De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

GEEN SCHEURING IN DE RADIO-OMROEP!
In de „Geref. Kerk", Hervormd Weekblad der Confessioneele Vereeniging, schrijft L. P. van den Wilde, van Rotterdam-W., een waarschuwing, in betrekking tot de pogingen om een afzonderlijke Hervormde Radio-Omroep te stichten, in vervolge op een schrijven van ds. Rennes, van Strijen, die daarvoor zoo ijvert.
„Wanneer er hier in Nederland eenmaal een Chr. Radio Omroep bestaat (N.C.R.V.) is volgens mij" — aldus de heer v. d. Wilde — „het oprichten of propageeren van een specifiek kerkelijk Hervormde Omroep gansch geen middel om toenadering tusschen de helaas vele bestaande Kerken te bewerken. Het gebruik van de namen van ds. Groot Enzerink en ds. Lingbeek als strijders voor de N. H. R. O., zegt niets. Al was het geheele Hoofdbestuur der Confessioneele Vereeniging aangesloten bij de N.H.R.O, dan is dat nog lang geen bewijs, dat dit voortvloeit uit een echt Confessioneele levensovertuiging. Ik meen dat „Confessioneel" veeleer beteekent „tegen partijschap". Christenen zijn geroepen, indien eenigszins mogelijk, de éénheid te bevorderen en te bewaren en waar deze eenheid gevonden wordt (misschien dan wat zwakjes) op het terrein der Radio in de N.C.R.V., daar zijn wij geroepen deze Vereeniging, die reeds burgerrecht heeft verkregen, trouw te blijven. Zoolang we niet voor 100% ons ideaal hebben, mogen we niet het gezegende werk der N.C.R.V. trachten te verstoren door een kerkelijke Omroep — en hoe dan begrensd ? — als mosterd na den maaltijd op te richten.
We moeten toenadering binnen de muren der Kerk bevorderen, maar laten we dan niet op het terrein van de Radio-Omroep weer gaan verbreken wat we nu gemeenschappelijk hebben. Laten we de positie der Hervormden binnen de grenzen der N.C.R.V. versterken, met alle noodige en geoorloofde middelen. Maar niet separeeren als 't U blieft ! Het laatste is zeker niet naar Gods wil en ook vast niet volgens onze Confessioneele levensovertuiging".
De eindredacteur, dr. J. Ch. Kromsigt (die nu te Zeist woont) teekent er bij aan, dat hij nog zoo'n zelfde schrijven heeft ontvangen. Ons dunkt : alle Hervormden, die in deze dingen belangstellen, moeten beginnen lid te worden van de N.C.R.V. Waarom laten wij. Hervormden, deze en dergelijke dingen altijd te veel aan anderen over ? Wèg alle laksheid. En laten we houden wat we hebben ; laten we dat versterken door aller medewerking, gave en gebed !

ER IS MÉER DAN ÉEN DOGMA
Prof. Hepp schrijft in „Credo" een artikelenreeks over : Populaire Dogmatiek, en zegt dan, dat soms één dogma op den voorgrond wordt geplaatst, zóó sterk, alsof er maar één dogma zou bestaan, wat dan tengevolge heeft, dat andere dogma's worden verwaarloosd, wat alles scheef trekt. Hij noemt dan met name het dogma van de uitverkiezing en het dogma van het verbond.
„Er zijn menschen geweest, en zijn er nog, die de leer der uitverkiezing tot het dogma verhieven. Dat was eigenlijk het eenige, waarop hun belangstelling was geconcentreerd. Indien men daaraan maar vasthield, had men het Gereformeerde waarmerk verkregen. Welnu, één dogma tot het dogma verklaren, moet ook als een der soorten van verabsoluteering worden gewraakt. Wel loochende men niet de menschelijke verantwoordelijkheid, den val uit moedwillige ongehoorzaamheid, bekeering en heiligmaking, maar die achtte men van veel minder gewicht. Het kwam er niet zoo erg op aan of iemand die uitdrukkelijk voor zijn rekening nam. Deze en andere dogmata werden gerelativeerd.
