KERKELIJKE RONDSCHOUW
EEN HISTORISCH MOMENT
Het Ned. Bijbelgenootschap is in jaarvergadering bijeen geweest in de Doopsgezinde Kerk te Amsterdam. Het was de 125ste ; wat zeker een merkwaardigheid is. Maar dat bedoelen we toch niet, als we spreken van „een historisch moment". Dan hebben wij het oog op iets anders.
Wij bedoelen het oogenblik, dat prof. Grosheide opstond en den voorzitter, prof. Paul Scholten (intusschen om gezondheidsredenen afgetreden) de voltooide nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament aanbood !
Jaren nu achtereen is een gezelschap van theologen van verschillende Kerkformatie (ds. A. Klinkenberg, Luth. pred. te Amsterdam was de ijverige secretaris) bezig geweest, om den Bijbel weer opnieuw uit den grondtekst te vertalen. Die vertaling van de boeken des Nieuwen Testaments (ook met 't Oude Testament is men bezig, maar dat is nog niet zoó ver gevorderd) is door allen saam keer op keer gelezen en herlezen, nagezien, veranderd, verbeterd — en ten slotte, na hardop voorlezing van, de nieuwe vertaling, om zoo saam een indruk te krijgen van woordkeus, zinsbouw enz., vastgesteld.
Deze nieuwe vertaling is nu in drukproef gereed en zal nu straks door het Ned. Bijbelgenootschap in den handel worden gebracht, gedrukt in verschillend formaat en te verkrijgen voor weinig geld (ook in luxe uitgave).
Hoe zal ons Bijbellezend volk deze nieuwe vertaling ontvangen ?
Hoe zullen de Kerken hierop reageeren ?
Zal het straks voor ons allen, van verschillende Kerkformatie, de standaard-uitgave van het Nieuwe Testament kunnen zijn en officieel door ons allen kunnen worden gebruikt ? Er zal wel niemand zijn, die der zake kundig is, die niet naar een nieuwe vertaling zal verlangen.
En ja, we hebben de laatste jaren van verschillende kanten veel goeds gekregen, wat deze zaak betreft. We denken aan , .Tekst en Uitleg", aan „Korte Verklaring", enz. Maar het is dan tenslotte werk van iemand persoonlijk. Zooals b.v. ook de nieuwe Bijbelvertaling van de professoren Obbink (O.T.) en Brouwer (N.T.).
Maar nu is het gemeenschappelijk werk en nu wordt 't een uitgave van liet Nederlandsch Bijbelgenootschap, dat op zoo breede schaal de Heilige Schrift verspreidt, in Nederland, in Indië en overal.
Het zal er nu om gaan, dat men, predikanten en gemeenteleden, deze nieuwe Bijbelvertaling in vertrouwen en met groote dankbaarheid ontvangt en dat men, beginnende in den kring van het huisgezin, bij 't lezen aan tafel, deze nieuwe vertaling gaat gebruiken ; om zoo rustig met elkander te onderzoeken of we hier een kostelijk geschenk hebben ontvangen of dat het — onverhoopt — niet beantwoordt aan het groote en heerlijke doel : de Heilige Schrift in de taal van onzen tijd onder de menschen te brengen, tot beter verstand van de woorden Gods, welke ons als een allerkostelijkste schat zijn toebetrouwd.
Driehonderd jaar hebben we nu de Statenvertaling gehad. En we kunnen daarvoor niet dankbaar genoeg zijn.
Wat zou het heerlijk zijn, wanneer we nu opnieuw van den Heere, door middel van vaardige mannen, de Heilige Schrift mochten ontvangen, nu in de taal van ónzen tijd.
Voor Kerk en Gezin, voor School en Volk, zij het bij vernieuwing een Godsgeschenk !
DOMINÉ-GEMEENTERAADSLID
De oude kieswet bepaalde, dat geestelijken van het lidmaatschap van den Gemeenteraad uitgesloten waren — lid te zijn van de Tweede Kamer of van de Provinciale Staten werd en wordt door de kieswet wèl aan de geestelijken toegestaan.
Toen dr. .J. Th. de Visser predikant was te Amsterdam, werd hij gekozen tot lid van de Tweede Kamer — maar de Synode bepaalde toen in 1907, dat het ambt van predikant en Kamerlid of lid van de Provinciale Staten te zijn, onvereenigbaar was. Toen was het dus over heel de linie verboden : geen Gemeenteraadslid volgens de oude kieswet, en geen lid van de Tweede Kamer of de Provinciale Staten volgens de kerkelijke wet (Syn. Regiem, voor de Kerkeraden, art. 3, al. 2).
Maar wat gebeurt ? De oude kieswet wordt gewijzigd en het verbod voor de geestelijken om lid te zijn van den Gemeenteraad vervalt I
Daarop had de kerkelijke wet niet gerekend, en zoo gebeurt het nu, dat een dominé, die lid van de Tweede Kamer of van de Provinciale Staten wordt, zijn ambt moet neerleggen. Maar — als een dominé gekozen wordt tot lid van den Gemeenteraad (wat nu volgens de burgerlijke wet kan, vroeger niet) verbiedt de kerkelijke wet dit niet — en kan men den dominé-raadslid niets doen !
