor een tijd, hetzij in bepaalde omstandigheden, zonder nog wederbarende kracht te doen.
Ook hebben wij in het begin vernomen, dat hij van tweeërlei genadewerking en geloof spreekt, waarvan de eerste wel verlichtend werkt en een geloof aan den Schepper en Onderhouder opwekt, hetwelk ook zekere vruchten afwerpt in het leven, maar daarnaast onderscheidt hij de bijzondere genade der wedergeboorte.
Er zijn dus argumenten aan te voeren, om zulk een onderscheiding van geestelijke werkingen in aanmerking te nemen.
Op zich zelf is voorts te wachten, dat men die ook in de vergadering der kerk zal aantreffen, zoodat niet allen gelooven uit kracht der wedergeboorte.
Calvijn beantwoordt enkele tegenwerpingen.
De eerste is deze. Indien het zoo is gelegen, dat er een geloof kan wezen, hetwelk zelfs met dat der uitverkorenen overeenkomst heeft, wordt het dan niet een onzekere zaak en waarbij zal men weten, dat men ter zaligheid gelooft?
Het ligt voor de hand', dat Calvijn een beroep doet op Paulus' woord betreffende de zekerheid van het kindschap Gods : En overmits gij kinderen zijt, zoo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, Die roept: Abba, Vader.
Dit is derhalve een beroep op de werkelijkheid van het kindschap door den Geest der aanneming tot kinderen.
Calvijn kan niet anders, en wie zou het wel kunnen. Uitwendige bewijzen voor de echtheid en zekerheid des geloofs zijn er niet. Het is ten slotte een persoonlijke zaak. Gods Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.
De Heere Zelf bezegelt Zijne beloften in het hart der Zijnen.
Ondertusschen vermaant hij ons tot ernstig zelfonderzoek, opdat niet zorgeloosheid in plaats van zekerheid over ons kome.
Daartegenover stelt hij, dat de verworpenen nooit meer dan een onzeker gevoelen der genade verkrijgen, zoodat zij slechts een schaduw, in stede van een vaste zaak omhelzen. Zij gelooven met recht, dat God hen genadig is, omdat zij de gave der verzoening — zij het onduidelijk — genoeg aannemen, niet, omdat zij de wedergeboorte of het geloof met de kinderen Gods deelachtig zijn, maar omdat zij onder den dekmantel der geveinsdheid met hen een gemeenschappelijk beginsel des geloofs schijnen te hebben.
Zoo spreekt Calvijn zich uit. Velen zullen zich wellicht stooten aan de woorden : „onder den dekmantel der geveinsdheid", want men moet toch aannemen, dat die menschen tegenover zich zelf niet veinzen, daar zij op hun wijze de genade omhelzen. Zij verkeeren echter niet in den. staat der wedergeboorte en rekenen zich toch de vruchten toe, zoodat zij een vroomheid vertoonen, waaraan - het wezen ontbreekt, ook al beseffen zij dat zelf niet.
Calvijn geeft dan ook toe, dat God hun verstand tot op zekere hoogte verlicht, zoodat zij de genade bekennen, maar deze kennis is onderscheiden van.de kennis der uitverkorenen. Dezen worden begenadigd met een volstandig geloof, dat volhardt tot het einde en ziet op de eeuwigheid.
Daarentegen werden de eersten verlicht door Zijn Geest tot kennis Zijner genade in het tegenwoordige leven.
Wanneer Calvijn op deze genadewerking de aandacht vestigt, is dat een van de vele werkingen der menigerlei genade Gods, welke der gevallen menschheid ten deel vallen.
Onder die menigerlei genade behoort ook de genade der wedergeboorte en voorts al of niet daarmede verbonden een menigte van gaven, welke de Heere schenkt naar Zijn welbehagen. De Heilige Schrift spreekt toch van de verscheidenheid der gaven. Deze gaven gaan niet altijd gepaard aan het kindschap Gods. Zij kunnen ook den goddeloozen worden geschonken.
Men zal misschien geneigd zijn om aan algemeene genade te denken. Toch is dit niet geheel juist. Bij algemeene genade dient men aan genad'ewerkingen Gods te denken, die een algemeen karakter dragen, d.w.z. waarin alle menschen deelen. God regent over boozen en goeden. Hij schenkt ons allen dit aardsche leven en onderhoudt de voorwaarden, die noodig zijn om te leven. Dat is een gave Zijner algemeene genade. Hij maakt een saamleving van de verdorven menschheid mogelijk en waakt daarover.
Daarenboven bedeelt Hij de menschen met gaven en goederen op velerlei wijze, waardoor ons leven wordt verrijkt, en hoewel de menschen deze gaven veelal naar eigen goedvinden en believen aanwenden, maakt Hij die allen dienstbaar aan de vervulling van Zijn Raad.
Ook het Woord Gods is een gave Gods aan de menschheid, immers het is als een zaad op den akker der wereld. En Christus leert ons, hoe het verschillend wordt ontvangen en onderscheiden werkt.
Zoo gaan ook aan de prediking des Woords onderscheidene genadegaven Gods gepaard. Ook ten aanzien daarvan kan men van een algemeene genade spreken, gelijk Calvijn ook doet, n.l. in betrekking tot hen, die genegenheid tot de prediking vertoonen, in onderscheiding van degenen, die zich aan haar onttrekken.