Een tweede voorbeeld. Wat sommigen deden met de leer der uitverkiezing, deden en doen anderen met de leer van het verbond. Nu is dat een kostelijk dogma. Het is voortreffelijk, dat men zich daarmee bezig houdt. Dat mag niet anders. Doch nimmer mag worden vergeten, dat naast dit dogma nog een lange reeks van andere dogmata staat. Dat juist gebeurt nogal eens. O zeker, men wil aan die andere dogma's niet tornen. Maar de kerkelijke leer van het verbond willen zij toch als het hoofddogma zien beschouwd. Volgens hen moet de heele leer vanuit dat ééne dogma worden bekeken. De andere dogma's zijn daaraan ondergeschikt. Men noemt, als men het over een willekeurig onderwerp heeft, misschien wel vijftig maal het woord verbond, terwijl andere dogma's, welke er meer rechtstreeks bij betrokken zijn, nauwelijks worden vermeld. De verabsoluteering van het verbondsdogma sleept de relativeering van andere dogma's, die toch gelijke waarde bezitten, achter zich aan".
„Het kan zijn, dat men door één dogma bijzonder is gegrepen. Dan laat het zich verstaan, dat men daarover het liefst spreekt. Psychologisch is dat best te begrijpen. Maar wijl het om de waarheid en niet om het subject gaat, heeft men niet het minst andere waarheden lager aan te slaan en daarop minder licht te laten vallen".
„Ik hoop" — zoo besluit prof. Hepp — „dat men deze opmerking in liefde, zal opnemen en zich, zoo noodig, zal corrigeeren. Opdat men met Paulus mag roemen : ik heb u, zonder iets achter te houden, den vollen raad Gods verkondigd".

GEEN STEMMACHINES MAAR AFGEVAARDIGDEN
Bij de laatste Reorganisatie-voorstellen is ook weer gesproken over „de lastbrieven", over „imperatief mandaat" van de afgevaardigden der Kerken, die de meerdere (breedere) kerkelijke vergaderingen bezoeken. Men stelde het wel voor, dat die afgevaardigden met een „lastbrief" moesten zitting nemen en niet anders mochten stemmen, dan hun „opdracht" was. Wij hebben toen onze bezwaren daartegen doen hooren en meer dan éen getuigenis van anderen bijgebracht. Op de meerdere (breedere) vergadering der Kerken wordt gebeden en gevraagd om de leiding des Heiligen Geestes ; wordt ernstig over en weer gesproken, rondom Gods Woord vergaderd, bij belijdenis en Kerkorde. En dan zou men de afgevaardigden willen maken tot niets anders dan een „stemmachine" ? Dan zou men die meerdere (breedere) vergadering krachteloos willen maken door de daaraan voorafgaande besprekingen der „kleinere" vergaderingen, van de plaatselijke Kerken, of de Classis, of de Provinciale Synoden ? Dat mag immers niet ! Als de Kerken in grooter getal en uit breeder kring in Synode samenkomen, zullen de Kerken daar moeten beslissen, waartoe zij ook in de orde Gods en naar uitwijzen van de Kerkorde, geroepen zijn. Natuurlijk moeten de zaken wel besproken worden in de kleinere vergaderingen, die aan de Classicale Vergadering, de Provinciale Synode en de Algemeene Synode voorafgaan ; maar iedere kerkelijke vergadering zal naar haar aard moeten spreken, besluiten en handelen. Waarbij bezwaren naar luid van Gods Woord, eventueel, kunnen, mogen en moeten worden ingebracht.
Prof. dr. K. Dijk schrijft, met het oog op de komende Synode der Gereformeerde Kerken, te Sneek dit jaar te houden, in „De Bazuin" weer eens over deze zaak, en wij wijzen er hier op, om zoo meer te komen tot een gevestigde en gefundeerde opinie ook onder ons, wat vroeg of laat z'n nut kan hebben.
Prof. Dijk schrijft dan (30 Juni '39) het volgende :
„Men verlieze niet uit het oog, dat, wanneer de Synode tevoren rapporten toezendt aan de Kerken, welke rapporten op de Synode moeten behandeld worden, het niet de bedoeling is, en nooit kan zijn, dat de Kerken ieder voor zich een meening gaan vormen en eigenlijk op haar Kerkeraads-vergadering, of in de Classis, of op de Particuliere Synode den arbeid der Synode gaan verrichten.
Die Synode volvoert geheel zelfstandig haar taak.
Haar leden hebben geen imperatief mandaat. Zij moeten stemmen en beslissen naar eigen overtuiging, zooals zij meenen, dat God het wil, en al zou ook de meerderheid (om dit woord eens te gebruiken) in hun provincie vóór een bepaalde zaak zijn, hebben zij nochtans tegen te stemmen, indien hun consciëntie, gebonden door 's Heeren Woord, hun geen ander besluit zou toelaten.
