WAT CALVIJN ONS LEERT
Het is dus gebleken, dat Calvijn een open oog heeft voor de worstelingen des geloofs en nochtans voor vast en zeker houdt, dat door den strijd het geloof toeneemt in kennisse Gods en dieper zijn wortels inslaat.
Een en ander wordt nogmaals met verschillende voorbeelden uit het Woord bevestigd. Want hierin is een zeker kenmerk des geloofs, dat ook in de benauwdheid en beklemming van grooten tegenspoed de geloovige ziel niet ophoudt haar troost te zoeken hij God, omdat zij op Zijn barmhartigheid vertrouwt.
Zoo roepen de discipelen in den strijd met hun ongeloovigheid toch den Heere Christus aan. (Matth. 8 vs. 25). Ja, zij worden door den Heere bestraft vanwege hun ongeloof, en toch laat Hij hen niet los en geeft Hij hen niet over aan hun. ongeloovigheid, maar ontfermt Zich over hen.
Zelfs een druppel van het waarachtig geloof geeft nog een zekeren en onbedriegelijken smaak van de kennisse Gods bij alle onwetendheid, die den natuurlijken mensch eigen is.
Daarom kan de ongeloovigheid in de ziel van Gods kinderen stormen verwekken, maar zij kan geen heerschappij voeren in de ziel van Gods kind. Integendeel, zal het immer weer komen tot het getuigenis van David: Al ging ik ook door een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij. (Psalm 23 VS. 4).
Johannes betuigt dan ook, dat het geloof niet alleen de overhand behoudt in den strijd, maar dat het de wereld overwint. Dit is de overwinning, die de wereld overwint, n.l. ons geloof. (1 Joh. 5 vs. 4).
Nog een andere zijde.
Het geloof wordt niet alleen gesterkt door den strijd in. eigen ziel met de aanvechtingen van zonde en duivelsche machten, maar neemt ook leering uit hetgeen anderen geschiedt.
Calvijn spreekt van de exempelen van k. Gods toorn tegen de goddeloozen. Deze zijn den geloovige tot een spiegel, waardoor hij wordt vermaand zorgvuldig toe te zien, opdat hij zich den toorn Gods niet op den hals hale.
Zoo stelt Paulus den Corinthiërs de straffen voor oogen, waarmede de Heere eertijds Israël bezocht, opdat zij zich niet met dezelfde boosheden zouden besmetten. (1 Oor. 10 VS. 5 v.v.) Evenzoo wijst hij op den afval der Joden, vermanende, dat hij, die staat, toezie, dat hij niet valle.
De apostel wil daarmede niet op de onzekerheid des geloofs de aandacht vestigen, maar hij waarschuwt tegen den hoogmoed en tegen lichtvaardig vertrouwen op eigen macht. Hij wil de heidenen, die in de plaats der Joden zijn gekomen, weerhouden van opgeblazenheid tegen de Joden.
In de tweede plaats merkt Calvijn op, dat ook de geveinsde door Paulus in deze woorden wordt aangesproken, opdat hij niet roeme op een uitwendigen schijn van geloof.
Jood en heiden worden in het generaal genoemd. Dat is geen grond om aan te nemen, dat alle Joden verworpen en alle heidenen behouden zijn. Immers uit de Joden zijn er, die van het verbond der aanneming tot kinderen niet vervallen zijn, zoo zullen daar ook heidenen zijn, die door een dwaas vertrouwen des vleesches de goedertierenheid Gods misbruiken tot hun verderf.
De vreeze des geloofs.
Nogeens wordt door Calvijn met nadruk gezegd, dat een en ander niet bedoelt de consciëntie neder te slaan, zoodat men zich niet met gerustheid zou mogen verlaten op de barmhartigheid Gods.
In dit verband raakt hij aan het bekende woord: werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven. (Phil. 2 vs. 12).
Dat bedoelt niet anders dan dat wij ons zullen gewennen aan needrigheid om het oog te slaan op de kracht des Heeren en alleen op Hem te betrouwen.
Mistrouwen aan ons zelf uit het gevoel en de kennis onzer ellende, kan het meest opwekken om alle vertrouwen op den Heere te stellen.
Op dezelfde wijze verstaat Calvijn de woorden van Psalm 5 vs. 8 : Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heerlijkheid in Uwe vreeze. De vrijmoedigheid des geloofs gaat altijd aan de godzalige vreeze Gods gepaard. Dat kan niet anders, omdat de glans van de heerlijkheid Gods ons altijd weer herinnert aan onze onreinheid. Welgelukzalig is hij, die geduriglijk vreest. (Spr. 28 vers 14).
