De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

9 minuten leestijd

Knechtelijke vrees.
De volmaakte liefde drijft alle vrees uit. (1 Joh. 4 : 18). Calvijn vraagt onder aanhaling van dezen tekst, of daarmede zijn betoog niet ónderstboven valt. Hij toch heeft beweerd, dat de godzaligheid aan de vreeze gepaard gaat, of liever omgekeerd dat het geloof niet zonder vreéze is. En nu — de liefde drijft alle vrees uit.
Johannes spreekt echter over de vrees van de ongeloovigheid en niet over de vrees des geloofs.
De goddelooze zou niet vreezen in Gods verbolgenheid te vallen, indien dat zonder straffe kon geschieden. Hij vreest de straf meer dan den toorn Gods. De geloovige vreest echter meer den toorn Gods dan de straf. Hij wordt niet ontroerd door de vreeze der straf, maar wordt voorzichtiger, opdat de straf over hem niet kome,
Calvijn ziet dat ook bevestigd in het woord van den apostel Paulus. Laat u niet bedriegen, want hierdoor komt de toorn Gods op de kinderen der ongehoorzaamheid. Hij dreigt niet met den toorn Gods, maar wijst op hetgeen den goddelooze wacht, opdat de geloovige daarop acht hebbe en de gramschap des Heeren niet zoeke te ondervinden.
Het is toch zoo, dat de goddeloozen door dreigementen niet worden wakker gemaakt. Veeleer verharden zij zich tot halsstarrigheid, als het Woord des Heeren uit den hemel dondert. Indien zij echter door de hand Gods geslagen worden, worden zij tot vreeze gedwongen of zij willen of niet. Zulk een vreeze is de z.g. knechtelijke vreeze of de vreeze der dienstbaarheid.
Daarentegen betaamt den kinderen Gods een vrije en gewillige vreeze.

De goedgunstigheid Gods.
Het geloof ziet op de goedgunstigheid Gods en in het gevoelen daarvan wordt het bezit der zaligheid en van het eeuwige leven verkregen.
Als wij God tot een vriend hebben, kan ons niets goeds ontbreken. God zelf maakt ons van Zijn liefde zeker en gewis en zoo worden wij ook van onze zaligheid verzekerd. Dat God ons Zijn aangezicht toone, zegt de Profeet, en wij zullen behouden zijn.
Daarom stelt de Heilige Schrift dit tot een hoofdsom onzer zaligheid, dat hij alle vijandschap weggenomen hebbende ons ontvangen heeft in Zijn genade. Daarmede geeft zij te kennen, dat ons geen gevaar kan Over blijven, omdat God met ons verzoend is, zoodat alle dingen voorspoedig zijn zullen.
Wanneer het geloof Gods liefde heeft aangegrepen, zoo heeft het de beloften van het tegenwoordige en toekomende leven en van allerlei goederen een grondige zekerheid. Doch zoodanige zekerheid als uit Gods Woord kan worden genomen.
Het geloof rekent zich geen zekerheid toe omtrent een langdurig leven, of eer, of rijkdommen voor dezen tegenwoordigen tijd, omdat de Heer e niet heeft gewild, dat wij van eenige dezer dingen zeker zouden zijn.
De voornaamste is echter de zekerheid, welke bestaat in de verwachting van het eeuwige leven, welke door Gods Woord buiten allen twijfel wordt gesteld.
Veel verdriet en jammer kan Gods kind overkomen, doch indien God iemand met
Zijn liefde omhelsd heeft, kan door de ellende niet worden teweeggebracht, dat de goedgunstigheid Gods hem niet tot gelukzaligheid zou zijn.
De hoofdsom der gelukzaligheid is Gods genade ; uit welke fontein ons allerlei goederen toevloeien.
De Heilige Schrift roept ons altijd tot de liefde Gods terug, als daar sprake is van de zaligheid en van eenig goed.
De goedheid Gods is beter dan het leven zelf (Ps. 63:4).
Indien ons alles naar wensch gaat, zou ons geluk vervloekt en rampzalig zijn, zoo wij in het onzekere bleven omtrent Gods liefde of haat. Maar als de Heere Zijn aanschijn over ons verheft, zullen wij ook in de ellende gelukkig zijn, omdat deze tot een hulpmiddel onzer zaligheid wordt gemaakt.
