De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

10 minuten leestijd

Alle beloften in Christus besloten.
De apostel besluit het gansche Evangelie in de kennis van den Heere Jezus Christus, in Wien alle beloften ja en amen zijn. De beloften des Heeren zijn een getuigenis Zijner liefde en goedgunstigheid. Ook de goddeloozen worden door de milddadigheid des Heeren verrijkt, schoon zij niet opmerken, dat die uit Zijn hand hun toekomen, zoodat zij hun oordeel te zwaarder maken.
Dit kan echter nooit een argument zijn tegen de goedheid Gods, n. 1. dat Hij de goddeloozen oordeelt. Er zijn wel menschen, die alleen Gods goedheid zouden prijzen, zoo Hij tevreden was met hun goddeloosheid. Dezulken meten God naar een maatstaf, dien zij zelf aanleggen, of liever zij maken zich een God hunner verbeelding, doch houden Hem niet in erkentenis, die Zich in Zijn Woord openbaart.
Calvijn vergelijkt degenen, die de goedertierenheid Gods niet opmerken, bij het redeloos gedierte. Waardoor kunnen zij nog onderwezen worden, die Gods weldaden niet opmerken ? Ook de dieren ontvangen uit de milddadigheid Gods, maar zij weten het niet en overleggen niet.
De kracht van 's Heeren goedgunstigheid wordt échter niet uitgebluscht door de goddeloosheid, welke haar niet opmerkt. Maar de werking der beloften wordt eerst door het geloof verstaan en wel zoo, dat het Gods liefde opmerkt. God verklaart Zijn hef de in Zijn weldaden jegens dengene, die gelooft.

Wie echter is het voorwerp van Gods liefde ?
Het is buiten allen twijfel, antwoordt Calvijn, dat God niemand lief heeft dan Jezus Christus. (Matth. 3 : 17 en 17 : 5). Hij is de geliefde Zoon, in Wien de liefde Gods haar zetel en rustplaats heeft. Van Hem uit gaat de liefde ook tot ons uit. Paulus zegt, dat wij de genade verkregen hebben in den Beminde. (Ef. 1 vs. 6). Dit is een belangrijk stuk, waarop een iegelijk wel dient te letten, n. 1. dat God den Zoon liefheeft en Hem alleen.
Calvijn heeft er den nadruk op gelegd bij een vroegere gelegenheid, dat Christus IS de Uitverkorene Gods, zooals hij in dit verband weer hetzelfde zegt met andere Woorden : De Vader heeft den Zoon lief.
Velen spreken over de liefde Gods, alsof deze rechtstreeks op ons verdorven geslacht en ons zondaren zou mogen worden getrokken, m.a.w. alsof wij in een rechtstreeksche liefdeverhouding tot God stonden. Dat is een misverstand, waaraan geen plaats mag worden gegeven. Wel is daar een onmiddellijke levensverhouding van alles , wat adem heeft, tot God, den almachtigen Schepper. Het is ook zoo, dat de mensch in een reine verhouding tot Zijn God en Schepper werd gesteld en zich daarvan in gehoorzaamheid bewust was, zoo dat hij met den hoogen en heiligen God verkeeren mocht. Vanwege de ongehoorzaamheid echter is deze verhouding verkeerd, zoodat wij het voorwerp zijn geworden van Gods toorn.
Indien wij derhalve op onze rechtstreeksche verhouding het oog hebben, is daar alle reden tot vreeze.
De liefde Gods wordt echter op ons overgebracht door tusschenkomst van den Christus. Hij is de band, waardoor God in vaderlijke liefde met ons werd verbonden. (Rom. 8 VS. 3). Elders noemt de apostel Christus : onze Vrede. (Efeze 2 vs. 14).
Wat volgt daaruit ?
Dat telkens weer, wanneer daar sprake is van Gods belofte, het oog op Christus moet worden geslagen, omdat alle beloften Gods in Hem vervuld worden en vast zijn. (Rom. 15 VS. 8).
Sommige voorbeelden uit de Heilige Schrift schijnen tegen deze voorstelling te strijden. Calvijn wijst op het voorbeeld van Naaman den Syriër. Hij vroeg den profeef naar de wijze om God te dienen en, zoo zegt Calvijn, men kan haast niet aannemen, dat hij aangaande den Middelaar onderwezen was. Nochtans wordt zijn gelukzaligheid geprezen.
Dan Cornelius, de Romeinsche kapitein. Hij kon toch nauwelijks op de hoogte zijn, met hetgeen zelfs aan alle Joden niet is bekend geweest.