En ten tweede, men vergete toch nooit, dat de Synode en de Kerken niet gescheiden mogen worden.
De band is zoo eng mogelijk.
Maar dan altijd zóó, dat de leden der Synode gebonden zijn enkel en alleen aan het Woord Gods en de belijdenis der Kerk en ook alleen verantwoording schuldig zijn aan Jezus Christus, Die de Koning der Kerk is.
Zij zijn, Gode zij dank, geen politieke afgevaardigden, die door de kiezers tot verantwoording geroepen kunnen worden".

ZIT ER WAT ACHTER?
De Provinciale of Particuliere Synode van Gelderland der Gereformeerde Kerken heeft besloten aan de Synode, te Sneek dit jaar te houden, de volgende vraag voor te leggen : zich uit te spreken over de vraag of personen, die op volwassen leeftijd willen overkomen uit een andere Kerkformatie tot één der Gereformeerde Kerken, zonder nog toelating tot de belijdenis des geloofs te vragen, als doopleden kunnen aanvaard worden ?
Zit hier wat achter ?
En wel dit : dat de Gereformeerde Kerken aarzelen om den doop van een andere Kerkformatie — zeg b.v. de Hervormde Kerk — te erkennen ?
Of wil men geen „doopleden" van ons of van andere Kerkformaties hebben in de Gereformeerde Kerken ?
Wij meenen, dat verleden jaar op de Geref. Predikanten-vergadering over de erkenning van den doop in andere Kerkformaties nogal zwaar gediscussieerd is — en daarom neigen wij tot het vermoeden, dat „er wat achter" deze vraag zit van de Provinciale Synode van Gelderland, eigenlijk afkomstig van den Kerkeraad der Gereformeerde Kerk te Harderwijk.
Of vergissen we ons ?
We hopen het.

MASSA-CATECHISATIE
In Den Haag is vanwege de Gereformeerde Kerken een massa-catechisatie gehouden in de (Geref.) Noorderkerk, waar de predikanten met al hun catechisanten in massa van 2000 tegenwoordig waren, om een catechisatie, te houden door dr. W. G. Harrenstein, Geref. pred. te Santpoort, bij te wonen. Dr. Harrenstein, die de groote Wereld-Zendingsconferentie van Tambaram bijgewoond heeft, gaf daar zijn indrukken weer en sprak over de Zending.
Iets dergelijks is vroeger te Amsterdam ook gebeurd, toen ds. A. Pos, van Djocja, een massa-catechisatie geleid heeft, sprekende over een Zendingsonderwerp.
„De catechisatie is immers" — aldus lezen we in „De Standaard" — „om ook eenig inzicht te geven aan de leerlingen, van wat de Zending beteekent en beoogt. En alle predikanten zien dat bijbrengen van eenige kennis over de Zending (door Zendings-mannen) als zeer noodzakelijk.
Deze bijzondere catechisatie wilde dan ook niet anders zijn dan een poging om den jongeren iets te laten zien van het groote werk, dat Christus bezig is te doen. En dat is dubbel noodig, juist in dagen, vol van verwarring".

EEN GEBED UIT DE DIEPTE voor DE KERK IN VERVAL
In dagen van diep verval voor 's Heeren Kerk zullen we goed doen te luisteren naar het Woord des Heeren : „Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is". (Hosea 4 vers 6a).
Welke kennis wordt er gemist ?
Er is gebrek aan kennis aangaande het Wezen, de deugden, de daden Gods, met een verachten van Zijn geboden en inzettingen. En het gevolg is : „dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen — dewijl gij de Wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uwe kinderen vergeten". (Hosea 4 vers 6b).
We zijn vervreemd geworden van 's Heeren Woord en we zijn zonder vreeze Gods, zonder geestelijke kennis en zonder geestelijk leven. En dan komt het woord van Jesaja op ons af : „tot de Wet en de getuigenis, zoo ze niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat ze geen dageraad zullen hebben".
Gelukkig, als de Heere ons oprecht wil maken en wij met droefheid vervuld mogen worden bij dat gebrek aan geestelijke kennis en dat gemis aan geestelijk leven, om ons uit te drijven tot Hem, Die nog altijd zegt : „Keert weder tot Mij, gij afkeerige kinderen, en Ik zal uw afkeering genezen".