Kennelijk is het de bedoeling van de kerkelijke wet geweest een actief deelnemen aan de politiek door het lidmaatschap van een der regeeringslichamen te voorkomen. Want toen in 1921 nog weer eens een poging is gedaan het lidmaatschap van de Tweede Kamer toch toe te staan, als er in het werk van den dominé genoegzaam werd voorzien en de Kerkeraad en het Class. Bestuur goedkeuring gaven, is dit voorstel wel aanvankelijk aangenomen (omdat men oordeelde, dat de stem van een theoloog, een stem van de Kerk in 's lands raadszaal toch gehoord moest kunnen worden), maar ten slotte door de Synode weer ongedaan gemaakt ; en zoo bleef het verbod, omdat men de vereeniging van het ambt met de politiek niet wilde.
Duidelijk genoeg is dus, dat de kerkelijke wet dus óók eigenlijk het lidmaatschap van den Gemeenteraad niet vereenigbaar acht met het predikambt. Want de dorpspolitiek of de stadspolitiek is dikwijls nog wat anders dan de landspolitiek. Maar — de kerkelijke wet voorziet in het geval niet.
Doordat ds. mr. Ekering, predikant te Amsterdam, door de N.S.B, in den Gemeenteraad gekozen is en de benoeming ook heeft aanvaard, terwijl hij toch predikant blijft — wat zijn recht is naar de letter van de kerkelijke wet — is deze zaak weer in het midden van de volle belangstelling der Kerk komen staan, en het Iaat zich aanzien, dat de komende Synode een voorstel zal doen tot wijziging van
Art. 3, al. 2 van het Syn. Regiem, voor de Kerkeraden, om daar voortaan te lezen dat verboden is het lidmaatschap van de Tweede Kamer, van de Provinciale Staten en van den Gemeenteraad.
In 1940 komt het dan op de Class. Vergaderingen om advies en in Aug. 1940 kan de Synode het doen aannemen en vaststellen, terwijl het dan 15 Januari 1941 in werking treedt.
Intusschen heeft de Kerkeraad van Amsterdam reeds een motie aangenomen, waarin uitgesproken is, dat volgens het oordeel van den Kerkeraad (in meerderheid) 't lidmaatschap van den Gemeenteraad en het predikambt niet te vereenigen is.
Maar natuurlijk kan (en zal) ds. Ekering deze motie naast zich neerleggen.
DE VRIJZINNIG HERVORMDEN EN DE REORGANISATIE. (6)
De Vrijzinnigen kunnen en willen tegenwoordig niet ontkennen, dat er reorganisatie der Kerk noodig is. Zij kunnen en willen tegenwoordig óók niet ontkennen (dat was vroeger anders) dat de Ned. Hervormde Kerk een belijdende Kerk is, en dat er ook tucht moet zijn, daar bandeloosheid de ondergang is voor alle kerkelijk leven. Maar ze willen de historische belijdenis- en liturgische geschriften liefst zonder meer op zij zetten. Men kwam vroeger met het gewone praatje : die geschriften zijn zoo oud ; en te oud om er nu nog mee te werken in de Kerk. Daarbij hadden de Vrijzinnigen dan gewoonlijk vele medestanders, die, hoewel niet modern, toch in dit opzicht van hetzelfde gevoelen waren. Stukken, die 300 jaar oud zijn, zijn uit den tijd — zeiden velen. En velen knikten aanstonds toestemmend, ook al hadden ze niet de minste kennis van die oude stukken, die, naar hun oordeel, oud en der verdwijning nabij waren.
Doch — de stukken op het schaakbord staan nu toch wel wat anders. Er is een beweging gekomen, die nu weer onder de menschen gebracht heeft, dat die oude stukken behooren tot „de schat der Kerk". En er is een gewoonte ontstaan om nu te spreken van : „laat ons belijden met de Christelijke Kerk van alle eeuwen". Wat dan wel allereerst ziet op de Apostolische Geloofsbelijdenis, maar ook op de Confessie van Nicéa (minder op de Athanasiaansche Geloofsbelijdenis, die óók in elk goed kerkboek staat !)
En ook onze Ned. Geloofsbelijdenis is weer gaan deelen in de belangstelling, als behoorend tot „de schat der Kerk". En er zijn dominees, die nu weer „preeken" over de artikelen van de Ned. Geloofsbelijdenis, zooals zoolang gepreekt is over den Heidelbergschen Catechismus. En hier en daar wordt vóór den dienst zoo nu en dan een artikel van de Ned. Geloofsbelijdenis vóórgelezen. Men is gaan gevoelen, dat het dom en onverantwoordelijk dwaas is, kleinzielig en kortzichtig, om bij deze oude stukken van de Kerk der Reformatie de neus op te trekken en er over te spreken als over „oud roest". Het bloed der martelaren spreekt weer. De rook en de vlammen van de brandstapels ziet men weer. De adem des Heiligen Geestes wordt weer gevoeld, als men die oude acte-stukken der Reformatorische Kerk opslaat.
Het zijn goudmijnen, waarin oude en nieuwe schatten gevonden worden.
