WAT CALVIJN ONS LEERT
Kennis des geloofs.
Eerst heeft Calvijn er op gewezen, dat geloof ook kennis is. Immers hij wijst op de leer der apostelen en profeten. Thans vestigt hij de aandacht op den aard van de geloofskennis, of liever op den aard van het kennen, waardoor 't werkzaam geloof zich onderscheidt van het z.g. verstandelijke kennen.
Wij spreken in het dagelijksche leven van een kennis der dingen, temidden, waarvan wij ons bewegen. Onze zinnen, ons gevoel en ons verstand worden getroffen door de dingen, die zich aan ons voordoen. Wij zien, wij hooren, wij krijgen velerlei gewaarwordingen en dragen dientengevolge een wereld in ons bewustzijn. Die wereld wekt verschillende gevoelens en emoties bij ons op. Dit alles wordt geboren uit de betrekkingen, waarin wij staan tot de ons omringende wereld. Die betrekkingen worden door ons verschillend gewaardeerd ; gaan gepaard met gevoelens van sympathie of afkeer. Voorts tracht het verstand deze verschijnselen te doorgronden en in hun onderling verband te begrijpen, d.i. daarvan kennis te veroveren.
Van deze kennis nu is de geloofskennis in aard onderscheiden. Deze betrekt zich op de goddelijke dingen. Wat is nu het onderscheid ?
De dingen van deze wereld onderwerpen zich aan ons verstand. Dat wil niet zeggen, dat wij alle gebeuren in deze wereld kunnen doorgronden, doch de ervaring leert, dat het menschelijk kenvermogen steeds tot dieper en meer omvattende kennis voortschrijdt. De dingen van deze wereld liggen althans ten deele onder het bereik van het menschelijk vermogen.
Zoo is het echter niet ten aanzien van de hemelsche dingen. Die liggen buiten en boven het menschelijk verstand. Zij gaan ons verstand te boven. Ziedaar het onderscheid. Wanneer de mensch dus aan zijn aardsche vermogens wordt overgelaten, zal hij tot kennis der goddelijke dingen niet opklimmen. Hij blijft daarvan verstoken, behoudens dan een vaag besef van de Godheid, hetwelk in alle menschen als een zaad der religie is. Dit besef echter wordt zonder het hemelsche Hcht niet tot klare kennisse Gods.
En wanneer dat hemelsche licht komt en Waarachtig geloof werkt, dan kan de menschelijke rede God niet begrijpen. De goddelijke dingen onderwerpen zich niet aan ons verstand.
Calvijn spreekt veelal en ook in dit verband van een gevoelen, hetgeen echter vast en zeker is. Dit gevoelen van hetgeen hij niet begriipt, geeft hem echter meer zekerheid dan wanneer het verstand iets menschelijks begrijpt.
Daarom spreekt Paulus van de liefde van Christus die alle kennis te boven gaat. (Ef. 3:18):
't Is eigenaardig, hoe Calvijn zich uitdrukt. Paulus heeft willen aanwijzen, dat het alleszins oneindig en onbegrijpelijk is, wat ons verstand door het geloof begrijpt, en dat deze kennis hooger is dan alle verstand.
Het verstand begrijpt door het geloof iets van het onbegrijpelijke.
Nochtans heeft de Heere aan Zijn heiligen het verborgene van Zijn wil geopenbaard, hetwelk van alle tijden aan verborgen is geweest. Daarom is het geloof toch een zekere kennis, en het wordt door de Heilige Schrift ook zoo genoemd. Johannes zegt, dat de geloovigen weten, dat zij kinderen Gods zijn. (Vgl. Colos. 1 : 26; 2 : 2, 1 Joh. 3 : 2).
Het is niet de zekerheid van een verstandelijk bewijs, maar een gevoel van de waarheid Gods.
De dingen, waarop het geloof betrekking heeft, zijn niet bij ons. Zij zijn voor ons gezicht verborgen. Daarom zegt de apostel Paulus : wij wandelen door het geloof en niet door aanschouwen. (2 Cor. 5:7).
De zekerheid dezer kennis.