Als we geen God hadden. Wiens genadegiften en Wiens roeping onberouwelijk is, was het een verloren zaak, maar nu is er nog hope, wanneer er een roepen geboren mag worden uit de diepte tot den God des eeds en des Verbonds, Die trouwe houdt tot in eeuwigheid en Die niet Iaat varen de werken Zijner handen ; Die nog telkens wil zeggen en waar maken: „Ik doe 't niet om uwentwil, maar ik doe het om Mijnentwil, zegt de HEERE".
Hoe meer er medelijden mag komen met het gruis van Sion bij degenen, die den Heere vreezen, hoe meer er ook gebeden zal worden om het herstel der Kerk en hoe meer er ook zal worden meegewerkt aan den opbouw van des Heeren huis ; als 't moet met troffel en zwaard. Lees eens wat Nehemia ons uit zijn leven vertelt. Om der zonde wil heeft God Zijn volk in de ballingschap doen gaan. Hij heeft Jeruzalem bezocht met Zijn straffen en den tempel met Zijn oordeelen. En als hij, vreemdeling in een vreemd land, dan weer van de ellende hoort en hem het diep verval van 's Heeren tempel wordt bericht, dan zit hij dagen lang weenend en verslagen neer, vastende en biddende tot den God des hemels. „En ik zeide" — zoo verhaalt de profeet zelf —: „Ach, HEERE, God des hemels, groote en geduchte God, die Uw verbond en Uw gunst bewaart dengenen, die U liefhebben en Uwe geboden onderhouden ! dat Uwe ooren toch opmerkzaam en Uwe oogen open zijn, om te hooren naar het gebed Uws knechts, dat ik dag en nacht tot U bid voor Uwe knechten de Israëlieten, belijdende de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U bedreven hebben ; want ook ik en mijns vaders huis hebben gezondigd".
„Wij hebben tegen U zeer snood gehandeld, want wij hebben niet gehouden de geboden, inzettingen en verordeningen, die Gij Uw knecht Mozes hebt bevolen. Gedenk toch het woord, dat Gij Uw knecht Mozes hebt geboden, zeggende : indien gij overtreedt, zal Ik u onder de volkeren verstrooien ; maar wanneer gij u tot Mij bekeert en Mijne geboden onderhoudt en ze doet, zoo zal Ik uwe verdrevenen, al waren zij aan het einde des hemels, vandaar verzamelen en brengen naar de plaats, die Ik heb verkoren om Mijnen naam aldaar te doen wonen".
„Ach, HEERE", zoo vervolgt de man Gods in ballingschap, „dat Uwe ooren toch opmerkzaam zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die begeeren Uw Naam te vreezen ; en laat het heden Uw knecht wèl gelukken, en geef hem barmhartigheid". (Nehemia 1).
Mocht er ook in onze dagen veel gebed uit de diepte oprijzen tot den God des hemels voor de Kerk, die in zoo diep verval en in zoo grooten nood verkeert.
Een gebed als van den man Gods, Nehemia. Een dagelijksch gebed van degenen, die den Heere vreezen.

DE VRIJZINNIG HERVORMDEN EN DE REORGANISATIE. (7)
Éénheid en verscheidenheid — wil ds. Bakker. En vooral over de verscheidenheid wordt dan breed gehandeld (confessioneele-, psychologische- en cultureele beginselen, daaraan ten grondslag liggend).
In de richting van „werkverbanden" (ongeveer gelijk aan de „huisgemeenten", waarvan men vroeger, in het rapport van „Kerkopbouw", wel sprak), wil men gaan ; om „nieuwe organen der gemeente" te krijgen.
En zij zouden vooral voor de nieuwe „Zendingstaak der Kerk" in onze ontkerstende en onkerkelijke wereld van buitengewone beteekenis kunnen zijn — zegt ds. Bakker (blz. 14) „Want wij zullen — goed geleid — een groote aantrekkingskracht kunnen uitoefenen op die schare van jongeren, intellectueelen en arbeiders, die steeds meer naar het religieuse en Christelijke toe groeien ; maar niets, en dan ook niets moeten hebben van het tegenwoordige kerkelijke leven" — „niet 't minst ten opzichte van de traditioneele kerkdiensten". „En toch is er ongetwijfeld onder velen van hen een steeds grooter waardeering groeiende voor de zedelijke en religieuse waarden van het Christendom".
Er zijn zooveel „onbetaalde rekeningen" der Kerk in deze. Dat bewijst de jeugdbeweging ; de beweging onder sociaal- belangstellenden, enz. enz.