En dan wil men waarlijk nu weer met die oude, versleten klanken volstaan in de brochure, waarin zoowaar de stem van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden officieel vertolkt is geworden, dat die oude belijdenisgeschriften, de symbolische, en de liturgische geschriften der Ned. Hervormde Kerk, zonder vorm van proces maar op zij moeten worden gezet, en dat men iets nieuws moet gaan beginnen, waarbij de grondslag en de leiddraad en de inzet dan moet zijn : de drie belijdenisvragen (met de woorden „geest en hoofdzaak" er noodzakelijk bij !) en de proponentsformule, waarmee in de slappe jaren van rationalisme en verlichting zoo onmenschelijk geknoeid en zoo onwaarachtig geschipperd is ! (Zie ons boekje : De Leèrvrijheid in de Ned. Hervormde Kerk).
De Vrijzinnigen zijn dan zoo naïef om te zeggen, dat zóó alleen de Ned. Hervormde Kerk „de Volkskerk" kan zijn en blijven. Zooals ze ook de School verknoeid hebben om haar tot „volksschool" te maken ! Een „volksschool" die zóó karakterloos nu is, dat het volk, in al z'n geledingen, zich meer en meer van die volksschool afkeert !
De Ned. Hervormde Kerk moet Volkskerk zijn en blijven, met „éénheid en verscheidenheid", zegt ds. Bakker in het 4de hoofdstukje van zijn brochure. „Wil de Ned. Hervormde Kerk" — aldus lezen we bladz. 12 — „een Volkskerk blijven, dan zal er vrijheid van gelooven en belijden voor verschillende christelijke overtuigingen moeten zijn en deze zal door een regeling omtrent eenheid en verscheidenheid in het Algemeen Reglement zelf stevig gewaarborgd moeten worden".
Stevig gewaarborgd. Wat — moet stevig gewaarborgd worden ? De schat der Kerk ? Het Woord en de Sacramenten ? De belijdenis der Kerk en de goede orde in het Huis des Heeren ? De ambten en de kerkelijke vergaderingen ? Leer en leven, naar Gods Woord ?
Stevig gewaarborgd. Wat — moet stevig gewaarborgd worden? Dat de Kerk van Christus haar Heere en Koning belijdt en staat als een getrouwe getuige van Jezus Christus, sprekende en levende, belijdende en werkende, naar Zijn Woord en onder Zijn heerschappij ?
Moet stevig gewaarborgd worden in het Algemeen Reglement, dat de Kerk des Heeren van ouds in dezen lande geplant, hier staan zal als een pilaar en vastigheid der Waarheid ? Van die Waarheid, die God gesproken en bekend gemaakt heeft in het Paradijs aan Adam en Eva ? Van die Waarheid, die God gesproken en geopenbaard heeft tot en aan en door de patriarchen en profeten ? Van die Waarheid, die de Heere Zelf heeft geopenbaard, afgeschaduwd, gedemonstreerd, bekend gemaakt in de ceremoniën en plechtigheden, in tabernakel en tempel, om af te schaduwen Hem, Die in de volheid des tij ds zou komen en ook gekomen is, als de eenige en algenoegzame Zaligmaker der wereld ?
Typisch is dat woord „stevig gewaarborgd". Maar wij hebben een idee, dat ds. Bakker — en in hem de Vrijzinnigen — hier vooral, allereerst en allermeest denken aan „stevig waarborgen", dat in de Ned. Hervormde Kerk alle wind van leer vrij waaien kan en de verscheidenheid — méér dan de éénheid — verzekerd zal zijn. Want waarom wil men anders de belijdenis der Kerk wég werken en in zee gaan met „de drie belijdenisvragen {met de woorden „geest en hoofdzaak" !) en de proponentsformule" ?
Want wel zegt ds. Bakker (blz. 13), dat de verscheidenheid gewaarborgd moet worden voor personen en groepen „alleen voor zooverre zij zich stellen op den grondslag der Kerk" — maar de grondslag der Kerk heefl men dan eerst veranderd in de meest slappe formuleering die denkbaar is.
„De mogelijkheid moet komen voor gemeentelijke werkverbanden en groepsvormingen", zegt ds. Bakker. En „een gemeentelijk werkverband met algemeene doelstelling zal dan moeten beoogen : opbouw, en uitbouw van het Christelijk leven der gemeente, door evangelieverkondiging, godsdienstonderwijs, zielszorg enz., ter aanvulling van wat vanwege den Kerkeraad rechtstreeks in deze geschiedt en in contact met en onder toezicht van den Kerkeraad".
Dit gaat „in de richting van „huisgemeenten", zegt ds. Bakker (blz. 13). Ten minste één derde van het aantal stemgerechtigden of ten minste 100 stemgerechtigden onder zijn leden, moet daarop recht hebben ; en de Kerkeraad zal dan de noodige maatregelen hebben te nemen om aan dat verzoek te voldoen: a. tot het beleggen van godsdienstoefeningen; b. tot het gelegenheid geven voor doop en avondmaal, bevestiging van lidmaten en huwelijksinzegening ; c. tot het laten geven van godsdienstonderwijs ; d. tot het laten verrichten van pastorale arbeid.
De Kerkeraad zal verder voeling moeten blijven houden met de commissie (bestuur) van het werkverband ; de extra kosten zullen ten laste moeten komen van de leden van het werkverband. Maar daar zullen tegenover moeten staan allerlei rechten, als het gebruik van gebouwen, enz.