Daarom roemt de apostel, dat geen ding hem kan scheiden van de liefde Gods. (Rom. 8 : 35). En David zegt: „Al ging ik ook door een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vreezen. (Psalm 23 : 4).
Welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is, het volk, dat Hij zich ten erve verkoren heeft. (Ps. 33 : 12).

De belofte Gods.
De genadige en onverdiende belofte Gods is een fundament des geloofs. Het geloof rust op de belofte Gods als op een fundament.
Het geloof oordeelt, dat God alleszins waarachtig is, hetzij dat Hij gebiedt, hetzij dat Hij verbiedt, hetzij dat Hij belooft, hetzij dat Hij dreigt.
Het geloof ontvangt Gods bevelen gehoorzaam, het neemt Zijn verboden waar, geeft acht op Zijn dreigementen, maar het begint, staat en eindigt in de belofte Gods. Immers het geloof zoekt het leven in God. Doch het leven wordt niet gevonden in de geboden, of in de verkondiging der straffen Gods, maar het wordt in de belofte der barmhartigheid gevonden en wel in de genadige belofte.
Waarom nogmaals genadige belofte ? Omdat een belofte, die een voorwaarde stelt, waardoor wij op onze eigene werken worden aangewezen, ons het leven zou beloven, dat door onze eigen macht zou verkregen worden.
Een zoodanig geloof zou zeer wankel zijn.
Derhalve zullen wij een onwankelbaar geloof hebben dan moet het op den vasten bodem van Gods belofte der zaligheid steunen, welke door den Heere niet wegens onze waardigheid, maar veeleer om onze ellende wordt voorgesteld en geschonken.
Daarom wijst de apostel er met nadruk op, dat het Evangelie is een woord des geloofs en ontneemt dit getuigenis aan de geboden en beloften der Wet. Immers alleen de milddadige boodschap, dat God de wereld met Zichzelven verzoent, kan het geloof vast maken. (Rom. 10 vs. 8).
Hij spreekt van den dienst des Evangelies, welke hem bevolen is tot gehoorzaamheid des geloofs. Het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid voor allen, die gelooven.
Daarin wordt de gerechtigheid Gods geopenbaard van geloof tot geloof. (Rom. 1 VS. 6, 16, 17).
Het Evangelie is de bediening der verzoening. (2 Cor. 5 VS. 18). Het betreft dus Gods goedgunstigheid jegens ons, waarvan het geloof kennis moet hebben. Er is geen ander getuigenis, dat vast genoeg is.
Wanneer wij dus, zoo vervolgt Calvijn, zeggen, dat het geloof moet steunen op de genadige belofte Gods, dan wordt daarmede niet ontkend, dat de geloovige Gods Woord in alle stukken moet aannemen, maar de belofte der barmhartigheid wordt als een eigen kenmerk, waarop het geloof ziet, aangewezen.
Zoo belijdt het geloof, dat God is een Wreker der ongerechtigheid, maar het ziet op de goedertierenheid Gods. Als een zoodanige wordt God ons voor oogen gesteld, die over al Zijn werken Zijn goedertierenheid overvloedig uitstort. (Ps. 86 vs. 5; 103 VS. 8; 145 vs. 8).
Calvijn wijst dus met grooten nadruk op de beloften Gods en werpt de beschuldiging, als zou hij slechts een stuk des geloofs en niet den ganschen omvang des geloofs leeren verre van zich.
Het geloof is nimmer vast dan wanneer het is gekomen tot de genadige liefde Gods. En verder : wij worden met God door het geloof niet verzoend, tenzij het ons met Christus vereenigt.
Hij spreekt n.l. over het geloof, dat de kinderen Gods onderscheidt van de verworpenen.
Zal iemand een geloovige genaamd worden, omdat hij gelooft, dat God rechtvaardig gebiedt, al wat Hij gebiedt, en dat Hij waarachtig is in Zijn dreigementen ? In het minst niet, zoo antwoordt Calvijn.