Toch staat daar, dat zijn aalmoezen en gebeden Gode behagelijk zijn geweest. Verder de kamerling, tot wien Philippus werd uitgezonden. Deze man had er een lange en moeilijke reis voor over om te Jeruzalem te aanbidden. Dat alles is niet verklaarbaar, als er geen geloof is. En toch, als Philippus hem ondervraagt, blijkt, dat hij den Christus niet kende.
Hoe is dit nu?
Wel, zegt Calvijn, ik geef toe, dat hun geloof onklaar en „ingewikkeld" is geweest, d.w.z. als in windselen was verborgen, zoowel ten aanzien van den Christus als aangaande Zijn Middelaarsambt.
Calvijn voegt daar echter aan toe, dat er toch iets moet geweest zijn, eenig beginsel, waardoor zij iets van het waarachtig geloof deelachtig zijn geweest en, hoe weinig ook, een smaak van Christus hebben gehad.
Zij offerden de offeranden der Wet, welker einde is Christus, en deze waren van de valsche offeranden der Heidenen onderscheiden.
Hij neemt dus een schemerachtige kennis van Christus aan. Het getuigenis des Woords moet ons hierin genoeg zijn.

Het geloof verklaard.
Met ons verstand zullen wij deze dingen niet begrijpen. Het kan Gods licht niet aanschouwen en is der ijdelheid onderworpen, zoodat het Gods waarheid niet kan aanhangen.
Daarom wordt er door het Woord zonder de verlichting des Heiligen Geestes niets uitgericht.
Daaruit blijkt, dat het geloof des menschen verstand verre overtreft. Ja, het is zelfs niet genoeg, dat het verstand wordt verlicht door Gods Geest, tenzij het hart wordt versterkt door Zijn kracht.
Deze opmerking van Calvijn verdient ook alle aandacht. Hij schijnt dus de mogelijkheid te onderstellen, dat het verstand door den Heiligen Geest wordt verlicht, terwijl het hart des menschen niet wordt geroerd door Zijn kracht.
Velen zullen dit een vreemde onderstelling vinden: verlicht door den Heiligen Geest en toch buiten het hart om.
Het is echter niet alleen in dit verband, dat Calvijn de zaak zoo stelt. Telkens weer wijst hij er op, dat de Heilige Geest gaven schenkt, zelfs aan, de goddeloozen, gaven, welke derhalve buiten de zaligheid om gaan.
Als Calvijn over algemeene en bijzondere genade spreekt in het begin van zijn Onderwijzing der Christelijke Religie, onderscheidt hij tweeërlei geloof, of religie, een geloof, dat alleen uit de verlichting des verstands door den Heiligen Geest leeft, en een geloof, dat uit de wedergeboorte des harten opkomt.
Die onderscheiding is dus bij Calvijn heel niet vreemd, maar zeer wel overwogen. Zoo moet men dus ook aannemen, dat er menschen zijn, die door verlichting des verstands meer van de Heilige Schrift verstaan dan anderen en nochtans de genade der wedergeboorte derven.
In dit verband waarschuwt Calvijn inzonderheid tegen de leer, als zou het geloof alleen een soort kennis zijn, welke men aanneemt, zoodat in dat aannemen 't geloof opgaat. De Catechismus leert het anders, als hij zegt: niet alleen een stellig weten, maar ook een vast vertrouwen. Deze laatste zaak raakt het hart.
In beide opzichten is het geloof een gave Gods, en wel zoo, dat het verstand wordt gereinigd om Gods waarheid te zien — (dat is het ééne) — en dat het hart in de waarheid wordt vastgezet — (dat is het andere). —
Calvijn stelt het verder zóó voor, dat de Heilige Geest niet alleen de beginner, maar ook de voortzetter en de voleindiger is. Hij leidt a.h.w. het geloof langs verschillende trappen, totdat Hij ons brengt in het hemelsch Koninkrijk. De Heilige Geest, die in ons woont, bewaart het pand, ons toebetrouwd. (2 Tim. 1 vs. 14). Hier wordt dus uitdrukkelijk op de inwoning des Heiligen Geestes gewezen.
Maar, zal iemand zeggen : Paulus leert, dat de Geest uit het gehoor des geloofs wordt geschonken. (Gal. 3 vs. 2). Hij zou het dus zoó willen verstaan, alsof de Geest een vrucht des geloofs ware. Indien er slechts een eenige gave des Geestes ware, zou Paulus toch ten onrechte den Geest een vrucht van het geloof hebben genoemd, want de Geest is de Werkmeester des geloofs.