Zóó zal dan ingeschakeld moeten worden in gemeenteverband allerlei arbeid, door de Vrijzinnigen in orthodoxe gemeenten verricht.
Zoowel meer algemeene werkverbanden, als die met bijzondere doeleinden (als onderwijs, Zondagsschool, jeugdwerk. Zending, sociale arbeid) moeten komen in contact met en onder toezicht van den Kerkeraad.
Men zal zich hebben te stellen op den geloofsgrondslag der Kerk en zal het doel duidelijk moeten omschrijven.
Waarom men zulke (Vrijzinnige) werkverbanden („huisgemeenten") noodig heeft ?
Daarvoor worden drieërlei oorzaken genoemd : 1. confessioneele ; 2. psychologische ; 3. cultureele oorzaken.
De confessioneele verschillen, voortkomend uit verschillend geloofs- en belijdeniselement, zullen dan aanleiding geven tot de gemeentelijke werkverbanden met algemeene doelstelling.
De psychologische en cultureele verschillen tot die met bijzondere doelstelling.
Men zou hier kunnen spreken van , .nieuwe organen der gemeente en zij zouden vooral voor de nieuwe Zendingstaak der Kerk" — dit moet verstaan worden in de beteekenis, die ds. Bakker er hier aan geeft, hebben we te voren reeds opgemerkt — „in onze ontkerstende en onkerkelijke wereld van buitengewone beteekenis zijn".
Aldus lezen we in de brochure : „Wenschelijkheden en Mogelijkheden van Reorganisatie in de Ned. Hervormde Kerk", blz. 14.
(Wordt voortgezet.)
Dr HOEDEMAKER, Ds LINGBEEK, Prof. HAITJEMA e.a.
Wij gaan nog even terug naar de 74ste jaarvergadering van de Confessioneele Vereeniging. Nadat ds. Lingbeek gesproken had over Hoedemaker, verkreeg prof. Haitjema 't woord en zei, dat hij de aandacht wilde vestigen op drie punten :
1. Het eerste raakt Art. 7 der Ned. Geloofsbelijdenis, waar staat : dat we nooit iets anders mogen leeren, dan ons geleerd is door de Heilige Schriften, ja, al ware het ook een engel uit den hemel, enz. Daarop volgt dan : „Men mag ook geen schriften van menschen, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schrifturen, noch de traditie met de Waarheid Gods, noch de oudheid, noch de conciliën enz."
In Art. 7 wordt dus — zoo was het betoog van prof. Haitjema — uitgesproken : dat nooit de Confessie zelf de normeerende norm kan zijn ; dat is en moet blijven de Heilige Schrift. Daarmede wordt dus in Art. 7 op Geref. kerkelijk erf de eisch gesteld van de ononderbroken toetsing van de belijdenis aan Gods Woord.
Ten bewijze, dat ook Hoedemaker dit gewild heeft, geeft prof. Haitjema een citaat uit de brochure : „Heel de Kerk en heel het Volk", waar gesproken wordt over : „onderzoek en vernieuwing" van de belijdenis.
Bij nauwkeurig peiling van Art. 7 blijkt de rijkdom, die Guido de Brés hierin gelegd heeft. Dit artikel is prachtig gebouwd naar de zigzag-methode, waaruit blijkt, dat het Geref. Protestantisme zich keert naar twee fronten, n.l. tegen de Roomsche Kerk èn tegen de Anabaptistische geestdrijverij. De Roomsche Kerk komt met haar traditie of overlevering, om zoo de Heilige Schrift krachteloos te maken, en de Anabaptisten komen met het inwendige licht en zich, met afwijzing van traditie èn belijdenis, zoogenaamd retireeren op de H. Schrift.
Dit dubbele gevaar dreigt ook nu nog, in nieuwen vorm. En daarom is het van belang, dat we de twee-zijdigheid van Art. 7 niet uit het oog verliezen.
2. Het tweede punt is dit : Vóór 1816 was er in de Kerk wel allerlei abnormaals, maar het abnormale dat de Synodale besturenorganisatie in 1816 bracht, was er toen nog niet. De domper, die in 1816 op het kerkelijk leven gezet is, is heel iets afzonderlijks en is van een geheel eigen type, waarom er ook afzonderlijk nu over gehandeld moet worden en we daaraan onze l3ijzondere aandacht moeten schenken. Dat brengt ons in aanraking met de re-organisatie.
3. Gevraagd wordt in de derde plaats, of de referent onderscheid maakt tusschen programmapunt en beginsel.
Is de eisch : „eerst reorganisatie en dan reformatie", als programmapunt in de lijn van Hoedemaker iets anders dan een beginsel ?
Deze kwestie : of reorganisatie een „programmapunt" of een „beginsel" is, is van groot belang. Want als het beginsel is, brengt het mee, dat we durven zeggen, dat we in een doodelijk zieke Kerk, met doodelijk kranke leden, onze organisaties niet voor gezond kunnen houden en zelf kunnen doen alsof wij voor 100% gezond zijn en aan de krankheid der geheele Kerk zouden zijn ontkomen.
Als we daarmee rekening houden, is dit echter niet het zelfde, als dat we alles relativeeren.
Hoedemaker zei : wij zijn het onderling niet eens. En wie meent, dat wij voor 100% gezond zijn, keert de stelling van Hoedemaker om.
