KERKELIJKE RONDSCHOUW
WAAR Ds. LINGBEEK WOONDE
„Een bescheiden villaatje, aan alle kanten hakhout, langs een zandweg te bereiken, een kwartier gaans van 't dorp Voorthuizen, daar woonde en dacht en schreef ds. Caspar Andries Lingbeek de laatste jaren zijns levens. 't Was bijna niet te vinden.
Wonderlijke tegenstelling : eenerzijds een man, in den kring zijner vrienden geëerd en geliefd als maar weinigen, door velen, ook onder zijn tegenstanders, gerespecteerd om den moed zijner overtuiging en in heel Nederland, van Dollar tot Schelde, bekend om zijn strijd ; en aan den anderen kant weggescholen op de Veluwe, in een dorpje, dat Voorthuizen heet en bij dat Voorthuizen voor de tweede maal weggescholen in het bosch.
Toch, een begrijpelijke tegenstelling ; de man van het gewette zwaard en het strijdgewoel zocht veiligheid en rust, daar in de stilte van zijn vriendelijke woning, in de nabijheid der zijnen.
In Voorthuizen begon ds. Lingbeek als pastor, in Voorthuizen woonde hij de laatste jaren en daar is hij gestorven". Aldus ds. H. Bakker in de Gereform. Kerk (22 Juni '39).
HOE Ds. LINGBEEK IS GESTORVEN EN BEGRAVEN
„'t Was een stille, stemmige dorpsbegrafenis. Alles sober. Maar één krans. Van zijn kinderen. Veel toespraken zijn niet gehouden. Soberheid, dat had de overledene in de laatste oogenblikken begeerd, toen hartkrampen hem overvielen en in één uur tij ds een eind maakten aan dat werkzame leven".
„Als wij heengingen" — aldus ds. H. Bakker — „van de rustplaats der dooden, waar zijn stof nu tot op den grooten dag van Jezus' wederkomst rust, leefde bij ons allen de overtuiging : hier werd een rijk leven afgesloten. Rijk aan verrassingen ; rijk aan strijd ; rijk aan teleurstellingen ; rijk aan gaven ; maar ook rijk aan gunst van God en de menschen. God zij geloofd !"
Het laatste spreken van Ds. Lingbeek op een Vergadering.
Op de 74ste Algem. Vergadering van de Confessioneele Vereeniging, toen het 75-jarig bestaan van de Vereeniging werd herdacht op de Ernst Sillem-Hoeve te Lage Vuursche (7 61 8 Juni j.l.) was ook ds. Lingbeek tegenwoordig. Het is de laatste vergadering, die hij heeft meegemaakt. Na het referaat, dat ds. C. M. Luteijn, van Groningen, had gehouden over de „Beginselen der Confess. Vereeniging", heeft ook hij het woord gevoerd. In het Verslag lezen we er dit van :
Ds. Lingbeek nu aan het woord komend, begint met een en ander op te diepen uit den rijken schat zijner persoonlijke herinneringen. Hij is tegenwoordig geweest bij de besprekingen in de vergadering van het Hoofdbestuur, toen dr. Hoedemaker bedankte. Ook is hij er bij geweest, toen de Geref. Bonders de Confessioneele Vereeniging verlieten. Dr. Hoedemaker sprak bij die gelegenheid over den doop. Dr. H. Visscher merkte toen op, dat het scheen alsof gedoopte kinderen niet verloren konden gaan ; waarop Hoedemaker antwoordde : „Ja, een gedoopte kan verloren gaan ; maar hij zal anders verloren gaan dan een ongedoopte— want God heeft Zijn werk aan hem gedaan".
Hierna verlieten dr. Visscher en dr. De Lind van Wijngaarden de vergadering ; een poging van dr. Schokking om hen terug te houden, mocht niet baten.
Ook herinnert spreker aan 't referaat over Art. 36, dat Hoedemaker voor de Confessioneele Vereeniging zou houden, na zijn bedanken als lid. Toen ds. Lingbeek dr. Hoedemaker te voren sprak, deelde hij mede, dat hij zelf niet zou komen, maar een notaris zou sturen om het referaat voor te lezen. Waarom een notaris ? Omdat een predikant er allicht wat aan veranderen zou, maar een notaris verandert de stukken niet !
