NIENKE
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen
't Was haar aan het hart gegaan, toen hare dochter dien eersten nacht buiten in haar tentje slapen zou. Geen oog had zij geloken en tenslotte was zij stil opgestaan, om ongemerkt naar buiten te gaan en te zien, hoe Mini het maakte. Zij vond het zoo zielig, al de huisgenooten onder dak, in een warm bed, en de teerste en zwakste daar buiten, in de kille nachtlucht. Als het maar niet de voorbode was van iets anders. Maar toen zij voorzichtig naar den appelhof liep, had Nero opeens heftig gebromd en toen luid geblaft, niettegenstaande haar fluisteren, dat hij „koest" moest wezen, en toen is Mini door dat leven wakker geschrokken. Zij sliep zoo heerlijk, en moeder moest dat niet weer doen. Doch moeder heeft het wèl weer gedaan. Meer dan eens, vooral, wanneer het daarbuiten zoo stormen kon en de wind zoo op den schoorsteen blies. Nero is daar al aan gewoon geraakt, zoodat hij stil in zijn hok, naast de tent, liggen blijft, als hij de vrouw hoort komen ; en maar zelden gebeurde het, dat de kranke aan hare tegenwoordigheid behoefte had. Alleen was het voor haar eene geruststellende gedachte, dat moeder óók in den nacht over haar waakte en zij in de boerderij niet vergeten werd.
Ook ditmaal was het weer zoo'n echte Zondagsrust, welke over Donia-state hing. Ver in de velden klonk het geroep van een eenzamen vogel, die blijkbaar den tocht naar het verre Zuiden niet had willen of kunnen meemaken en nu het gevoel van verlatenheid over zich voelde komen.
Op een hekpaal zat een krassende raaf, eveneens een eenling van een wegstervend geslacht. Ginds blonken de witte zeilen van pleizierjachten, die op de wijde plassen aan het spelevaren waren. Langs den grintweg tufte een auto en peddelden fietsers in gezellig gekout.
Aan de kimmen stapelden zich grijs-grauwe luchten tot een bergland op, voorboden van de naderende herfstvlagen. Nog glansden gouden zonnestralen over het verstervend aardrijk, waardoor hier en daar een enkele late bloemknop poogde te ontluiken en schuchter het kleurig kelkje van tusschen het groen verhief, maar 't zou slechts een korte heerlijkheid zijn.
Plotseling herinnerde Mini zich van de catechisatie een psalmregel, waarin ook niets voorkwam van dat kortstondig leven der veldbloemen, maar óók nog iets anders. Hoe was het haast ook weer ? O ja, daar had zij het :
Gelijk het gras is ons kortstondig leven. Gelijk een bloem, die op het veld verheven. Wel sierlijk pronkt, maar kracht'loos is en teer ; Wanneer de wind zich over 't land laat hooren, Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren, Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.
Zoo ging het daar op 't oogenblik in de natuur, zoo ging het ook met het menschenleven.
Foei, wat was zij vandaag toch weer somber ! Met een zucht richtte zij zich op uit de kussens en liet het blanke hoofd, waaromheen de blonde lokken krulden, rusten in de hand. Straks zou het de derde winter wezen, welke zij in hare tent inging ; en wat zou het einde zijn ?
Gelukkig, dat moeders komst eenige afleiding bracht, al was de aanvang van het gesprek niet opwekkend. Men moest haar niet zoo plagen met al maar aan te dringen op het nemen van meer versterkend voedsel. Zij kon niet meer gebruiken. O, als zij maar eens, al was het slechts voor een week, vrij mocht van dat vervelende innemen en dat eindeloos drijven van altijd meer, meer ! Kon zij maar eens weer met de dorpsmeisjes wandelen of naar de kerk gaan. Rooske en Hedwig, en Maaike ook, en Tine en Bet, en hoe zij verder mochten heeten, wisten niet, hoe rijk zij waren met zoo ongedwongen te kunnen genieten van hare jeugdjaren. Maar aan den anderen kant was zij toch óók nog zoo rijk in het bezit van zooveel zegeningen, gelijk ds. Buitenveld gezegd had, vooral van zoo'n zorgzame moeder, die het zoo goed met haar meende.
't Scheen, dat hare gedachten een andere wending namen. De misnoegde trek verdween van het gelaat. De mooie, blauwe oogen kregen zachter uitdrukking. Mocht zij wel zóó ? Vriendelijker dan anders keek zij hare moeder aan. Een echte, welgedane Friesche boerin, 't hoofd getooid met het breed gouden oorijzer, maar in 't gelaat diepe voren, door den strijd van het leven daarin gegroeid. Moeders weg was ook niet immer over rozen gegaan, en nóg had zij meer leed, dan de buitenwereld wist.
„Was er vanmorgen veel volk in de kerk ? " vroeg Mini opeens.
„Ja, als gewoonlijk alles bezet. Pier Boukes moest banken in de paden zetten. Nog al vrij wat buitenvolk ook. Westergoo is vacant, zoo je weet".
„Heeft moeder Harm ook gezien ? "
't Was al drie weken geleden, dat hij haar een kort bezoek had gebracht en toen viel het haar op, dat hij heel anders deed dan gewoon.
„'k Wil niet gelooven, dat hij er was ; hij stond tenminste niet bij het jongvolk op het plein".
„Zeker een ander avontuur gehad ; Zevenhuizen zal Harm haast wel te klein worden".
„Och, dat geloof ik niet ; maar vanzelf, hij moet de wereld in, en deze ligt straks voor hem open. Hij heeft het evenwel erg met je op en vroeg deze week aan vader, toen die met den bles naar den smid ging, hoe het met je was".
„Vader heeft mij daar niets van verteld".
„Zeker niet om gedacht ; vader heeft ook zooveel aan zijn hoofd, vooral in dezen tijd. Maar hij heeft het mij aanstonds gezegd, toen hij thuis kwam. Me dunkt, hij begint van dien jongen te houden".
„Harm is voor mij verloren, moeder ; en ik voor hem".
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's