Als Hoedemaker zei: „Reorganisatie eerst", dan beteekende dit voor hem, dat wij nooit kunnen voortgaan, als we niet bereid zijn, over een zoo smal bruggetje voort te schrijden, dat er niet twee naast elkaar over kunnen gaan".
Dr. de Wilde, Ned. Herv. pred. te Den Haag, richt zich bij de discussie dan vooral tot prof. Haitjema. Hij zegt : „Wij zijn het eens ten aanzien van de stelling : eerst reorganisatie, dan reformatie. Maar zijn we het óók eens over de vraag : wat we onder reorganisatie verstaan ? "
Volgens dr. De Wilde is reorganisatie zuiver formeel op te vatten — niet materieel in dien zin, dat het nieuwe reglement zich met de belijdeniskwestie bemoeit. Het Ontwerp, dat het vorige jaar is verworpen, was anders. Hoe zal het nieuwe zijn ? Is het niet beter, dat we nu beginnen met het bijeenroepen van een Groote Synode ?
Prof. Haitjema antwoordde hierop : De nieuwe besprekingen hebben tot het inzicht geleid, dat de reorganisatie formeel moet zijn, en de belijdenis onaangetast moet laten. Reorganisatie zou echter een fictie zijn, als zij buiten de belijdenis om zou gaan ; ze moet functie-mogelijkheid voor de belijdenis verschaffen.
Dr. de Wilde antwoordt daarop : Ik zie er een gevaar in.
Prof. Haitjema zei toen: De weg van „Kerkherstel" is inderdaad gevaarlijk. Hoe is „Kerkherstel" mogelijk zonder gevaar ?
Dr. Van Itterzon, van Den Haag, meent, dat de vraag, die tusschen prof. Haitjema en dr. De Wilde staat, gaat over de opvatting van het fungeeren der belijdenis in de gereorganiseerde Kerk. Beteekent fungeeren, dat de belijdenis regelmatig veranderd zal worden, of dat de Kerk aan de belijdenis getoetst, en naar de belijdenis veranderd moet worden ?
Als de Kerk haar belijdenis niet handhaaft, heeft de Kerk geen ruggegraat.
Een reglement op de gravamina zou er voor moeten zorgen, dat aan bezwaren recht gedaan werd ; maar de herziene belijdenis moet gehandhaafd worden.
Dr. Terlaak Poot, van Den Haag, zou willen, dat de Confessioneele Vereeniging uitspreekt, dat onze Hervormde gemeenschap wèl omschreven is in de belijdenis. Bij reorganisatie moet herziening der belijdenis niet eerste eisch zijn. De eerste stap moet wezen : een Groote Synode.
Verder vraagt hij, of de Kruissynode van Antwerpen herziening of resumptie der belijdenis wilde ?
Ds. te Winkel, van Den Haag, de voorzitter der vergadering, zegt : dat het hem verheugt, dat de gedachtenwisseling zich toespitst op één punt, n.l. Art. 7 van de Ned. Geloofsbel. We leven met dit Artikel in een geweldige spanning. Eenerzijds staat vast, dat de Confessie onderworpen is aan de Schrift. Anderzijds bestaat de gedachte, dat de Confessie zoó volkomen is, dat men de mogelijkheid eener verandering uitgesloten acht. Dit is fout.
Een reorganisatie moet openheid geven, zóó, dat de belijdenis functionneert in de Kerk. Dan zullen we komen tot het moment, waarop de Kerk de belijdenis vernieuwt. Daarin zal openbaar worden, dat Gods Geest voortgaat met in de waarheid te leiden.
Ds. Luteijn, van Groningen, die het referaat gehouden had, beantwoordt de sprekers in' het kort en zegt o.a. :
Reorganisatie moeten we opvatten in den zin van Hoedemaker. Onze Statuten zeggen, dat in een welgestelde Kerk de belijdenis van kracht is, omdat zij in overeenstemming is met Gods Woord. We mogen nooit de belijdenis „zonder meer" tot maatstaf aanleggen ; daarvoor heeft juist Hoedemaker altijd gewaarschuwd. Er moet ook in een gereorganiseerde Kerk beroep zijn op Gods Woord, met de belijdenis als wettig bezit van de Kerk. De vraag van revisie der belijdenis kan niet nu aan de orde komen en tot oplossing komen. Er moet eerst reorganisatie komen, ook om allerlei andere vragen, die bij on« leven. Dit geldt ook de leertucht ; zij vereischt voorafgaande reorganisatie. Ten opzichte van de valsche leer heeft de Kerk zelve groote schuld. Bescheidenheid en voorzichtigheid past ons. We moeten ons verdiepen in datgene, wat onze beginselen meebrengen. Het nieuwste kan alleen voortkomen, als we ernst gaan maken met onze beginselen, en als we oog krijgen voor de abnormale toestanden ; ook voor onze laksheid en ons ongeloof. We moeten het samen zoeken in den weg, die is naar Gods Woord.
„WAARTEEKEN"
Wij kennen het woord „waarteeken" door onzen Catechismus. In Zondag 25 wordt over de Sacramenten gesproken, en dan lezen we daar : „Sacramenten zijn heilige, zichtbare waarteekenen en zegelen, van God ingezet, opdat Hij ons door het gebruiken derzelve de belofte des Evangelies des te beter te verstaan geve en verzegde".
