De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

DE VRIJZINNIG HERVORMDEN EN DE REORGANISATIE. (8)
Vooral voor de verscheidenheid pleit ds. Bakker, de woordvoerder van de Vrijzinnig Hervormden. En geen wonder. Want met een éénheid, de geloofs-eenheid naar de Schriften, komen ze in de moeite. Ze willen het oudliberaal, burgerlijk gevoelen van de vrijheid ook op de Kerk, en dan met name op de Hervormde Kerk, toepassen. En ze maken er van dat — tenzij het al te. revolutionair wordt — ieder er z'n eigen opvatting en meening mag hebben. Ze praten van verscheidenheid, waarbij geen éénheid meer over blijft. Het meest centrale van de Christelijke belijdenis (om nu nog niet eens te spreken van de Gereformeerde belijdenis), loochenen ze. De belijdenis aangaande den Christus Gods, den Christus naar de Schriften, hebben ze in de hoofdzaak losgelaten. Van het centrale bij den Doop : de belijdenis van den Drieëenigen God, alsook dat de mensch in zonden ontvangen en geboren is en de wedergeboorte noodzakelijk is en het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden, enz., willen ze, in den zin en naar den geest van onze belijdenis- en liturgische geschriften, niet weten. Met de Apostolische Geloofsbelijdenis, met onzen Catechismus, met onze formulieren voor Doop en Avondmaal (om niet méér te noemen) in de hand, kunnen zij niet zeggen, met de Christenen, die leven uit de Schrift en die den schat der Kerk willen bewaren : wij gevoelen ons waarlijk één met u. Het is niet : één Heere, één geloof, één doop.
En dan wil men een schoonen schijn geven aan die „verscheidenheid".
Wel noemt men den Christus en wel noemt men de belijdenis — in onderscheiding van vroeger —, maar is het dan „het Woord, dat vleesch geworden is", de „geheel eenige Verlosser en Zaligmaker, waarachtig God en waarlijk mensch", waarvan de belijdenis der Reformatie vol is ?
Men spreekt er wonderlijk oppervlakkig van, met gebruikmaking van allerlei termen en woorden en wendingen, die de vaagheid zelve zijn en burgerlijk oppervlakkig genoemd moeten worden.
En daarom zal de vraag en de eisch van „verscheidenheid" onder die omstandigheden nooit kunnen en mogen worden goedgekeurd en nog minder mag aan die vraag en aan dien eisch worden voldaan.
Onze Hervormd-Gereformeerde Kerk mag en zal niet laten spelen met de éénheid, om aan die onbillijke eisch van verscheidenheid toe te geven zonder de éénheid voorop te stellen.
En daarom kan ook het mooie woord „parochie" (waarover in het 5de en eigenlijk het laatste hoofdstukje van het boekje van ds. Bakker gehandeld wordt), hier geen oplossing geven ! Want men wil het parochie-stelsel niet, om het leven van de Gereformeerde Christus-belijdende Kerk van Nederland te bevorderen, door ,,werkverdeeling" (dan zou er zéér zeker over te praten vallen, en liefst dan zoo spoedig mogelijk, hoewel ook hier naast de lichtzijde zeer beslist schaduwzijden
zijn), maar men wil door het „parochie-stelsel" bevorderen, dat de meest verschillende, en elkaar uitsluitende elementen, naast elkaar zullen kunnen gaan werken, de ééne groep in het Oosten van de stad en de andere groep in het Westen, enz., waardoor de splitsing en scheuring in de Kerk geïllustreerd wordt (een moderne parochie, naast meer orthodoxe parochies), maar waarbij geenszins de éénheid . ten grondslag ligt, noch ook bevorderd wordt. Het zou zooiets van een vreedzame modusvivendi zijn, met onderling goedgevonden boedel-scheiding. De kamers en de meubels worden dan bij onderling overleg verdeeld en de moderne neemt z'n intrek in het ééne appartement, terwijl de andere richtingen dan ook elk een deel van het flat mogen bewonen.
