De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

11 minuten leestijd

Verblijdt u in den Heere, en verheugt u, gij rechtvaardigen. Zingt vroolijk, alle gij oprechten van harte. Psalm 32 vers 11.

Onze tekst, geachte lezers, is ontleend aan den 32sten Psalm. Deze Psalm is een der zeven boetpsalmen, die onze gewijde zangbundel bevat. Die boetpsalmen zijn: Psalm 6, 25, 32, 38, 51, 130, 143.
Deze Psalmen zijn bij Gods volk geenszins onbekend. En dit geldt vooral ook van Psalm 32. En geen wonder. Al Gods kinderen leerden zich zelf, bij het ontdekkend licht des Heiligen Geestes, als onreine, mélaatsche zondaren voor God kennen. Spraken ze vroeger over de zonde, zonder recht te weten waarover ze spraken, nu, ontdekt door den Geest des Heeren, hebben ze de zonde leeren kennen in haar afschuwelijk, Godonteerend karakter. Geen wonder, dat ze het dan onder die druk der zonde niet kunnen uithouden. Geen wonder, dat dan de klacht opstijgt: „Mijn zonde maakt mij het voorwerp van Uw toorn, reeds van het uur van mijn ontvangenis aan". En, waar nu de Heilige Geest niet alleen met zonde en onmacht bekend maakt, maar ook tot be­ lijden dringt, daar komen ze met hunne ongerechtigheden voor den Heere, om van Hem ootmoediglijk vergeving terwille van het bloed des Lams te begeeren. Vandaar de bekendheid van de genoemde Psalmen. Deze geven weer, wat al des Heeren kinderen in meerdere of mindere mate leeren kennen. Welnu, over deze dingen gaat het ook in onzen tekstpsalm. Onze 32ste Ps. is, evenals de voorgaande, afkomstig van David. Maar tusschen beide Psalmen is een groot verschil. In, Psalm 31 is David ook in nood, maar, vanwege zijn vervolgers. Dan worstelen bij hem twijfel en geloof. Duisternis en licht wisselen elkaar af. Doch bij dit alles kleeft zijne ziele den Heere aan en zwijgt hij voor het aangezicht des Heeren niet van zijne nooden.
Doch in Psalm 32 staan de zaken anders. Ook daar is nood, maar geestelijke nood. Ook daar vervolging, maar door Gods toorn. Ook daar wel een spreken, maar niet dan na een lange tijd van stilzwijgen.
Over welk voorval gaat het nu in Psalm 32 ? Wel, over die donkere bladzijde uit het leven van David, toen hij zich aan moord en overspel had schuldig gemaakt. Zijn min fraaie houding jegens Bathseba en Uria. Nu is uit dit voorval uit 's konings leven veel te leeren. We zien zoo vaak op tegen bekeerde menschen, alsof die boven dit „al te zeer menschelijke" verheven zouden zijn, en tevens, tot niet geringe hoogte onfeilbaar zouden wezen. Doch de Schrift leert ons wel anders. Die brengt ons van het schepsel af, ten eenenmale. De Schrift verzwijgt nooit en nimmer de zonde der bijbelheiligen. Dus ook niet van David. Want niet alleen is de daad, die David verricht heeft, een volkomen verloochening van alle bemoeienissen die de Heere met hem gehouden had, maar ook vlot het, na het bedreven kwaad, niet met de schuldbelijdenis. David mag een kind des Heeren zijn, die weet te vertellen van Gods wondere leidingen in zijn leven. Maar; als David deze dubbele zonde begaan heeft, dan zwijgt David voor het aangezicht des Heeren. Dan komt het niet over Davids lippen : „Wees mij genadig, o. God". Dit gebeurt pas, na een jaar, en ook dan nog niet, voor en aleer de profeet Nathan tot hem gezonden is.
Daarom, geachte lezer, verwacht maar niet te veel van een mensch, ook niet van een Godvreezend mensch. Want uit ons is geen goed in der eeuwigheid; onze vrucht is alleen uit den Heere gevonden. Verbaas er u maar niet over, dat de Schrift ons dit van David, de man naar Gods hart, mededeelt. Verwonder u veeleer daarover, dat de Heere dit afgedoolde schaap weer terecht wilde brengen en laat deze prediking van Gods opzoekende goedertierenheid en genade u tot rijken troost zijn.
Zoo zweeg David dus geruimen tijd, voor en aleer hij zijne zonde beleed. En als dan, door Gods genade, die belijdenis over 's konings lippen gekomen is, dan is er 'bij hem nog niet direct blijdschap over de vergeving zijner zonde, waarvan de profeet Nathan hem mocht spreken. Neen, naarmate het schuldgevoel dieper is, zal ook het geloof in de vergeving der zonden, aan mij persoonlijk, meer strijd doormaken, alvorens het tot volle bewustheid doorbreekt. Maar, die bewustheid komt toch en daarvan legt Psalm 32 een heerlijk getuigenis af.