Het geloof is meer een verzekerdheid dan een verstaan, een onbedriegelijk besef van vastheid en zekerheid.
Het geloof is niet tevreden met een twijfelachtige meening en ook niet met een duistere gedachte. Het eischt een zekerheid als van beproefde zaken.
Het heeft n.l. altijd te strijden met de ongeloovigheid, die zoo diep in ons hart geworteld is. Daarom kost het zooveel strijd om met het hart te gelooven, dat God getrouw is, hoewel wij dit met den mond belijden.
Dit treedt vooral aan het licht, wanneer onze weg donker is en het op den man aankomt. Het is dan ook niet zonder oorzaak, dat de Heilige Geest zoo vaak en zoo nadrukkelijk het gezag en de geloofwaardigheid van Gods Woord met grooten lof vermeldt. De redenen des Heeren zijn reine redenen als zilver gelouterd in den aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal. De redenen des Heeren zijn doorlouterd. Hij is een schild, allen die op Hem betrouwen. (Ps. 12 : 7; 18 : 31). Alle rede Gods is doorlouterd (Spr. 30 : 5). Voorts Psalm 119. Daar zijn ook vele menschen, die Gods barmhartigheid zoo nauw nemen, dat zij daaruit weinig troost ontvangen. Zij zeggen wel, dat zij overvloedig is, over velen uitgestort en bereid voor een iegelijk, maar zij zijn onzeker, of zij daartoe zullen geraken. Deze overlegging blijft ten halve steken. Hun geest wordt benauwd door onrust en twijfel en niet door gerustheid gesterkt.
Hoe geheel anders is het besef van die zekere kennis, welke door de Heilige Schrift aan het geloof wordt toegekend, waardoor de goedheid Gods buiten allen twijfel wordt gesteld.
Dit kan alleen geschieden, wanneer wij de zoetigheid daarvan gevoelen. Daarom brengt de apostel het vertrouwen voort uit het geloof en uit het vertrouwen vrijmoedigheid. Dat wij door Christus hebben de vrijmoedigheid en den toegang met vertrouwen door het geloof aan Hem. Daarmede betoont hij, dat wij geen oprecht geloof hebben, tenzij wij ons met een gerust gemoed voor Gods aanschijn durven stellen. Dit kan alleen door een vast vertrouwen van Gods goedgunstigheid en zaligheid.
Nog eens wijst Calvijn er op, dat het geloof daarin is gelegen, dat wij de beloften van Gods barmhartigheid aangrijpen met het hart en niet denken, dat zij alleen buiten ons in anderen alleen waarachtig zijn. Zulk een geloof werkt het vertrouwen, waaruit de vrede geboren wordt, waarvan de apostel in Rom 5 : 1 spreekt.
De vrucht daarvan is een geruste consciëntie voor Gods oordeel en opgewektheid, zoodat de ziel niet wordt gekweld door angst of vreeze, tenzij zij voor een oogenblik God in zichzelf vergeet en in slaap valt. Een oogenblik — herhaalt Calvijn — want zulk een toestand van vergetelheid duurt niet lang. De gedachtenis aan Gods gericht maakt de ziel spoedig weer wakker.
Zoo besluit Calvijn dan, dat niemand een waarachtig geloovige is dan alleen hij, die door een welgefundeerde kennis verzekerd is, dat God hem een genadig Vader is, zoodat hij op de goedgunstigheid Gods vertrouwt en een vaste hope der zaligheid heeft, welke hij tot het einde toe vasthoudt. (Hebr. 3 : 14).
Want ik ben verzekerd, zegt de apostel, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, ons zullen kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere. (Rom. 8 : 28).
Calvijn is er zich van bewust geweest, dat men hiertegen bezwaren zal inbrengen. Dat deed men in zijn dagen en dat zal men nog doen. Daarom is het goed Calvijn daarover te hooren.
Men zal zeggen — zoo merkt hij op, — dat de geloovigen wel wat anders ondervinden. Zij worden niet alleen gekweld door ongerustheid, maar ook door verschrikkingen en aanvechtingen, dat kan wel zoo hoog loopen, dat er weinig overeenkomst is met het beeld des geloofs, hetwelk Calvijn heeft geschetst.