God wil dus in en door de Sacramenten „de belofte des Evangelies" ons dichtbij brengen. Hij wil ze ons laten zien met de oogen, laten tasten met de handen, en bij het Avondmaal laten proeven met de mond, terwijl bij den Doop het aan ons voorhoofd wordt bevestigd.
Nu neemt God daarvoor geen willekeurige, geen nietszeggende teekenen of afbeeldingen. Maar Hij heeft juist zulke teekenen of afbeeldingen (water bij den Doop, en brood en wijn bij het Avondmaal) genomen, die juist precies afbeelden wat de Heere ons bij brengen wil, n.l. de afwassching der zonden door het bloed van Christus, gelijk het water reinigt van de vuilheid des vleesches ; en in het Avondmaal het gevoed en gesterkt worden in het geloof, dat al ons heil ligt in de éénige offerande van Christus, aan het kruis volbracht.
Als nu de Catechismus maar niet eenvoudig het woord „teeken", maar juist bijzonder het woord „waarteeken" gebruikt (het Duitsche Warzeichen), dan is dat, om het extra te onderstrepen, dat de zaak waarom het bij het teeken gaat, te vertrouwen is. Het is om extra te zeggen, dat de zaak waarom het gaat, waar, echt, stellig en vast is, zoodat men er gansch z'n vertrouwen op zetten kan en moet.
Dat is van groote beteekenis.
Want als de Heere wat laat zien, wat afbeeldt en aanschouwelijk ons toont in een teeken, dan moet men er zeker van kunnen zijn, dat het echt waar is en geheel en al te vertrouwen ; dat het teeken de afgeteekende zaak (wat een geestelijke zaak is) volkomen dekt.
Wat heeft men er aan, of iets al heel mooi voorgesteld wordt en de waarheid, de echtheid, de soliedheid ontbreekt er aan ? Wat heeft men aan beloften, die geen inhoud en geen vervulling hebben ?
En ziet, nu geeft de Heere in de Sacramenten aan Zijn geloovigen waarop men vertrouwen kan, die waar, stellig en vast zijn.
Als wij het water bij den Doop en brood en wijn bij het Avondmaal zien, kunnen we op die teekenen vertrouwen. Vandaar dat de Catechismus 't woord „waarteeken" gebruikt; het tegenovergestelde van „onsoliede", „onbetrouwbaar", „zwak" en „niets beteekenend".
De Heere, die hier door teekenen spreekt, is waarachtig en zal geven wat Hij belooft en toezegt.
Het woord „waarteeken" is Schriftuurlijk, al komt het slechts éénmaal in de Schrift voor. We kunnen het vinden in de geschiedenis van Rachab in Jericho.
Jozua 2 VS. 12, 13 : „Nu dan", zoo zegt Rachab tot de verspieders, „zweert mij toch bij den HEERE, dewijl ik weldadigheid aan ulieden gedaan heb, dat gij ook weldadigheid doen zult aan mijns vaders huis, en geeft mij een waarteeken — dat gij mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, enz."
De verspieders moeten haar dus beloven, dat zij straks haar niet zullen dooden, noch haars vaders huis ; maar dat zij straks, wanneer Jericho zal worden ingenomen (dat is een stuk van haar geloof) Rachab en haar familie in het leven zullen laten ; haar en haars vaders huis, zullen sparen en weldadigheid zullen bewijzen.
En daarvoor wil zij een pand, een teeken, een zichtbaar en betrouwbaar teeken hebben — wat zij noemt een „waarteeken".
En dat „waarteeken", waarop Rachab vertrouwen kan, zal dan wezen een snoer van scharlaken draad, dat aan het venster zal gebonden worden (vers 18—21).
Rachab en haar huis vertrouwden o]) dat teeken ; en hun vertrouwen is niet beschaamd ! Israël heeft z'n belofte gehouden en Rachab en haars vaders huis zijn er wèl bij gevaren. Zij zijn van den dood gered en bij het leven bewaard — naar den aard en den inhoud van de belofte, welke door een betrouwbaar teeken was afgebeeld.
Het „waarteeken" is soiled bevonden geworden.
En zóó komt God Drieëenig met de belofte des Evangelies van de liefde des Vaders, "van de verlossing door den Zoon en van de heiligmaking door den Heiligen Geest — en beeldt dat af in teekenen, die „waarteekenen" zijn en die dan ook te vertrouwen zijn. Men kan er van op aan, dat ook geschonken wordt wat beloofd is.
En zoo zal dan ook een iegelijk, die gelooft, gewisselijk ontvangen, wat het water van den Doop afteekent, n.l. de afwassching der zonden en de vernieuwing des levens.
En de ziele zal ervaren, dat de teekenen van brood en wijn werkelijkheden der zaligheid brengen, in den weg des geloofs, om allen, die van het brood eten en van den wijn drinken, te geven den eenigen troost beide voor leven en sterven, met de blijdschap des harten, dat het vrede is.
Ja, het zijn „waarteekenen". Men kan er op vertrouwen. En een iegelijk die gelooft, zal niet teleurgesteld uitkomen.
Wat de Heere belooft, doet Hij ook en geeft Hij ook.