In onze tekst is sprake van blijdschap, van blijdschap des geloofs. Èen blijdschap, die Davids deel is en waartoe hij alle rechtvaardigen opwekt. Wat zijn dat voor menschen, die rechtvaardigen, waarvan in het Woord des Heeren zoo vaak sprake is ? Wat beteekenen die woorden „rechtvaardig en het daarmede samenhangende zelfstandig naamwoord „rechtvaardigheid of gerechtigheid" ? Deze vraag willen we, tot recht verstand der Schriftuur, eerst beantwoorden. En dan wil rechtvaardig zeggen : overeenkomende met een vasten regel of maatstaf. Zoo kan dus een zaak rechtvaardig zijn, als deze in overeenstemming is met een bepaalde norm, die men aanlegt.
Zoo is een persoon rechtvaardig, als hij in zijn gedrag aan een bepaalde maatstaf beantwoordt.
Zoo wordt de Heere ook in de Schrift rechtvaardig genoemd, dat wil zeggen: God blijft getrouw aan een vaste maatstaf en wel aan Zijn Woord. God handelt steeds zoo, zooals Zijn volk op grond van Zijn Woord van Hem verwachten kan.
Daarin ligt dus allereerst voor Gods volk een rijke troost. Ze weten, wat ze aan den Heere, hunnen God, hebben. Dat Hij de getrouwe is, die mildelijk geeft en niet verwijt. Dat Hij niet zal achterblijven ten dage hunner benauwdheid. Dat Hij, als ze in 't zwart gaan vanwege de onderdrukking des vijands, hunne ziel zal behoeden. Ja, Gods kinderen mogen het weten en verwachten, op grond van Zijn verbond, dat van geen wankelen weet, dat Hij hen, in den dag der duisternis, ten licht zal wezen. Zoo ontvangen ze zelfs van den Heere verlof, Hem vast te houden aan Zijn Woord, Hem aan Zijn eigen Woord te herinneren, waar Hij zelf tot hen spreekt: „Beproeft Mij nu eens daarin en zie, of Ik het beloofd heb en niet zal doen". Wat een voorrecht, als we zulke gewelddoeners mogen zijn op den troon der genade.
Maar niet alleen spreekt het feit, dat God rechtvaardig is, van troost. Neen, daarin ligt ook een ernstige waarschuwing vervat. Want God is dan ook getrouw in het uitvoeren van Zijn oordeelen, straffen, bedreigingen. Indien de zondaar zich niet bekeert, zoo zal de Heere Zijn zwaard wetten ; Hij heeft Zijnen boog gespannen en dien bereid. O, ontzettende gedachte. God de Heere, die niet aanziet wat voor oogen is, God de Heere zal recht doen. Hij zal Zijn glinst'rend wraakzwaard wetten tegen al de vijanden van Hem en van Zijn volk. Dan helpt geen schoone gedaante; dan baat geen uitwendige belijdenis; dan bevrijdt geen uitwendig deelhebben aan het genadeverbond.
Dan wordt er niet gevraagd of ge mee- Hept met de vromen; dan is het van nul en geener waarde, of ge gaarne getrouwe leeraren gehoord hebt. Dan baat 't u niet, of ge wel eens berouw hadt over uwe zonden en misschien op uw ziekbed een schuldbelijdenis je hebt afgelegd. Maar dan zult ge, waar ge geen hartveranderende genade kendet, 't loon van een Herodes, een Judas, een Achab ontvangen. O, vraagt 't u dan af, of ge al lust tot waarheid in het •binnenste kreegt.
We hebben u nu de beteekenis van het woord rechtvaardig uiteengezet. En het zal u nu, zonder meer, duidelijk zijn, dat dit woord een andere beteekenis heeft, al naar gelang van den norm, dien men aanlegt. Zoodat dus het woord rechtvaardig, in de Schrift, in verschillenden zin voorkomt.
Zoo is iemand in een twistzaak rechtvaardig, die het recht aan zijn zijde heeft. Zoo spreekt ook Abraham van rechtvaardigen met betrekking tot Sodom en Gomorra, als hij zegt: „Zult Gij ook den rechtvaardige met den goddelooze ombrengen ? " (Gen. 18 vs. 23). Het gaat hier niet om Godvreezende menschen. Wat niet alleen strijden zoude met het verband, maar ook zijn we in die twee steden niet op het terrein der bijzondere Godsopenbaring, maar op heidensche erve. Wat ook de uitkomst bevestigt. Rechtvaardigen zijn dus in dat geval menschen, die aan die gruwelen niet mee doen, of, positief uitgedrukt : menschen met burgerlijke gerechtigheid, of, onschuldigen. Zoodat we Gen. 18 vers 23 ook kunnen vertalen : Zult Ge den schuldige met den onschuldige ombrengen ? "
Nu is de hoogste maatstaf die aan een zondaar aangelegd kan worden, Gods Wet. En rechtvaardigen worden dan zij genoemd, die in gezindheid en wandel betonnen, aan de Wet Gods te willen beantwoorden. Menschen dus die vaardig zijn tot Gods Wet of recht.