Dit bezwaar moet worden weggenomen, zoo dat beeld zal kunnen staande blijven. Hij merkt echter op, dat hij geenszins van meening is, dat de zekerheid des geloofs nimmer onderbroken zou worden door twijfelingen of ongerustheid. Neen, hij erkent, dat het geloof een voortdurenden strijd voert tegen het mistrouwen.
Hij ontkent echter, dat daardoor de vastigheid van het vertrouwen in Gods barmhartigheid zou worden ondermijnd. Een verwijzing naar het geloofsleven van David kan dit bevestigen. Nochtans ontbreekt het ook bij hem niet aan klachten, die aantoonen, dat hij niet altijd zoo gerust is geweest. Denk maar eens aan psalm 42 en 43. Wat buigt gij u neder, mijn ziel, en zijt onrustig in mij. Denk ook aan psalm 31 : 23 en aan psalm 77 : 10 : Heeft God vergeten genadig te zijn ?
Zoo vermaant hij ook zijn ziel om weder te keeren tot haar rust, psalm 116 : 7.
David hield niet op zich telkens weer tot God te richten. De godzaligen zijn als de palmboom, die ondanks allerlei zwarigheden groeit en zijn kroon verheft. Wacht op den Heere, zijt sterk, want Hij zal uw hart versterken, ja wacht op den Heere. (Ps. 27 : 14).
David vindt niet alleen een mishagen in zichzelven vanwege al deze zwakheden en gebreken, maar hij spant zich in om die te overwinnen in de kracht des geloofs.
Welk een onderscheid b.v. met den koning Achas. Jesaja wordt tot hem gezonden en komt hem tegen met deze woorden : Wacht u en zijt gerust en vreest niet. (Jes. 7 : 4). Immers was er aanleiding om te vreezen, aangezien deze vorst werd bedreigd door de koningen van Israël en van Syrië, die tegen hem kwamen.
Doch op het woord van Jesaja laat hij niet af van de vrees, maar is als een boom, die door den wind wordt heen en weder geschud, ondanks de belofte Gods door den profeet geopenbaard.
Het ontbrak hem aan geloof, zoodat de toegang niet werd ontsloten en hij ontving in zijn verslagenheid de straf van zijn ongeloof.
De geloovigen echter, die onder den druk der slagen en verzoekingen verkeeren, zullen standvastig strijden, zij 't ook niet zonder moeite en zwarigheden. Zij worden gedreven tot gebed: Rukt het woord der waarheid niet al te zeer van mijn mond. (Ps. 119:43).
Zoo is er in den geloovige een strijd tusschen geest en vleesch. Aan de eene zijde ervaart hij den zoeten smaak van de kennis der goddelijke goedheid, aan de andere zijde ervaart hij de bitterheid van zijn ellende. Eensdeels vindt hij rust in de belofte des Evangelies, anderdeels wordt hij ontsteld door het getuigenis zijner ongerechtigheid. Daar is een vreugde des levens en een verschrikking des doods.
Calvijn voegt daaraan toe, dat deze verdeeling uit de onvolmaaktheid van het geloof ontstaat, daar zij in dit aardsche bestaan nimmer geheel door het geloof worden vervuld, zoodat de ziekte van het mistrouwen ganschelijk genezen wordt.
De ongeloovigheid schuilt in het vleesch en zij verheft zich om het geloof te bevechten.
Zullen wij dan niet besluiten, dat het geloof niet in zekerheid, maar in twijfelachtige en duistere kennis van God bestaat ? Welneen, want hoewel wij heen en weer worden geslingerd, zoo worden wij nog niet terstond van het geloof afgetrokken. Hoewel de twijfel ons her- en derwaarts voert, zoo zinken wij nog niet weg in den afgrond des ongeloofs.
Het einde des geloofs zal altoos weer zijn, dat het de zwarigheden, waardoor wij worden beklemd, doorworstelt en te boven komt.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's