OOK UIT DE WERKEN VERZEKERD.
Hierover schrijft prof. dr. J. Ridderbos in het Geref. Theol. tijdschrift, waaruit we hier een en ander laten volgen. We doen dat, omdat er ook over deze materie groote verdeeldheid heerscht in beschouwing en waardeering, óók onder Gereformeerde theologen van groor ter en kleiner formaat. Er zijn er, die zeggen, dat Calvijn een verzekerdheid uit de vruchten of uit de werken niet kende. Maar nu komt prof. Ridderbos en toont aan, dat Calvijn wel degelijk zulk een verzekerdheid aanneemt. Wat dan ook uit de Institutie, maar niet 't minst uit zijn commentaren en preeken is te bewijzen, met overvloedig materiaal !
„Dat de Christen" — aldus prof. Ridderbos — „door het geloof verzekerd is van zijn verlossing door Christus, staat voor ons vast. Maar even zeker staat op grond van heel de Schrift vast, dat voor die verzekerdheid ook de goede werken beteekenis hebben. Tegenover Rome het werk van Christus te handhaven als het éénige fundament onzer zaligheid, is onze dure plicht. En elke gedachte aan éénige verdienstelijkheid onzer goede werken moet radicaal worden afgesneden. Maar — dan mag toch niet uit het oog worden verloren, dat de goede werken voor den Christen beteekenis hebben en houden tot verzekering in zijn geloof ; zooals ze moeten strekken tot eere Gods en tot stichting van onzen naaste.
Dat ook Calvijn wel degelijk zulk een verzekerdheid uit de werken aanneemt, springt aanstonds in het oog, wanneer we de Institutie, hoofdst. 11—18 van het 3de Boek, opslaan. Daar leert de groote hervormer met kracht „de rechtvaardigmaking des geloofs", en bestrijdt hij „de rechtvaardigheid der werken". Van het geloof zegt hij dan vele heerlijke dingen, en van de goede werken vele kwade dingen ! En het moet alles dienen om al zijn geestkracht te richten op de „gansch onverdiende rechtvaardigmaking" tegenover Rome's dwalingen.
Maar dan komt tegelijk, dat, wanneer de heiligen „zich voor God onderzoeken, hun eenige troost en vertrouwen wordt geschonken door de reinheid van hun eigen consciëntie". Zelf stelt hij dan de vraag, hoe dat met het voorafgaande overeenstemt (denk ook aan wal; de Catechismus in Zondag 27 zegt van de rechtvaardiging des zondaars !) ? Want daar is toch klaarlijk geleerd, dat men „in Gods oordeel op geen enkel vertrouwen der werken mag steunen, en op geen enkele inbeelding omtrent de werken mag roemen". En hierop geeft Calvijn dan dit antwoord : „Dit dan is de overeenstemming : dat de heiligen, wanneer het gaat over het grondvesten en vaststellen van hun zaligheid, zonder te letten op de werken, alleen op Gods goedheid de oogen richten. Maar wanneer de consciëntie zóó gefundeerd is, wordt ze óók bevestigd door het beschouwen van de werken, n.l. in zooverre als zij getuigenissen zijn, dat God in ons woont en regeert. Eerst dus het gansche vertrouwen des harten op de barmhartigheid Gods ; waarbij alle verdienste der werken verre moet zijn ; want ze kunnen geen hulp tot verkrijging der zaligheid zijn of worden. Het harte moet zich geheel en al verlaten op de belofte der onverdiende rechtvaardigheid. Maar — aldus Calvijn — wij verbieden geenszins, dat de Christen door de téekenen van Gods goedertierenheid jegens hem, dit geloof schraagt en versterkt. Want ze zijn als de stralen van Gods vriendelijk aangezicht over ons, waardoor wij verlicht worden tot het aanschouwen van het hoogste licht Zijner goedheid te onswaart. En zoo toont voor ons de genade der goede werken, dat de Geest der aanneming tot kinderen ons geschonken is.
De geloovigen mogen daardoor, als door de vruchten der wedergeboorte, gesterkt en getroost worden, bevestigd wordend in hun vertrouwen, dat God hun Vader is.
Neen, de goede werken, op zich zelf beschouwd, kunnen geen troost bieden. Altijd komt Calvijn er dan ook op terug, dat genade de éénige grondslag van alles is. Maar dit verhindert hem niet, uit te spreken, dat de geloovigen aan de vruchten der wedergeboorte het bewijs ontleenen, dat de Heilige Geest in hen woont en dat zij daarin, als in een zóó groote zaak, ondervinden, dat God hun Vader is.
In § 20 van hoofdst. 14 haalt Calvijn dan met instemming aan het woord van Augustinus, tot God gesproken in het gebed : „Veracht het werk Uwer handen niet ; zie Uw werk in mij, niet het mijne ; want indien Gij het mijne ziet, veroordeelt Gij het ; indien Gij het Uwe ziet, kroont Gij het ; want ook de goede werken, die ik heb, zijn uit U".