Overgaande tot de bespreking van het referaat over de „Beginselen der Confess. Vereeniging", merkt ds. Lingbeek op : dat geen enkele Nationale Synode heeft aangenomen, dat de belijdenis herzien moest worden. Het waren vroeger de Remonstranten, die dat wilden — en in de vorige eeuw de Ethischen.
Ook kan ds. Lingbeek zich niet herinneren, dat Hoedemaker ooit gezegd heeft, dat de belijdenis aan Gods Woord getoetst moet worden. Hoedemaker wenschte geen herziening van de belijdenis, maar : 1. bespreking, op grond van Gods Woord van eventueele bezwaren en 2. van nieuwe vragen — en dat dan in kerkelijke vergaderingen.
Dr. Hoedemaker wilde de Kerk terugbrengen tot de waarheid van de belijdenis en tot een nieuw belijden.
Verliet de Kerk de belijdenis, dan zou men de Kerk moeten verlaten. Hoedemaker was in dat opzicht echter optimistisch en verwachtte, daar de Geest de Kerk in alle waarheid leidt, een doortrekken van de lijnen, door de oude belijdenis reeds getrokken". (Geref. Kerk, Herv. Weekblad, 22 Juni '39).
DE OPENBARE SCHOOL SCHIPBREUK GELEDEN?
Nog steeds loopt de bevolking van de Openbare School achteruit ; slechts ruim 31% der leerlingen (gewoon L. O.) bezoekt de Openbare School, terwijl de Prot. Christelijke Scholen 26% en de Roomsche Scholen 41% tellen. 31—26—41 % dus (waarbij de Roomsche Scholen het topcijfer halen !)
De Openbare Schoor in afbraak. Hoe komt dat ? Daarvoor is zeer zeker meer dan één oorzaak te noemen. Maar dat de ouders voor hun kinderen de Christelijke School kiezen om des beginsels wille, begint men ook in de kringen van 't Openbaar Onderwijs te voelen en toe te stemmen.
Zoo schreef „Het Schoolblad" (we lazen het in De Rotterdammer) :
„Het zou dwaasheid zijn te ontkennen, dat een groot deel van het Nederlandsche volk uit zuiver ideologische motieven tot de keuze van het bijzondere onderwijs is gekomen. De verbondenheid van Kerk en School wortelt in de historie en de poging om het maatschappelijk karakter van ons volksonderwijs te doen overheerschen, heeft schipbreuk geleden".
Verder wordt er dan gezegd, dat men er vrede mee heeft, dat School en Kerk nauw verbonden zijn !
Kinderen van Prot. Christelijken huize hoeven dan ook niet op de neutrale(? ) Openbare School. Het is heel natuurlijk, dat ze gaan naar de Christelijke School.
Als men in dit verband spreekt van „drie groote deelen, waarin het volksonderwijs in Nederland zich overeenkomstig de levensopvatting der ouders heeft gesplitst" (waarmee bedoeld wordt dat de Openbare School een eigen levensopvatting ten grondslag heeft, het Prot. Christelijk Onderwijs een eigen levensopvatting heeft, en het Roomsche Onderwijs een eigen levensopvatting heeft) dan onderschrijven we dat in het algemeen en dan zeggen we : dat alle kinderen van Protestantsch- Christelijken huize thuis hooren op de Christelijke School.
En als Kerk en School, de Kerk met het Woord en de School met den Bijbel, naast elkaar staan, is dat eigenlijk de meest natuurlijke/ zaak van de wereld. Zóó hoort het, en niet anders !
DE VRIJZINNIG HERVORMDEN EN DE REORGANISATIE. (5)
Practisch gesproken — schrijft ds. Bakker — is de basis van ons kerkelijk leven nu toch ook : „de belijdenisvragen en de proponentsformule" (blz. 11—12). Dat zou dan nu officieel als „de leer der Kerk" in het Algemeen Reglement moeten worden opgenomen en de symbolische en liturgische geschriften zouden zijn afgeschaft. Het wachten is dan op het „nieuw belijden der Kerk voor dezen tegenwoordigen tijd".
Eigenlijk zouden we hier nu wel een eind kunnen maken aan onze bespreking. Want er zal wel niemand zijn die de gedachte koestert, dat er in deze richting van ds. Bakker (de richting van de Vrijz. Hervormden) ook maar iets te bereiken is. Wij laten de symbolische en liturgische geschriften onzer Hervormde Kerk nooit los. En geen haar op ons hoofd denkt er aan, om tot basis van ons kerkelijk leven te maken „de drie belijdenisvragen (nog wel met de woorden „geest en hoofdzaak" er bij) èn de proponentsformule". Van ons is bekend, dat we liever vandaag dan morgen, deze belijdenisvragen en deze proponentsformule gewijzigd en verbeterd zouden zien, en zouden we dan de tegenwoordige vragen en de huidige formule tot grondslag van ons kerkelijk leven gaan maken ? Nooit ! En gelukkig duizenden met ons ! Nooit !
