De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

6 minuten leestijd

Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is ? tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt. Doch ik hoop, dat gij zult verstaan dat wij niet verwerpelijk zijn. 2 Cor. 13 VS. 5, 6.

Paulus schrijft zijn laatste vermaningen aan de gemeente van Corinthe. Nu over hun houding ten opzichte van zijn Apostolisch ambt. Er blijkt een strooming te zijn in Corinthe, die tamelijk laatdunkend staat tegenover den Apostel, en hem in de grond der zaak niet meer „hoorenswaardig" acht!
Men betwijfelt het, of Christus wel in hem spreekt en werkt. Men zou wel eens een bewijs willen zien, dat hij waarlijk een gezalfde Apostel is. Paulus moest maar eens even opening van zaken geven, opdat er zekerheid kome, dat men in hem met een gezant van Christus te doen heeft.
Zoo zegt Paulus dan ook in 't 3e vers van 2 Cor. 13 : dewijl gij zoekt een proeve van Christus, die in mij spreekt.
Men wil Paulus voor een keurcommissie! En de apostel gaat er op in, maar anders dan de Corinthiërs misschien verwacht hebben. Wellicht hebben ze bedoeld iets van wat in hoofdstuk 12 aan de orde is gekomen, nml. de gezichten en openbaringen, waarvan Paulus ook weet meê te spreken. Doch daarvan zegt Paulus : ik ben roemende onwijs geworden. Daarvan geeft hij geen herhaling.
Maar indien de Corinthiërs een bewijs zoeken voor zijn apostolisch ambt, een proeve willen van Christus, die in hem spreekt, zoo zijn zij zelf daarvan de levende getuigen.
Met het oog daarop zegt de apostel dan toch : Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij u zelven niet, dat Jezus Christus in u is ? tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt. (vers 5).
Paulus' bedoeling is duidelijk. Indien de Corinthiërs een proeve zoeken van Christus, die in hem spreekt, zoo moeten ze maar eens op zichzelf blikken, zichzelf onderzoeken, op de vraag of zij in 't geloof zijn, of Christus in hen is. En Paulus verwacht als vrucht van dat onderzoek, dat zij zullen zeggen, in 't geloof te zijn.
En indien dit nu zoo is, indien zij erkennen, dat Jezus Christus in hen is, dan moeten zij Paulus antwoord geven op de vraag, door wiens bediening zij tot deze genadestaat gekomen zijn. Als ze een bewijs willen, dat Christus in Paulus spreekt en werkt, behoeven ze niet ver te zoeken. Zij zijn het zelf.
Paulus heeft hen geteeld. Zij zijn zijn kinderen in Christus. Christus heeft zijn prediking zóó gezegend, zóó door hem gesproken, dat nu in Corinthe een gemeente des levenden Gods is, geroepen heiligen, kinderen Gods, levend in de hope des eeuwigen levens. Meer bewijs hebben de Corinthiërs toch niet noodig, dat Paulus waarlijk een gezant van Christus is, en dat de Heere door hem werkt.
De apostel doet dus een beroep op de gemeente van Corinthe zelf en dat beroep moet overtuigend zijn, ja, tenzij de gemeente verwerpelijk is, tenzij zij niet weten van Christus, die in hen is. Als dat het geval mocht zijn, zoo gaat het beroep niet op. Want uit het geloof der gemeente concludeert Paulus overtuigend, dat Christus in hem spreekt, want het is door zijn bediening, dat zij geroepen zijn. Indien het geloof er niet is, indien de gemeente verwerpelijk is, dan valt er van daaruit niets te concludeeren aangaande Christus' werkende kracht in Paulus' bediening. „Doch ik hoop, dat gij zult verstaan dat wij niet verwerpelijk zijn".
Als de Corinthiërs dit verstaan en belijden op grond van het Woord des Evangelies, door Paulus gebracht, indien zij dus in 't geloof zijn en door het geloof gerechtvaardigd bij God, zoo hebben ze een antwoord op de vraag naar de proeve van Christus, die in Paulus spreekt.
Aldus is 't verband van het tekstwoord, hierboven neergeschreven, waarin wel duidelijk is, dat het zelfonderzoek en de zelfbeproeving, waartoe Paulus in vers 5 opwekt, anders bedoeld is, dan populaire exegese doet vermoeden.
De vrucht van dit zelfonderzoek is niet een ontkennend antwoord op de vraag, of zij genade bij God hebben door Jezus Christus, maar een „ja", een bevestiging. Dat verwacht Paulus te hooren : doch ik hoop, dat gij zult verstaan, dat wij niet verwerpelijk zijn.
apostel de Corinthiërs in 't nauw. Want nu moet men, naar de opmerking van Calvijn, zijn commentaar op deze tekst, één van beide wegen inslaan: of aan Paulus zijn apostolische eere doen toekomen, of zichzelf van ongeloof beschuldigen en bekennen dat zij geen gemeente, geen kerk vormen. Hij stelt hen gewoon voor het alternatief of zij liever willen verwerpelijk zijn, dan het verschuldigde getuigenis omtrent zijn bediening geven.
Dit Schriftgedeelte is om twee redenen, zegt Calvijn, waard, dat er bijzondere aandacht aan besteed wordt. Eén er van willen wij noemen : omdat hier het verband wordt aangetoond tusschen het geloof van het volk en de prediking van den dienaar. Een gedachte, een waarheid, die ook in onze tijd wel eens naar voren gebracht moet worden. Ik bedoel nu niet, om op het gevaar te wijzen, dat er voor de gemeente in gelegen is, indien de dienaar des Woords een „ander Evangelie" brengt, het kruis van Jezus Christus en de genade Gods niet verkondigt naar de Schrift, indien hij de ergernis en de dwaasheid van het Evangelie vermijdt, maar veeleer om het onjuiste te signaleeren van veler beschouwing over de bediening des Woords.
Velen verstaan niet meer, wat onze Vaderen in de 31ste Zondagsafdeeling beleden. Daar wordt onder de bediening van de sleutelen des hemelrijks ook genoemd de verkondiging van het Evangelie.
Er is voor velen geen verschil meer tusschen de knusse samenkomst in „'t zaaltje en de samenkomst der gemeente onder de ambtelijke bediening des Woords.
God stelt Zijn dienstknechten overal in de gemeenten, opdat zij Zijn Woord verkondigen, dat krachtig is tot zaligheid, „opdat zij betuigen den geloovigen, allen en een iegelijk, dat hun zoo dikwijls als zij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hunne zonden van God, om de verdiensten van Christus' wil, vergeven zijn; daarentegen alle ongeloovigen en die zich niet van harte bekeeren, verkondigen en betuigen, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoolang zij zich niet bekeeren ; naar welk getuigenis God zal oordeelen, beide in dit en het toekomende leven".
Mij dunkt, lezer, daar is toch wel een levensverband tusschen de prediking van den dienaar en het geloof der gemeente. Laat ons dit dan ook uit dit Schriftgedeelte leeren, opdat we de prediking van het Woord leeren beluisteren, als het Woord, waardoor de Levende God ons onderwijzen wil aangaande de weg der zaligheid, waardoor Hij den onboetvaardigen Zijnen toorn aanzegt, maar den boetvaardigen verzekert van Zijn genade en gunst.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's