Het gaat om het geloof, dat zalig maakt.
Daarom dringt hij aan op de onderscheiding van het voornaamste stuk : n. 1. dat geloof, hetwelk ons tot het Lichaam van Christus inlijft.
Gods Woord de wortel des geloofs.
Het geloof heeft Gods Woord even noodig als de vrucht den levenden wortel van den boom. Alleen zij kunnen op God hopen, die Zijn Naam kennen. Deze kennis ontstaat niet uit ieders inbeelding, maar uit het getuigenis, dat God Zelf geeft van Zijn goedheid. (Psalm 9 vs. 11).
Uw zaligheid is naar Uw Woord. Op Uw Woord heb ik gehoopt, maak mij zalig. (Ps. 119 VS. 41).
Zoo ziet dus het geloof op het Woord. Dit sluit Gods macht niet buiten.
Paulus getuigt van Abraham : dat hij geloofde, dat God, die hem het gezegende zaad beloofd had, machtig was. (Rom. 4 VS. 21). Verder : ik weet, wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is het pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag. (2 Tim. 1 vs. 12).
Zij die Gods macht zoozeer bekennen, moeten geen kleinen voortgang in het geloof hebben gemaakt, merkt Calvijn op. Wij gelooven wel, dat God alles kan doen, wat Hij wil, maar hoe vaak worden wij in aanvechtingen ter neder geworpen. Zoo doen wij Gods macht te kort, als wij de dreigementen van Satan, welke hij tegen Gods beloften opwerpt, meer laten gelden.
Daarom spreekt Jesaia zoo veelvuldig over Gods macht, als hij het volk de zekerheid der zaligheid wil indrukken.
Hoe vaak wijst hij op de wonderen Gods in de Schepping en op de wondere ordeningen van de Godsregeering.
Als hij dit doet, schijnt hij wel van zijn onderwerp af te dolen, maar dat is toch niet het geval. Neen, hij wijst op de mogendheid Gods, opdat wij ons oor tot het Woord wenden en Gods macht hoogelijk leeren waardeeren.
Het geloof ziet op de daadwerkelijke kracht Gods en past de mogendheid Gods tot zijn nuttigheid toe. Inzonderheid stelt het zich voor oogen de werken Gods, waardoor Hij zich betuigt een Vader te zijn.
Israël wordt altijd weer bepaald bij de groote verlossingen Gods, opdat het vertrouwen zal hebben, dat Hij een Bewaarder Israels in eeuwigheid is.
Zoo zijn de weldaden Gods, die Hij ons heeft betoond in ons leven, tot versterking van ons geloof in de toekomst. Door de vorige weldaden moeten wij in dagen van verlatenheid worden opgewekt. Ik gedenk aan de dagen van ouds, ik overleg al Uw daden. (Ps. 143 vs. 5). Zoo ook Psalm 77 vs. 12: Ik zal de daden des Heeren gedenken. Ja, ik zal Uw wonderen van oudsher gedenken.
Alles echter wat wij verstaan omtrent Gods mogendheid heeft geen nut zonder het Woord. Daarom is er geen geloof, voordat God met het getuigenis Zijner genade tot ons komt.
Zoo zijn Sara en Rebekka buiten Gods Woord gegaan. Sara gaf haar dienstmaagd aan haar man. Daarin heeft zij gezondigd, want zij bleef niet binnen de perken van Gods Woord. En Rebekka, zekerheid bekomen hebbende omtrent de verkiezing van Jacob, heeft haar man bedrogen, zette haar zoon tot liegen aan en verdierf de waarheid Gods door haar listen.
Toch, zegt Calvijn, hoezeer zondig en strafwaardig, waren zij niet zonder geloof. Hij ontzegt ook Izaak het geloof niet, omdat zijn genegenheid uitging tot Ezau, hoewel God hem had geopenbaard, dat de eere der eerstgeboorte was overgezet op den jongsten zoon.
Deze voorbeelden leeren ons, dat het geloof dikwijls met dwalingen is gemengd, hoewel het nochtans de overhand behoudt. Wij worden daardoor tevens onderwezen om zorgvuldig te letten op hetgeen de mond Gods gesproken heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's