„In het Algemeen Reglement zou dat moeten worden vastgelegd, dat de belijdenisvragen en de proponentsformule de grondslag zijn — en in de Overgangsbepalingen zou moeten worden vastgelegd, dat zij naar geest en hoofdzaak tevens tijdelijk de plaats innemen van de symbolische geschriften, tot op het oogenblik, dat de Kerk in haar nieuwe organisatie ten opzichte van haar symbolische geschriften tot een uitspraak is gekomen".
Er zou geen bezwaar tegen bestaan — zoo verzekert ds. Bakker genadiglijk — om in die Overgangsbepalingen er aan toe te voegen, dat een en ander moet geschieden „in aansluiting aan hare historische belijdenis". Triumfantelijk roept ds. Bakker uit, dat dit eigenlijk nog méér geeft dan 't Kerkopbouw-Ontwerp, dat alleen maar sprak van „gebouwd op Jezus Christus als eenig fundament".
„Beslissingen in al deze dingen zullen door de Algemeene Synode in haar groote vergadering genomen moeten worden met een meerderheid van 2/3 van het aantal stemmen". „De tucht zou dan intusschen kunnen worden uitgeoefend volgens de belijdenisvragen en de proponentsformule (zie ook het tegenwoordig Art. 6 van het huidige Reglement voor Opzicht en tucht)".
„Er zit in deze partiëele oplossing zeker risico, zoowel voor rechts als voor links, maar zij zullen dit risico beiden in geloof hebben te aanvaarden" — aldus ds. Bakker (blz. 12). Dat „in geloof" vinden we weer prachtig hier.
„In geloof" moeten we dus eerst de huidige, historische, symbolische en liturgische geschriften.... wèg doen. „In geloof" moeten we daarvoor in de plaats stellen de tegenwoordige belijdenisvragen èn de proponentsformule. En „in geloof" moeten we dan maar wachten op een belijden voor den tegenwoordigen tijd. Wat wonderlijke gedachten heeft men toch van zekere zijde van dat „in het geloof" ! Is geloof dan zoo ongeveer roekeloos spel en onverantwoordelijke waaghalzerij ? Wij dachten, dat het Christelijk geloof zich gaarne zoo nauw mogelijk aansloot aan alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft en aan Jezus Christus en dien gekruisigd — zooals onze symbolische en liturgische geschriften doen. En wij meenen, dat er ook nog zoo iets in den Bijbel staat als : „gij zult den Heere, uwen God, niet verzoeken". Alle waaghalzeiij met ondankbaar verwerpen van hetgeen de Heere ons zoo genadig gaf en zoo trouw voor ons bewaarde, moet verre van ons zijn en blijven. En men moet hier vooral niet komen aandragen met vroom klinkende woorden als „in geloof iets doen". Dat is geen „geloofs-risico", om ons geloof en onze geloofsbelijdenis, die ons van God gegeven is en naar de Schriften is — en wettig eigendom der Kerk — los te laten en prijs te geven, zeggende : we zullen dan wel eens zien, wat de moderne tijd er ons voor in de plaats zal geven. We moeten juist met onze geloofsbelijdenis — met ons geloof des harten en onze belijdenis met de mond — den modernen tijd, met hare oude dwalingen en leugens, zij het dan misschien wat gefatsoeneerd, te wederstaan. Houdt wat ge hebt, — zegt hier de Schrift ; — bewaar het pand, u toebetrouwd. Deze zaak, hier door ds. Bakker voorgesteld uit naam van de Vereen, van Vrijzinnige Hervormden, is in zich zelve absurd en de Ned. Hervormde Kerk kan en wil en zal daartoe nooit besluiten, tenzij zij zich zelve om hals wil brengen. Zij kan en mag en zal niet loslaten wat een Godsgeschenk is geweest in de moeilijkste tijden van ons kerkelijk leven en van ons volksbestaan, om dat in te wisselen voor het geknutsel dat uitkomt in de belijdenisvragen en de proponentsformule, die opgesteld zijn geworden in de dagen van kerkelijk „onwaarachtig geschipper". We laten de historische stukken van zoo groote waarde en van zoo kostelijken inhoud niet los, om te grijpen naar de onhistorische stukken, met zoo slappen inhoud van de vorige eeuw ; waarbij men als bewijs van „onwaarachtig geschipper" de woorden „geest en hoofdzaak" nog toevoegde. Als er ooit een onhistorisch, verderfelijk geknoei in onze aloude Vaderlandsche Kerk heeft plaats gehad, dan is het zeker geweest in de veertiger jaren van de vorige eeuw — rondom het jaar 1840 —. Men leze nog maar eens ons boekje : De Leervrijheid in de Ned. Hervormde Kerk, 2de druk. Maassluissche Boekhandel.