Maar, dat is uit en van zichzelf niemand. Van nature zegt geen enkel mensch : „Hoe lief heb ik uw Wet, ze is mijne betrachting den ganschen dag". Neen, zal dat bij een zondaar zoo zijn, dan moet hartveranderende genade aan hem verheerlijkt worden. Dan moet de vijandschap die er van nature heerscht tegen God, tegen Zijn Woord en Waarheid, teniet gedaan worden, zoodat we van vijanden des Heeren, liefhebbers en gunstgenooten Gods worden.
Hier hebt ge dus weer een toetssteen om uzelven te toetsen.
Maar nu spreekt het vanzelf, dat deze liefhebbers des Heeren nooit anders dan schuldig onder Gods Wet uitkomen. En toch worden ze rechtvaardigen genoemd en zijn ze dit ook met der daad, omdat God hun hunne zonden vergeeft, hen aanziet in Zijnen Zoon Jezus Christus.
Geen wonder dan, dat zulke rechtvaardigen opgewekt worden, om den Naam des Heeren d.w.z. den Heere, in zooverre Hij zich geopenbaard heeft in Zijn heerlijkheid en Majesteit, groot te maken. De Hebreeuwsche grondtekst gebruikt voor dit geestelijk vreugdebetoon een 3-tal verschillende woorden, om de volheid en grootheid van de blijdschap van dat volk uit te drukken.. De Statenvertaling spreekt van verblijden, verheugen en vroolijk zingen. Beter is : Zich verheugen, juichen, jubelen.
Het is toch ook geen kleine zaak, waarover het gaat. Naar recht het eeuwig verderf verdiend te hebben; naar recht ter helle verwezen te worden, maar op grond van Christus komste, vrijgesproken te worden, vergeving van zonden.te erlangen en een kinderrecht te krijgen op die erve der heiligen in het licht. O, wie zal, voor dat wonder den Heere naar waarde danken ?
Ten slotte nog het laatste woord van onzen tekst. In de tweede helft van ons tekstwoord is sprake van „oprechten van hart". Wat zijn dat voor menschen ? Misschien zegt ge, menschen, die eerlijk voor hun gevoelen uitkomen. Die het precies zoo zeggen, als ze er over denken. Nu is dat in het dagelijksch leven waar. Maar, als ge het hier ook zoo wilt zeggen, dan begaat ge de fout, van Gods Woord te willen verklaren, niet (zooals het moet) uit de taal der schriftuur, maar uit die van de wereld. Een kwade gewoonte, die aan de gemeente des Heeren onnoembare schade berokkende. Neen, het gaat hier niet over menschen, die 't zeggen, zooais ze het meenen. Oprecht beteekent hier wat anders. Ons tekstvers bestaat uit 2 leden. Nu hebben we in de Hebreeuwsche poëzie het verschijnsel van het parallellisme d.w.z. het eerste lid van het vers drukt het zelfde ui'; , als het tweede lid, maar met andere woorden. Passen we dit nu toe op onzen tekst, die wij daartoe opzettelijk parallel afschreven, dan zijn dus de „oprechten van hart", dezelfde menschen als de rechtvaardigen.
Maar, waarom worden deze Godvreezen­den als „oprechten van hart" aangeduid ? Omdat hun hart in beginsel vernieuwd is. Door de zonde gold het woord 
Arglistig is het hart, meer dan eenig ding". Doch zie, wat Gods genade vermag. De oprechten of ,,rechten" van hart (zie 2 Kron. 29 VS. 34) ziju menschen, die in gedachten en gevoelens niet anders voeden, dan wat recht is, of niet anders beraadslagen dan rechte gangen te gaan. Het zijn dus niet de goddeloozen, van wie de Schrift zegt, dat ze bedrog en valschheid beminnen, maar juist het tegenovergestelde. Liefhebbers des Heeren, die het" kwade haten. Die vaardig zijn tot het recht, de Wet Gods. Welnu, zijt ook gij dat lezer ? Toets u zelf eens, want aan de vruchten kent men den boom. Och, als de Heere Zijn Woord bij u ingang doet vinden, dan ziet ge van nature bij u het tegendeel. En tevens uw onbekwaamheid. Maar, dan zult ge ook vluchten tot Hem, die krachten geeft, en, in enge gemeenschapsoefening met den Heere Jezus Christus, zult ge uit Hem vruchten voortbrengen; vruchten, tot verheerlijking van Gods naam en tot stichting van den naaste. Dan verstaat ge het lied van den dichter:
Rechtvaardig is de Heere in al Zijn handel. Hij, Die in 't recht Zijn welbehagen vindt. Slaat gunstig 't oog op aller vromen wandel
(Psalm 11 vers 4).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's