Calvijn wijst er voorts op, dat deze waarheid niet ziet op een benauwdheid om te bezwijken, maar op een vrees tot voorzichtigheid.
Hoe kunnen vrees en geloof tezamen in één hart wonen ? , vraagt Calvijn. Dat kan evenwel, zoo is zijn antwoord, als zorgeloosheid en benauwdheid daarin kunnen wonen.Want, wanneer de goddeloozen alle vreeze Gods uitwerpen door zorgeloos heid, zoo vinden zij toch niet wat zij zoeken, omdat zij door Gods oordeel worden benauwd.
Zoo kan God de Zijnen oefenen tot needrigheid, opdat zij zich een teugel aanleggen tot zaligheid en matigheid.
De waarachtige Godsvrucht brengt niet alleen eerbied voor God voort, maar ook de liefelijkheid der genade. (Hosea 3 vs. 5).
Zoowel de vreeze als de godzaligheid zijn dus aan het geloof eigen. De waarachtige vreeze Gods staat niet buiten het geloof, maar is een stuk des geloofs.
Calvijn bedoelt dus niet een vreeze, die uit eenigen anderen grond dan Godsvrucht in ons woont. Hij wil de vrees niet als een staat op zich zelf afgescheiden van de godzaligheid zien. Het is dus niet zoo : als wij op Christus zien, dan is er vertrouwen, maar als wij op onze onwaardigheid zien, dan is er wankeling.
Als het vertrouwen komt, is de vrees weg, en als de vrees komt, is het vertrouwen weg. Wat is dat voor een vertrouwen, vraagt Calvijn, dat nu en dan plaats geeft aan de vertwijfeling ? Ziet gij Christus aan, dan is uw zaligheid zeker, ziet gij op u zelf, dan is uw verdoemenis gewis.
Het is, alsof Christus van verre stond, en niet veeleer in ons woonde, maar wij verwachten de zaligheid van Hem, niet, omdat wij Hem van verre zien, maar, omdat Hij ons in Zijn lichaam heeft ingelijfd en ons niet alleen Zijn goederen, maar ook Zijns Zelfs deelachtig maakt. Zijn zaligheid neemt de verdoemenis weg. Hij komt met Zijn waardigheid tusschen ons en God, opdat onze onwaardigheid voor Gods aanschijn niet kome.
Het betaamt niet, zoo vervolgt Calvijn, dat men Christus van ons afzondere, of ons van Christus. Men moet met beide handen de gemeenschap vasthouden, waarmede Christus Zich met ons vereenigd heeft.
In deze gemeenschap ligt de godzaligheid, aan de vreeze Gods gebonden, doch geen vreeze zonder vertrouwen.
Paulus zegt: Indien Christus in ulieden is, zoo is wel. het lichaam dood om der zonde wil, maar de geest is levend om der gerechtigheid wil. Wanneer hoop en vreeze los worden gemaakt van elkander, zooals sommige „halve papisten", gelijk Calvijn zich uitdrukt, leeren, dan had de apostel moeten zeggen : Christus heeft wel het leven bij zich, maar gijlieden, gelijk gij zondaars zijt, blijft den dood en der verdoemenis onderworpen.
Hij leert echter anders, want hij leert, dat de verdoemenis, die wij uit ons zelven verdienen, door de zaligheid van Christus is verslonden. Deze onderwijzing ziet dus, zooals boven werd gezegd, op de gemeenschap van Christus.
Doch daarmede ontkent Calvijn niet, dat het geloof aangevochten kan worden en in de duisternis van de aanvechtingen verborgen kan zijn, maar niettemin houdt het waarachtig geloof niet op God te zoeken.
Calvijn wijst ook gaarne op de overeenstemming van zijn gevoelen met theologen, die worden verondersteld aan zijn lezer bekend te zijn : Dat was destijds zeker 't geval met Bernard van Clairvaux. Althans was hij bij name bekend als theoloog en bestrijder van ketterijen uit de elf* de eeuw. Deze man heeft over het leven des geloofs veel geschreven. Als hij het over de twijfelingen van het zondig menschenhart heeft, komt hij op de ijdelheid van den mensch. Wat zullen wij dan zeggen ? Zonder twijfel is de mensch niets.
Maar — vraagt hij verder — hoe is de mensch niets, terwijl God hem verheft en verheerlijkt ? Hoe is hij niets, tot wien Gods hart genegen is ?