Maar dat is geen „parochie-vorming". Dat is eenvoudig misbruik maken van het woord parochie, en het is manoeuvreeren met het „parochie-stelsel", terwijl men heel iets anders op het oog heeft. Men heeft op het oog : de splitsing der gemeente in richtingscomplexen, waarbij dan óók de modernen een „afdeeling" krijgen. Ze kunnen dan zeggen : „dit is onze parochie".
In de brochure van ds. Bakker wordt het zoo mooi beredeneerd. Het is, alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Er wordt eenvoudig gezegd : het vraagstuk van de groote steden moet dringend opgelost worden. En het middel is : het parochiestelsel.
De lange geschiedenis wordt dan opgehaald. „In 1903 en 1904 heeft de Synode er zich reeds uitvoerig mee bezig gehouden. Er was toen een voorstel van dr. Bruining, van Almelo, en vele anderen, om het mogelijk te maken, dat grootere gemeenten gesplitst worden in zelfstandige wijkgemeenten. Vanuit Confessioneele kringen kwam er verzet. En dat was als van ouds, want prof. Gooszen vertelde toen reeds hoe bij een vorige gelegenheid in 1888 het argument gebruikt werd, dat men dan moderne predikanten in sommige gemeenten zou krijgen. Dat argument is steeds blijven gelden. Toch waren de consideratiën der Kerk deze keer gunstig en werd in 1904 in tweede instantie Artikel 17 * Algem. Regl. aldus aangenomen : „Gemeenten met twee of meer predikanten kunnen worden gesplitst in zelfstandige wijkgemeenten", maar — het kreeg het vereischte aantal stemmen niet in de Provinciale Kerkbesturen".
Ook in 1912 was er een voorstel bij de Synode. En het resultaat is toen geworden, dat Artikel * 17 Algem. Regl. thans luidt : „Grootere gemeenten kunnen worden ingedeeld in territoriaal afgebakende buurtgemeenten, welke tezamen een centrale gemeente vormen. Grootere gemeenten zijn gemeenten : met meer dan één predikantsplaats en met meer dan één kerkgebouw".
Gewezen wordt door ds. Bakker op „de buurtkerk" als er in Amsterdam was, toen dr. De Vrijer daar rondom de Oude Kerk werkte, en op Amsterdam-Noord, toen daar ds. Koningsberger arbeidde als Voorganger der Vereen, voor Inw. Zending aan de Overkant van het IJ, rondom de Bethlehemkerk aldaar.
Ds. Bakker wil niet, dat de ééne groote Kerkeraad alles te zeggen heeft, maar hij zou willen, dat er wijkgemeenten komen, met wijk-Kerkeraden ; waarbij dan een centrale- Kerkeraad ook functioneeren kan.
„De eenige oplossing is de uitvoering van het Reglement op de buurtgemeenten. De centrale gemeente als geheel wordt dan bestuurd door een centrale Kerkeraad, die bestaat uit Kerkeraadsleden der buurtgemeenten. ledere buurtgemeente heeft zijn eigen kerk, predikant en Kerkeraad, wier bevoegdheden in een plaatselijk reglement worden omschreven. De predikanten worden door de buurtgemeenten verkozen en daarna door de centrale Kerkeraad beroepen, (blz. 18).
Zóó wil men de „verscheidenheid" verkrijgen, waarbij de „éénheid" gemist wordt.
Die éénheid is het heete hangijzer, voor de modernen.
En zoolang die éénheid er niet is, zal ook de verscheidenheid niet kunnen bevorderd worden.
„Eén Heere, één geloof, éen doop".
(Slot volgt.)