„Ik ben er alweer van overtuigd, dat.zij, die "veelal geheel ontgroeid zijn aan ons traditioneel kerkelijke leven, via zulk een sociaal gemeente-werkverband aan de Kerk te binden zijn. In elk geval ligt ook hier een nieuwe kans. Het is dan ook niet toevallig, dat juist in de rapporten van Oxford in deze richting van nieuwe organen wordt gewezen" (blz. 15)
In het rapport van de Oecumenische Conferentie te Oxford aangaande „Kerk, Volk en Staat", wordt in betrekking tot de economische orde gezegd : „te dien einde behooren de Kerken — waar zij niet uitgerust zijn voor dit doel, organen te harer beschikking te hebben, zoowel voor studie en onderzoek, als voor getuigenis en actie. Alleen wanneer deze beschikken over zeer bevoegde krachten en uitstekend toegerust zijn, zullen ze indruk maken, zoowel in als buiten de Kerken. In het verleden hebben uitspraken soms, en preeken vaak, hun uitwerking gemist, omdat de sprekers een technische kennis voorwendden, die zij niet bezaten. Daarom zouden wij er op willen aandringen, dat er, wat de vorming van een Christelijke opinie betreft, meer samenwerking komt tusschen geestelijkheid en predikanten aan de eene kant en diegenen onder de leeken, die werkzaam zijn in industrie, handel en bestuur, aan den anderen kant".
Wij zouden willen vragen : moet men nu vrijzinnig zijn om zoo iets te kunnen bereiken ? Moet de Hervormde Kerk daarvoor aan de modernen, met hun oud-liberale of socialistische gevoelens, plaats geven ? Hebben alleen en speciaal de modernen de capaciteit om met industrie, handel en bestuur in aanraking te komen en daar iets goeds uit te richten ?
Men doet net — ds. Bakker behoort zelf tot de S. D. A. P. — alsof de rechtzinnigen nog nooit iets gedaan hebben in deze. Heeft men •nooit van onze sociale congressen gehoord, van onze Christelijke arbeidersbeweging, van onze Chr. Vakvereenigingen, van Patrimonium noch Chr. Werkmansbond ? Heeft men nooit gehoord van dr. Kuyper, dr. De Visser, ds. Sikkel, ds. Talma, prof. Slotemaker de Bruine, enz. enz. ?
Zeker, laat het gerust gezegd worden, dat het alles gebrekkig werk geweest is, maar is het onmogelijk wanneer de Hervormde Kerk uit en naar haar belijdenis leeft en spreekt ? Men boude het ons ten goede, maar dit is weer zoo'n onaangename, eigenwijze redeneering van vrijzinnige zijde, alsof de arbeiderswereld, het sociale leven, gebaat en gered zou zijn, als de Hervormde Kerk in dien zin een „Volkskerk" walde zijn, dat de meest tegenstrijdige beginselen daar vrij spel hadden ! Als er één middel is, om de zaak nog meer te bederven, dan moet men déze kant uitgaan, die door ds. Bakker, ook namens de Vereen, voor Vrijz. Hervormden, hier wordt aangewezen en aangeprezen. Waarbij we ons door dat woord „kerkelijk" niet van de wijs laten brengen. Oók niet als ds. Bakker het kerkelijk-organisatorisch uitwerkt door te zeggen : „Ook classicaal, provinciaal en synodaal moet er mogelijkheid van samenwerking zijn tusschen gemeentelijke werkverbanden met gelijke doelstelling. Het zal dan ook niet moeilijk zijn tevens een verband te leggen tusschen deze regionale werkverbanden en de Classicale en Synodale commissies, die zich op hetzelfde gebied bewegen".
Allemaal prachtig. Maar vóór dat de Kerk (laat alles op haar rug gaat nemen, laat zij zich dan eerst juist als Kerk van Christus beter inrichten naar den eisch van Gods Woord. En laat men niet met looze kalk strijken.
„De Kerk aan 't werk" — kan alleen maar in practijk gaan, als de levende Kerk sterk is door haar geloof in Jezus Christus, haren Heere en Heiland.
We moeten immers komen tot , , een gemeenschappelijk getuigenis" en een „Christelijke opinie ? " Welnu, dan moet men niet aansturen op een Koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, met een Babylonische spraakverwarring !
Ook hier geldt : „Tot de Wet en de Getuigenis !"
