MEDITATIE
Want Israël is onbandig als een onbandige koe; nu zal de Heere hen weiden als een lam in de ruimte. Hosea 4 vs. 16.
VALSCHE VRIJHEIDSZUCHT
In Oostersche beeldspraak schildert Hosea de profeet hier de zonde der valsche vrijheidszucht en de straf op die zonde.
De Oostersche landman gebruikte bij het ploegen en dorschen en trekken geen paarden, maar runderen. Nu moesten deze beesten, evenals de paarden bij ons, natuurlijk reeds van jongsaf tot dat werk worden afgericht. Dat ging echter niet altijd even gemakkelijk. Het jonge rund was dikwijls zeer weerspannig. Het wilde niet onder het juk. Het wilde vrij zijn. Zulk een koe was „onhandig".
Bij zulk een onhandige koe wordt nu in ons tekstwoord het, tienstammenrijk vergeleken.
't Was reeds eeuwen geleden, dat de Almachtige met het volk Israël het Verbond der genade had opgericht. „Hij gaf aan Jacob Zijne wetten; deed Israël op Zijn woorden letten; Hij leerde ze in Zijn wegen wand'len". Dat was een genadige beschikking Gods geweest. „Zoo wou Hij met geen volken hand'len; die moesten Zijn getuigenissen en Zijn verbondsgeheimen missen". In Zijn verkiezende ontferming had de drieëenige God het volk. Israël willen bevoorrechten boven de andere volken. Aan hen had Hij zich willen schenken met Zijn heerlijke beloften en Zijn rijke genade. Maar dan werd van het volk op zijn beurt ook gevorderd een wandel in de wegen des verbonds, een wandel in de inzettingen en rechten des Heeren. Echter : wat deed Israël ? In snoode ondankbaarheid was het wederspannig tegen den Heere. Het wilde zichzelf uitleven naar het goeddunken van het eigen hart. Het werd bezield door een valsche vrijheidszucht Het wilde niet loopen in het gareel van Gods Verbond. Het was onhandig als een onbandige koe!
Nu is dat verschijnsel der valsche vrijheidszucht echter niet uitgestorven met oud-Israël. Neen : het herhaalt zich ook thans nog. Ja, hoe wordt inzonderheid onze tegenwoordige tijd door dit verschijnsel gekenmerkt.
Ook thans nog gedenkt de Heere Zijn verbond. Ja, in ontfermende liefde heeft Hij de grenzen van de kring dergenen, met wie Hij Zijn verbond wilde oprichten, zeer willen uitbreiden. Vervuld wordt de profetie van den Ouden Dag: „de Filistijn, de Tyriër, de Mooren, zijn binnen U, o Godsstad voortgebracht". Groot is het getal van degenen, die op het voorhoofd dragen het verbonds-teeken en - zegel van den Heiligen Doop. Echter — evenals het Oude Bondsvolk toont ook het hedendaagsche geslacht zich onhandig als een onbandige koe. Breed is de schare, die, ofschoon gedoopt, ver van God de weelde zoekt, 't Gebed wordt verwaarloosd, de Bijbel versmaad, de gang naar de Kerk onnoodig geacht. Anderen gaan zóóver niet. Maar toch : zij zelf zullen weten hoe zij het leven zullen inrichten. Er wordt wel gebeden, maar alleen als er geen „andersdenkenden" in het gezelschap zijn. De Bijbel wordt wel gelezen, maar alleen „als er tijd voor is". De Kerk wordt wel bezocht, maar alleen „als zij eens zin hebben". Weer anderen zijn uiterlijk stipt. Heel geregeld wordt er gebeden, heel vaak komt de Bijbel op tafel, heel trouw wordt de Kerk bezocht.
Maar toch : innerlijk weigert men zich door den Heere te laten gezeggen; heimelijk houdt men de zondedienst en de werelddienst aan de hand. En hoe is het daar, waar de Heere schonk de genade der wedergeboorte ? Hoe is het daar, waar de Heere in Zijn ontferming te sterk werd en bracht onder Zijn genade-heerschappij ? Ach, hoe zijn ook Gods ware kinderen nog dikwijls onhandig als een onhandige koe ! Hoe hebben zij zich voortdurend te beschuldigen van valsche vrijheidszucht! Zeker, krachtens het nieuwe levensbeginsel is er bij hen wel de vurige lust om in dankbaarheid zich te voegen in het spoor van Gods geboden. Maar — het oude beginsel is er ook nog. En dat oude beginsel wil alle banden verscheuren en alle touwen van zich werpen. Het Wil zich niet onderwerpen aa: n Gods Wet. En bleef dat zondige beginsel nu maar altijd in de minderheid! Maar dat is het juist! Dat zondige beginsel behaalt zoo vaak weer de overwinning. En als dat geschiedt, dan openbaart het zich als valsche vrijheidszucht.