Het geloof maakt ons evenwel bekwaam om de gaven Gods te ontvangen. In dien zin noemt Paulus de gaven, waarmede God Zijn kerk versiert, gaven des geloofs.
Zoo kan ook niemand in Christus gelooven, tenzij het hem gegeven wordt.
Ook dit is niet zoo vreemd als het voor sommigen lijkt, die het geloof als een louter aannemen verstaan willen. Het geloof kan echter de gaven Gods slechts door de
werking des Heiligen Geestes aannemen, zooals werd aangetoond.
Toch zijn er altijd, die dit niet verstaan, en Calvijn schrijft dit toe aan twee oorzaken.
Vooreerst zegt hij: zij begrijpen niet hoezeer de hemelsche wijsheid verborgen en verheven is en hoe groot het onverstand des menschen is, om de verborgenheden Gods te begrijpen.
Ten andere hebben zij geen oog voor de standvastigheid des harten, waarin het voornaamste deel des geloofs ligt.
Doch om nog even terug te komen op de verlichting des verstands zonder de standvastigheid des harten, waarvan zooeven sprake is geweest, als Calvijn het werk des Heiligen Geestes ziet in verschillende trappen, is daarmede toch ook een beeld gegeven om te verklaren, dat niet allen tot de hoogste trappen des geloofs worden voortgeleid.
Zekere verlichting des verstands kan iemand ten deel vallen, zoodat hij gelooft, dat de Heilige Schrift Gods Woord is, dat God de Schepper en Onderhouder van alle dingen is en zoovele goddelijke waarheden meer, zonder nog tot de verborgenheid van Christus te worden voortgeleid.
Niemand weet wat in den mensch is dan de geest des menschen. Zoo is het ook de Geest Gods, die de diepten Gods doorzoekt. (1 Cor. 2 vs. 10 en 11).
Hoe zou nu de mensch Gods wil kunnen weten ?
Calvijn vraagt nog verder. Hoe zou de mensch, die Gods waarheid in twijfel trekt omtrent de dingen die gezien worden, de beloften Gods aanvaarden aangaande de dingen, die niet gezien worden, en welke door geen menschenverstand begrepen worden ?
De eerste stap om in de leerschool Gods vordering te maken, zegt Calvijn, is deze: dat men afstaat van zijn eigen vernuft.
Ons verstand is als een scherm, dat tusschen ons en de goddelijke dingen is opgeworpen en verhindert de verborgenheden Gods te zien, die alleen den kleinen worden geopenbaard. (Matth. 11 vs. 25 ; Luk. 10 VS. 21).
De dingen, die des Geestes zijn, worden niet ontdekt door vleesch en bloed. (Matth. 16 VS. 17) en de natuurlijke mensch verstaat niét de dingen, die des Geestes Gods zijn. (1 Cor. 2 vs. 14). Zij zijn hem dwaasheid, dewijl zij geestelijk onderscheiden worden.
Dit laatste is geestelijk en een werk des Heiligen Geestes. Immers de Geest Gods onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Alleen door dien Geest kunnen wij den zin van Christus verstaan. (1 Cor. 2 vers 10 en 16).
Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke. (Joh. 6 vs. 44). Zoo komt dan tot Mij ieder, die het van Mijnen Vader gehoord en geleerd heeft. Doch ook hier staat de Christus tusschen ons en God, want niemand heeft den Vader gezien dan alleen Hij, die door den Vader gezonden is.
Daarin wordt klaar en duidelijk geleerd, dat wij ook Christus niet kunnen aannemen, tenzij dan door den Heiligen Geest. De verlichte ziel krijgt een nieuwe scherpzinnigheid, waarmede zij de hemelsche dingen opimerkt. Dan eerst begint zij iets van den glans der eeuwige dingen te verstaan. Wij lezen ook, dat Christus niet vordert, als Hij Zijn discipelen over de verborgenheden van Zijn Koninkrijk spreekt, vooraleer Hij hun verstand opent om de Schriften te verstaan. (Luk. 24 vs. 27 en 45).
Zoo werd ook aan de apostelen de Heilige Geest geschonken, opdat zij de leer, die zij uit den mond van Christus gehoord hadden, konden verstaan. (Joh. 16 vs. 13).
Het Woord des Heeren is voor ieder, wien het gepredikt wordt, als een zon, die een iegelijk beschijnt, doch zonder uitwerking voor den blinde. Aangezien wij van nature allen blind zijn, hebben wij den inwendigen Leermeester noodig, n. 1. den Heiligen Geest, die door Zijn verlichting een toegang bereidt.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's