Alhoewel wij niets zijn bij ons zelven, zoo kan er mogelijk nog iets schuilen in Gods hart. God is de Vader der barmhartigheid. Hij stelt Zijn hart op zulke ellendige menschen. Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Hoe kunnen wij nu Gods schat zijn, zoo wij niets zijn ?
Dan antwoordt hij, dat wij in het oordeel der waarheid Gods niets zijn, doch niet alzoo in de gezindheid van Gods liefde.
Immers God roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren. Zij zijn dus niets, omdat God de dingen roept, die niet zijn, doch zij zijn, omdat God ze roept.
Want al is 't ook, dat zij niets zijn voor zooveel de dingen aangaat, d.w.z. in en op zich zelf, zoo zijn zij nochtans bij God. Paulus zegt: niet uit de werken der rechtvaardigheid, maar uit Hem, die roept. (Rom. 9 VS. 11).
Men kan hieruit verstaan, wat Bernard bedoelt. In ons zelf niets zijnde, ziin wij toch heerlijk naar de roeping Gods. Zoo is dan eenerzijds alle roem des menschen uitgesloten, doch anderzijds is er roem in den Heere.
Indien God ons roept tot de zaligheid, zijn wij verlost. Daarin kunnen wij rusten. En hij laat daarop de vermaning volgen : Laat mij de stad Gods zoeken, laat ons den tempel, het huis, de Bruid zoeken. Want — hij herhaalt het met eerbied en vreeze — wij zijn toch in het hart Gods. Wij zijn door Zijn goedheid en niet door onze waardigheid.
De vreeze Gods.
De vreeze Gods is het beginsel der wijsheid. Deze vreeze is wel eenerlei en komt nochtans voort uit tweeërlei gevoelen.
God heeft in Zich de eerwaardigheid van een Vader en van een Heere.
Wie Hem dus naar behooren wil dienen, die zal zich hebben in te spannen om Hem re dienen als een gehoorzaam zoon en als een onderdanig dienstknecht.
De gehoorzaamheid, welke Gode als een gehoorzame zoon wordt gebracht, wordt door den profeet genoemd: eere (Maleachi ] VS. 6). De onderdanigheid, die Hem betoond wordt als een Heere, wordt genaamd : vreeze. (Vgl. Maleachi 1 vs. 6 en voorts Ps. 111 VS. 10; Spr. 1 vs. 7 ; 9 vs. 10; Job 28 vs. 28).
Toch ziet Calvijn de eenheid niet over het hoofd en besluit, dat de eerbied, welken wij Gode schuldig zijn, gemengd is met eer en vreeze. Deze twee gezindheden worden in één hart ontvangen.
Wie bedenkt, welk een Vader wij in Hem hebben, die heeft reden genoeg, ook al zou er geen hel wezen, om den toorn Gods meer te vreezen, dan den dood.
Aangezien wij echter zoozeer geneigd zijn tot zonde, zoo mogen wij bedenken, dat de Heere, in Wiens macht wij zijn, een gruwel heeft aan alle ongerechtigheid en dat wij aan Zijn wraak niet zullen ontkomen, opdat wij ons leeren bedwingen.
Reeds eerder hebben wij gelegenheid gehad om er de aandacht op te vestigen, dat Calvijn steeds weer op de twee betrekkingen wijst der religie, n. l. een meer algemeene en een bijzondere. Hier worden deze betrekkingen onderscheiden naar de tweeërlei verhouding van zoon en dienstknecht, hetwelk intusschen een Schriftuurlijken grond heeft, zooals wij hebben gezien.
De algemeene betrekking wordt door Calvijn teruggebracht op de almacht van den eeuwigen Schepper. Immers hij wijst er op, dat wij in Gods macht zijn, dat Hij een gruwel heeft aan de ongerechtigheid en dat wij daarom ons zelf hebben te bedwingen.
Zoo doet Calvijn hier een algemeenen roep uitgaan tot tucht over ons leven, die derhalve tot allen komt en allen geldt.
Daarnaast wijst Calvijn op de betrekking van het zoonschap. Deze innerlijke betrekking is een vrucht der eeuwige verkiezing Gods, welke in de wedergeboorte openbaar wordt.
Het behoeft niet gezegd, dat de vreeze en de eere in het wedergeboren hart tezamen wonen, omdat dezelfde God, die een Schepper is van allen, ook een Vader in Christus is voor Zijn uitverkorenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juli 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's