Wij hebben gezien, dat op den bodem van deze algemeene genadewerking, ook weer bijzondere gaven worden geschonken, zooals ook de ervaring leert.
Hoewel wij deze onderscheidingen opmerken en bij het licht des Woords bevestigd zien, kan zich toch niemand aanmatigen de menschen daarnaar in te dealen. Daarbij komt nog, dat deze genadewerkingen voor den persoon, die ze wedervaart, en voor anderen tot een eeuwigen zegen kunnen worden door de kracht der wedergeboorte, zoodat zij niet altijd van tijdelijken aard zijn.
Waarom van tijdelijken aard ? Waarom is het geloof in den verworpene tijdelijk ? — zoo kan men vragen. Calvijn kent dat geloof een zekere kennis van Gods goedertierenheid jegens ons en een zekere overtuiging van Zijn waarheid toe. Hij acht het echter geen wonder, dat het gevoel van de liefde Gods in de tijdgeloovigen verdwijnt, ofschoon het zeer wel met het geloof overeenkomt.
De eigenlijke zaak is, dat de werking van Gods Geest in de uitverkorenen een andere en blijvende is, terwijl bij de anderen slechts van een tijdelijke en vergankelijke verlichting kan gesproken worden.
Zoo wijst Calvijn op Saul, in wien voor een tijd een godzalige gezindheid om God lief te hebben, is geweest.
Zij was echter niet diep geworteld. De Geest der liefde is alleen aan Christus gegeven en aan Zijn lidmaten, in wien die liefde door den Heiligen Geest wordt ingestort. (Rom. 5 vs. 5).
Tegelijkertijd echter ervaren zij de gramschap en toorn Gods veel dieper, niet omdat God Zijn liefde laat varen, maar omdat Hij voortdurend Zijn zorg over hen Iaat gaan, den hoogmoed onderwerpt, de traagheid uitdrijft, berouw en beterschap wekt, Zijn genade gevoelen en op Hem leeren betrouwen.
Het is voornamelijk op de volharding des geloofs, waarop Calvijn de aandacht vestigt en het is niet onduidelijk, dat hij deze toeschrijft aan de voortdurende werkingen van den Heiligen Geest, zoodat er steeds een levend bewustzijn is van de deugden Gods, een drang tot waarachtig gebed en een voortdurende ontdekking van 's menschen onwil en onmacht en van 's Heeren gerechtigheid en genade.
Als Christus dan ook zegt tot Zijn discipelen : indien gijljeden in Mijn Woord blijft, zoo zijt gij waarlijk Mijn discipelen, kan daaruit blijken, dat het ook geschiedt, dat zij, die discipelen schijnen te zijn, in waarheid niet zoodanigen zijn, terwijl anderen staande blijven. (Joh. 8 vs. 31). Daarom beperkt Paulus het geloof tot de uitverkorenen. (Tit. 1 vs. 1) en Christus zegt: Alle plant, die mijn Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. (Matth. 15 VS. 13).
Een en ander voert tot de slotsom, dat het woord geloof verschillende beteekenis kan hebben. Soms heeft het den zin van de gezonde leer der godzaligheid. (1 Tim. 3 VS. 9). Timotheüs is opgevoed door de woorden des geloofs, d.i. door de leer der godzaligheid. (1 Tim. 4 vs. 1 en 6). Sommigen zijn afgevallen van het geloof, d.i. van de gezonde leer. (2 Tim. 2 vs. 18). Titus zal de menschen vermanen om gezond te zijn in het geloof, d.i. wederom in de leer. (Tit. 1 vs. 13 en 2 vs. 2). Voorts Coloss. 2 VS. 3, waar het geloof als de schat van wetenschap en wijsheid wordt genoemd.
Het geloof wordt ook tot een enkele zaak bepaald. Matth. 9:2. Het geloof dergenen, die den geraakte door het dak aflieten. Zij geloofden, dat de Heere Jezus hem genezen kon. Eveneens van den hoofdman, die op de gezondmaking van zijn knecht zag. (Matth. 8 vs. 10).
In 1 Cor. 13 : 2 wordt de gave om wonderen te doen geloof genoemd. In onderscheiding daarvan noemen wij verder het geloof, waardoor Gods kinderen van de ongeloovigen worden onderscheiden.
Ook in het dagelijksche leven komen deze onderscheidene beteekenissen voor. Zoo vraagt de volksmond : „Wat ben je van je geloof, of van welk geloof ben je ? " Daarmede bedoelt men dan zooveel als ben je Roomsch of Protestant, met andere woorden: welke belijdenis, welke kerkleer hangt gij aan ? Hier ziet het woord geloof dus op de leer.
Zoo komt het ook in het leven voor, dat iemand geloof heeft voor een zekere zaak b.v. dat hij van een ziekte zal genezen. Dat kan zoowel aan de genade der wedergeboorte gepaard gaan als op zich zelf staan.
Spreekt men van het Christelijk geloof in tegenstelling met het heidendom dan heeft men de Christelijke religie in algemeenen zin op het oog.
Op kerkelijk terrein wordt evenzeer in algemeenen zin van het geloof gesproken als aanduiding van de kerkelijke leer en bij wijze van algemeene instemming daarmede.
Zoodra men echter nadert tot het leven des geloofs, hetwelk het deel is der kinderen Gods, dan komt men tot het hart der zaak, in de taal der gemeente als zaligmakend geloof aangeduid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's