Neen, zóó kunnen we nu in 1939—'40 geen fundament gaan leggen bij een eventueele reorganisatie, zij 't dan ook een „partiëele reorganisatie".
Van de meest fundamenteele historische stukken van onze belijdende Hervormde Kerk zal men afblijven ! Nooit zal men zich zóó daarvan mogen afmaken ! (Wordt voortgezet.)
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (9)
Evenals Groen, spreekt ook Wormser van „de Hervormde Gezindheid", waarbij hij dan niet denkt aan de Hervormden alleen, maar óók aan degenen, die door de kerkelijke beweging van 1834, nu gescheiden van de Hervormde Kerk leefden, maar krachtens hun beginsel bij de Hervormde Gezindheid behoorden, begeerende saam te leven uit de Hervormde, Gereformeerde, Reformatorische beginselen. Tijdelijk was men wel gescheiden, maar alles moest in 't werk gesteld worden om de gescheiden-levende broeders en zusters weer in het ouderlijk huis, in de Kerk der Vaderen, terug te brengen. Daartoe moesten dan ook de Gereformeerden niet uit de Hervormde Kerk vertrekken, maar omgekeerd moesten allen, die niet begeerden te leven uit de Reformatorische beginselen, de Hervormde Kerk verlaten en de Gereformeerde Gezindheid moest weer saam wonen in de Hervormde Kerk.
Maar nu zag Wormser in het midden van die „Hervormde Gezindheid" (die dus zoowel in als buiten de Hervormde Kerk leefde) een groot kwaad. Hij zag daar een zekere strooming, die hij noemt „de bekrompen richting". En die bekrompen richting ging een gansch verkeerde kant uit ten opzichte van de Kinderdoop.
„Voor de bekrompen richting in de Hervormde Gezindheid (gescheidenen en niet-gescheidenen), is de Kinderdoop een instelling, welke op alle manieren met de opvattingen van die menschen inzake de waarheid, strijdt" „Nergens vindt de Kinderdoop in haar bekrompen en in vele opzichten eigendunkelijk systeem, een behoorlijke en ongedwongen plaats. En dientengevolge wordt de Kinderdoop daar uit verlegenheid op allerlei manier verwrongen of verwaarloosd" — zegt Wormser (blz. 29). Bij die richting was een bekrompen gedachte aangaande Gods genade en de zoenverdiensten van Christus.
„In verband daarmee" — aldus Wormser — „ontwikkelt die bekrompen .richting den geheelen geloofsweg van den Christen, al van te voren uit de praedestinatie of uitverkiezing ; men gaat uit van Gods verborgen raad, en niet van Zijn geopenbaarde Verbond der genade, waardoor een toestand van lijdelijkheid geboren wordt, die alle genademiddelen afweert of zooveel mogelijk onvruchtbaar maakt".
„Zij meent zich daartoe te kunnen beroepen op de Vaderen, en op de belijdenis- en liturgische geschriften van de Gereformeerde Kerk, ofschoon die door haar bijna nooit worden gelezen en nog zeldzamer onderzocht".
Juist hetgeen de Vaderen vanouds geleerd hebben, b.v. in onze prachtige liturgische geschriften, wordt helaas ! door die richting nooit of bijna nooit gelezen en overdacht. Wanneer men dat wilde doen, zou men zien (zegt Wormser) dat de Gereformeerde Kerk niet stelselzuchtig, maar ook zeker niet stelselloos in deze is. „Indien men de Kerk zelve door haar belijdenis- en liturgische schriften laat spreken, zal zij, door haar eenvoudige, maar krachtige getuigenissen van de waarheid laten zien, hoe arm de vrijzinnigen zijn, maar ook hoe de bekrompen richting dikwijls schromelijk afwijkt van den rechten weg", (blz. 30).