Anders „geen dageraad".
(Wordt voortgezet.)

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (10)
Boven het zesde hoofdstuk staat in Wormser's boekje : „I-leoht en doel van den doop".
„Hoe komt men aan het recht, om zijn kinderen te laten doopen ? En wat beoogt men daarmede ? "
,,Deze vragen zijn vooral belangrijk" — zegt Wormser (blz. 32) — „wanneer zij gedaan worden in het midden van een natie, die, zelve in haar geheel gedoopt, voortdurend en eenparig haar kroost tot den doop brengt".  ,,Een gedoopte natie doet niets minder onderstellen dan een „heilige" natie ; een „afgezonderde" natie, die in haar geheele bestaan aan God is toegewijd, en Hem in al haar betrekkingen en belangen erkent" - of moet erkennen. De Heere zegt krachtens den Kinderdoop: het zijn Mijne kinderen, zooals Hij door de profeten, ook in dagen van den grootsten en diepsten afval, van Israels zaad getuigde efi in 't midden des volks deed hooren. Mijne kinderen, die niet aan Moloch gewijd mochten worden, maar Israels Bonds-God toebehoorden in de verste geslachten.
Indien dit dan ook onder ons (zegt Wormser) op grond van den feitelijken toestand van een gedoopte natie wordt tegengesproken, moet men niet zeggen, dat Gods verbond zou wankelen, «maar dan is het omdat die natie in haar handelingen en betuigingen omtrent den doop liegt.
„Onze natie was oorspronkelijk heidensch ; was vervreemd van God ; wandelde in de duisternis ; was de niet-ontfermde ; was niet- Gods volk ; en diende afgoden van hout en steen. In dien toestand werd zij aangetroffen door het Evangelie. God zocht hen op in den weg van Zijn bijzondere openbaring, en deed (Ic roeping der prediking tot hen uitgaan. En door de genade van God werden eerst eenigen, later meerderen, en eindelijk de gansche natie door het Christendom overwonnen, en dientengevolge gedoopt".
De gang van Christus' Kerk onder ons is als volgt geweest :
, , Een heiden wordt door de prediking des evangelies, op welke wijze ook, getroffen en door Gods Woord en Gods Geest ontdekt en met zijn ellendigen en verloren toestand bekend gemaakt. Hij leert in den Drieëenigen God, zijn Schepper, zijn Verlosser en zijn Heiligmaker kennen. Hij leert de genade van dien God kennen, alles saamgevat in den zoendood en de opstanding van Christus ; en dan komt ook het oogenblik, dat hij hiervan getuigenis mag en wil afleggen, door zich, naar het genadige bevel des Heeren, te doen doopen in den Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. En zóó gaat hij dan, naar de orde, door God gesteld, over uit den toestand waarin hij van nature was, in den toestand der genade, uit de duisternis overgezet in het licht, en uit de wereld getrokken zijnde om te worden toegevoegd tot de Gemeente des Heeren ; waarbij er overeenkomst is tusschen de besnijdenis onder Israël en de Doop onder ons.
Met dit alles blijft hij dan nog op aarde wonen, om in deze wereld den Naam des Heeren te belijden en Hem te eeren en te dienen. En hoe zal hij God dan dienen ? Alleen mei zijn gedachten, of ook met zijn woorden en daden ? Alleen een paar uur in de week des Zondags, of zal het moeten zijn dag aan dag ï Die met Christus gestorven en opgestaan is, is de aan God toegewijde en geheiligde ; is Gods dienaar met alles wat hij is en bezit ; en ten allen tijde, in huis en daarbuiten, de vorst net zoo goed als de onderdaan, de ontwikkelde evengoed als de eenvoudige van levensstand f met al z'n krachten en bezittingen ; met zijn
gansche huis ! Hij is met alles wat het zijne is, den Heere geheiligd.
En daarom gaat hij „huisgezins-gewijze" over in den dienst des Heeren, en worden zijn kinderen, krachtens het Verbond Gods, met hem gedoopt.
Hij kan niet wenschen, dat iets van het zijne; en vooral niet, dat zijn kroost, de ontwikkeling en voortzetting van zijn eigen wezen, buiten het Verbond zou blijven, waarin hij thans met God staat. En hij mag dit doen, door de genadige bestelling van den Heere, Die in het verbond, met Abraham opgericht, heeft verklaard te willen zijn de God van hem èn van zijn zaad.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's