„Israël is onhandig als een onhandige koe." Schrikkelijke zonde ! En nu de straf op die zonde : „nu zal de Heere hen weiden als een lam in de ruimte".
In Oostersche beeldspraak was de zonde aangewezen, in Oostersche beeldspraak wordt ook de straf aangekondigd. Israël had als een onhandige koe naar ruimte verlangd. Welnu, die wensch zou vervuld worden! Israël zou „ruimte" krijgen. Maar nu zou in het vervullen van hun wensch tevens hun oordeel liggen. Want hoe zouden zij in die „ruimte" verkeeren ? Als een jonge koe, die, sterk gehoornd tegen eiken vijand, zonder vreeze graast in het open veld ? O neen! Zij zouden in de „ruimte" verkeeren, maar dan niet als een jonge koe, maar als een lam. Als een weerloos lam, dat ver van de veilige kooi, zonder beschutting in de open vlakte heen en weder rent en elk oogenblik ten prooi kan vallen aan het wild gedierte!
„Nu zal de Heere hen weiden als een lam in de ruimte". Vreeselijke straf, aangekondigd aan het weerspannige Israël ! Had Israël naar ruimte verlangd, het zou in de „ruimte" komen, in het „ruime" land der ballingschap namelijk.
„Nu zal de Heere hen weiden als een lam in de ruimte". Vreeselijke straf, aangekondigd aan elk weerspannig zondaar ! Ja, ook thans nog pleegt de Heere de zonde der valsche vrijheidszucht te straffen met een straf, die aan de aard van de zonde beantwoordt.
Nu zal de Heere hen weiden als een lam in de ruimte". Zondaar, verlangt gij er soms naar om maar onbelemmerd te kunnen leven naar de lust van uw hart? Welnu : het zou best kunnen zijn, dat uw wensch in vervulling gaat. Het zou best kunnen zijn, dat uw geweten hoe. langer hoe meer wordt toegeschroeid. Zoodat inderdaad de stem van Gods Wet u minder verstoort. Zoodat inderdaad het kloppen Zijner liefde in Christus aan de deur van uw hart u minder tot last is. Zoodat gij inderdaad met minder belemmering in de zonde kunt leven. Maar o wat zal het ontzettend zijn, als gij met meer, gemak de wereld kunt dienen ! Zeker, gij zult het leven altoos ruimer vinden. Maar o als eens een oogenblik de bedwelming wijkt en gij vindt u alleen in de wereld, zonder God en zonder hoop — zult gij u dan wel gelukkig gevoelen ? Maar o als gij aan het eind van uw leven komt en gij staat voor de poorten des doods, gansch alleen, met een verzondigd leven achter u en de eeuwige rampzaligheid voor u, zult gij u dan wel veilig weten ? Wees er toch recht bang voor, dat de Heere u doet naar uw zondige wenschen ! Smeek Hem in ootmoed, dat Hij u voor de „ruimte" beware ! Ja, smeek Hem in ootmoed, dat Hij u het hart verandere, zoodat gij recht hartelijk leert vragen naar Zijn wegen! Met minder dan hartsverandering kunt gij niet toe.
„Nu zal de Heere hen weiden als een lam in de ruimte". Ook aan Gods ware kinderen heeft dit veel te zeggen. Want ook zij vinden hier hun straf aangewezen. Als zij eens weer vervallen zijn in de zonde der valsche vrijheidszucht, dan pleegt de Heere ook hen wel eens te straffen juist door hun begeerte te vervullen. Daar staan zij dan in de „ruimte". Daar hebben zij dan hun zin gekregen. Maar — o vreeselijk — wel in de ruimte, maar als een weerloos lam. Zij wisten het zooveel beter dan God, welnu, hun wensch is vervuld ! Maar waar is hun Ontfermer en Beschermer ? Zijn nabijheid wordt niet genoten. De blijdschap, de vrede, de troost is weg. Zij moeten gaan door een weg van geestelijke, verlating. Gelukkig, dat zij te doen hebben met een trouwhoudend God, die steeds hen weer terecht brengt. Zij vallen tenslotte met belijdenis van zonde en erkentenis van schuld Hem weer te voet. En dan mogen zij het verstaan, dat Hij om Christus' wil de overtredingen uitdelgt en de zonde niet gedenkt.
Maar intusschen: kind van God, laat deze straf voor u niet noodig wezen! Laat uit des harten diepsten grond mogen opstijgen de bede : „laat mij van 't spoor, in Uw gehoon vervat, niet dwalen. Heer', laat mij niet hulp'loos varen!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's