„Menschen, die de heilige en vertroostende leer der praedestinatie of uitverkiezing gelooven, hebben geen behoefte aan een beperkte, maar aan een ruime en daarbij krachtige Evangelieverkondiging". Want de praedestineerende God is de roepende God, Die roept tot de einden der aarde : Komt tot Mij, want waarom zoudt gij sterven. De praedestineerende God — de steun in den rug voor den geloovige — is de roepende God, die Zijn Kerk heeft van het begin der wereld af, tot aan den jongsten dag en Die wil, dat van alle vleesch zal komen tot de aanbidding van den Zaligmaker Jezus Christus.
Daarbij komt dan, dat God wil wandelen in het midden van Zijn gemeente, aan alle plaatsen Zijner heerschappij, als de God des Verbonds, in de geslachten.
Wormser zegt : „Menschen, die de heilige en vertroostende leer der praedestinatie gelooven" (want Wormser verwerpt de praedestinatie niet, noch ook wil hij iets van de uitverkiezing afdoen— sprekende van de „heilige" en .vertroostende" leer der praedestinatie) „hebben geen behoefte aan een beperkte, maar aan een ruime en daarbij krachtige Evangelieverkondiging. Het voorbeeld der Dordtsche Vaderen, die de leer der praedestinatie zoo uitnemend hebben gehandhaafd en ons tevens zulk een milde en ruime voorstelling van het geopenbaarde genadeverbond nagelaten hebben, strekt ons hiervan ten bewijze". „Juist de leer der praedestinatie moet ons overtuigen, dat bekrompenheid en beperktheid in de voorstelling van Gods genade en de zoenverdiensten des Heeren ons niet past". Het bewijs is er, dat de Heere telkens gaat waarheen Hij wil en doet wat Hem belieft. En de ruime verkondiging lokt niet de onverschilligen en de beperkte verkondiging schrikt hen niet af ; het Evangelie is voor hen bedekt. (Hoewel wij het Evangelie dan toch juist voor hen moeten ontsluieren en niet moeten bedekken, om hen te verhinderen). Maar het zijn vooral de eenvoudigen — zegt Wormser (blz. 31) — „de eenvoudige, de ontwaakte, de zoekende en vragende zielen, die door een beperkte voorstelling der genade worden opgehouden en in allerlei verwarrende strikken gevoerd. Het zijn vooral de geloovigen, die daardoor in een wettischen toestand worden gehouden ; ze worden niet in de vrijheid in het genadeverbond gebracht, maar in gebondenheid in het werkverbond geknecht ; en voor zoover men ons verhindert te staan in de genade, dwingt men ons te blijven staan in de natuur".
„De bekrompenheid onthoudt dus bepaaldelijk aan de geloovigen het zielevoedsel, en verhindert hen te staan in de vrijheid der kinderen Gods ; iets, waartoe zij anders reeds dadelijk van hun geboorte af door den Kinderdoop geroepen zijn".
„De bekrompenheid heeft derhalve" — zoo besluit Wormser dat hoofdstuk, waarboven staat : „De troost van den Doop geroofd door „bekrompenheid" — „onthoudt dus bepaaldelijk aan de geloovigen het zielevoedsel. Want voor de wereld heeft zij hoegenaamd geen nut, maar houdt bovendien hen, die, niettegenstaande de hinderpalen welke zij in den weg stelt, tot de kennis der genade doorgedrongen zijn, zooveel mogelijk in een toestand van dienstbaarheid en gevangenschap. En met dit een en ander zou men zich behooren te vergenoegen, indien het alzoo de wil des Heeren ware. Maar het tegendeel is waar. Deze bekrompenheid, dienstbaarheid en gevangenschap, met al de verdrietige en lastige kleingeestigheden, die daarmee in onafscheidelijk verband staan, zijn in strijd met Gods wil, en, voor zoover zij stelselmatig worden aangekweekt, niets anders dan menschelijke uitvindingen en overleveringen, welke in strijd zijn met Gods Woord en de uitdrukkelijke leer der Gereformeerde Kerk".
Zóó wilde Wormser de Hervormde Gezindheid binnen en buiten de Hervormde Kerk terug brengen tot de leer der Vaderen, tot de duidelijke leer der belijdenis- en liturgische geschriften, tot 't geen Gods Woord ons voorhoudt, ons èn onze kinderen.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's