In het opmerken van het werk Gods in ons eigen hart en leven ligt een zeer belangrijke beteekenis tot versterking van ons geloof, voor de verzekering aangaande 't kindschap. Het is hierbij duidelijk, dat „het hart van een Christen zich niet wendt tot de verdiensten der werken, als tot de hulp der zaligheid, maar dat het zich geheel en al vestigt op de belofte der onverdiende rechtvaardigheid". En daarom mag het ook niet zóó worden verstaan, alsof de Christen eerst een volkomen geloof zou moeten hebben, eer hij aan de versterking des geloofs door het zien op de goede werken toekomt.
De tegenstelling met Rome moet allereerst in 't oog worden gevat en de onverdienstelijkheid der goede werken tot zaligheid moet scherp worden voorgesteld. Tegenover hen, die den mensch leeren, voor een deel op Christus en voor een deel op zijn eigen werk te vertrouwen, stelt Calvijn den eisch, dal het gansche vertrouwen op Gods barmhartigheid moet worden gesteld ; en dat alleen in dien weg óók in de goede werken troost is te vinden, tot sterking van het geloof.
Dat dit geloof dikwijls zeer zwak is, maar dan toch nog het zelfde geloof blijft, weet Calvijn zéér wèl. Men leze daar het 2de hoofdstuk van zijn 3de boek maar op na. Terwijl hij op de in het geloof begrepen zekerheid den grootsten nadruk legt, laat hij toch niet na, er op te wijzen, „dat bij allen altijd het geloof vermengd is met ongeloovigheid" (III — 2 — 4, slot).
Leerzaam is ook, wat hij zegt in § 21 : „Zoo komt een vroom hart, op welke wonderbare wijzen het ook geschokt en gekweld wordt, toch eindelijk alle moeilijkheden te boven en laat zich nooit het vertrouwen op Gods barmhartigheid ontnemen. Ja, zelfs alle aanvechtingen, door welke het gekweld en vermoeid wordt, loopen uit op de zekerheid van dat vertrouwen".
En nu moet men letten, op het bewijs, dat Calvijn daarvoor geeft.
Hij schrijft : „Ten bewijze hiervan strekt, dat de heiligen, wanneer ze het meest in benauwdheid meenen te zijn, toch voor Hem hun klachten neerleggen, en wanneer het hun toeschijnt, dat ze het minst verhoord worden, ze Hem desniettemin aanroepen. Want waartoe zou het dienen te klagen bij Hem, van Wien ze geen troost zouden verwachten ? En zij zouden er nooit toe komen Hem aan te roepen, indien ze niet geloofden, dat voor hen bij Hem hulp bereid was. Zoo klaagden de discipelen, in wie Christus hun kleinheid van geloof berispt, wel, dat zij omkwamen, maar toch riepen zij Zijn hulp in. (Matth. 8 VS. 25). En wanneer Hij hen bestraft, om hun klein geloof, verwerpt Hij hen niet uit het getal der Zijnen en rekent hen niet tot het getal der ongeloovigen, maar spoort hen aan hun zonde uit te drijven".
In het roepen tot God, in het toevlucht nemen tot God, ziet Calvijn de werkzaamheid van het geloof, van dat geloof, dat naar zijn wezen zekerheid is.
In dat licht moeten we zien het spreken over het putten van troost uit de goede werken. Er moet aan vooraf gaan het stellen van het gansche vertrouwen des harten op de barmhartigheid Gods. Maar dat beteekent niet, dat alle twijfel, alle zwakheid, alle klein geloof dan verre is. Het moet dus gaan om het aangrijpen der belofte Gods in Christus, van de belofte des Evangelies, ja, het stellen van het gansche vertrouwen des harten op Gods barmhartigheid — hoe klein en zwak ook, maar toch bij mij aanwezig.
Komt nu iemand mij bestraffen over mijn klein geloof, dan buig ik het hoofd en wil ik daarin de stem van mijn Heiland erkennen. Maar, wanneer ik dan, juist om dat zwak geloof te sterken, het oog richt op Golgotha, doch óók op datgene in mijn hart en leven, waarvan ik, met al mijn kleingeloovigheid, toch niet durf ontkennen, dat daarin blijken zijn van het werk Gods in en door mij — en er kwam dan iemand, die tot mij zei : neen, eerst die kleingeloovigheid wegdoen en dan pas kunnen de goede werken aan de beurt komen — dan zou ik in dien mensch eeren, dat hij mijn geloof enkel en alken wil richten op Christus en Gods barmhartigheid. Maar ik zou in die methode van onderwijs niet de leer van Calvijn herkennen en, wat meer zegt, niet de stem van mijn Meester herkennen.
Ik zou meenen, dat die prediker, of die theoloog, of wie het is, op den rijkdom van het werk Gods en de menigvuldigheid van de werkzaamheden des geloofs niet — waarschijnlijk nog niet — den rechten blik had.
En ik zou hem, als ik de vrijmoedigheid vond, de vraag stellen, of een dergelijk staan op zulk een bepaalde volgorde bij nader onderzoek, niet zou blijken meer Methodistisch dan Gereformeerd en Schriftuurlijk te zijn".
Aldus — in het kort weergegeven — wat prof. Ridderbos in Geref. Theol. tijdschrift schrijft over: óók uit-de werken verzekerd.
Catechismus Zondag 32 zegt, dat de goede werken o.a. daartoe dienen moeten „ daarna ook, dat elk bij zichzelven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij".
Dat behoort tot het „genade-loon", waarover Catech. Zondag 24 handelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's