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (11)
Het recht voor den Kinderdoop bestaat dus voor de ouders hierin, dat God Zelf gezegd heeft en blijft zeggen : Ik wil uw God zijn én van uw zaad. Daarbij heeft God onder het Oude Testament de besnijdenis ingesteld, als een teeken en als een zegel bij die rijke belofte, die Hij Zelf wilde doen aan Abraham en zijn zaad. En onder het Nieuwe Verbond is daartoe de Kinderdoop ingesteld, opdat de Christen zelf gedoopt zou worden krachtens het doopbevel en opdat zijn kinderen gedoopt zouden worden, „omdat zij in da gemeente en in het verbond Gods begrepen zijn". (Heid. Catech. Zondag 27). Het Nieuwe Testament is hierin zeer zeker niet armer dan het Oude Verbond was ! Daarom worden de Christenen ook aanstonds gedoopt „met hun huis". Want u komt de belofte toe — zegt Petrus — en uw kinderen, zoovele als de Heere uw God daartoe roepen wil.
Hebben we zoo het recht van den Kinderdoop gezien, hiermee hangt ten nauwste samen — zegt Wormser — het doel, dat men daarmede op 't oog heeft.
„Het kind van den bekeerden en gedoopten heiden is dus reeds geen heiden meer. In zijn ouders werd dat kind, als tot hun wezen behoorende, met alles wat zij zijn en bezitten, rechtens den Heere geheiligd ; en het begeeren mag dan ook zijn bij die ouders, om hun kinderen dadelijk toe te wijden aan den Heere, door hen te brengen onder het zegel des verbonds, waartoe God Zelf recht geeft en roept". „Deze zaken zijn voor een Christennatie, voor ouders en kinderen beide, behartigenswaard. De ouders hebben recht op den doop van hun kinderen, omdat en zoodra zij zichzelven, met alles wat zij zijn en bezitten, en dus ook met hun kinderen, toewijden aan den Heere. De kinderen zijn toegewijd aan den Heere ; zij behooren niet meer tot de wereld, niet meer tot het werkverbond. Zij zijn van hun geboorte af, opgenomen in het verbond der genade en geworpen op Christus, om in Hem en in Zijn dood en opstanding, waarin hun een aandeel in den doop verzekerd is, hun heil te zoeken".
„Daarom is het geheel verkeerd een gedoopte, een Christennatie, en haar kinderen, wat hun opvoeding (en het onderwijs) betreft, op heidenschen grondslag terug te plaatsen en hen als heidenen te onderwijzen, te vermanen, te bestraffen".
„Bovendien is het ook een onmogelijkheid een gedoopte natie op den duur als heidenen te behandelen. Er is meer dan stompe verwaarloozing van Gods verbond noodig, om weder in het Heidendom terug te keeren.
Daartoe wordt uitdrukkelijke verzaking en verwerping van dat verbond vereischt. Ook te midden van groote en bijkans algemeene afwijking komt het Christelijk element telkens weet aan alle zijden te voorschijn. Dit ziet men dikwijls te midden van de grootste godsdienstige en zedelijke ontaarding, maar vooral in hen, die thans den Heere in waarheid kennen en op Hem betrouwen — maar dit niet altoos deden".
Ons Christen-Nederland staat ook met den rustdag op den eersten dag der week nog altoos als het symbool van herstelde rust door de opstanding van Christus, tegenover den Israëliet, met zijn rustdag der schepping en des werkverbonds, die eindigde in het graf van den Heiland.
Nog altoos staat de Christennatie in gebed, bij het afleggen van den eed, en in iedere toenadering tot den Heere, in tegenstelling van de gedekte en knechtelijke gestalte van den Israëliet, met ongedekten hoofde. En dat doet de Christen niet om oneerbiedig te zijn — ook de Jood wil niet oneerbiedig staan tegenover God — maar als blijk der verlossing, die zij belijdt in Christus deelachtig te zijn, zoodat zij als vrijen, met ongedekten aangezichte voor God mogen verschijnen. (1 Cor. 11).
Een Christennatie is doorgaans méér dan zij weet of vermoedt, aan alle zijden door Christelijke waarheden, instellingen en gebruiken, die alle op de verlossing door den zoendood en de opstanding van Christus wijzen, omringd.
In dien dood en de opstanding van Christus is zij met Hem vereenigd door den doop ; van haar deelgenootschap in de vruchten van die opstanding legt zij getuigenis af door de erkenning, hoe gebrekkig ook, van den Christelijken rustdag ; en in iedere godsdienstige verrichting treedt zij, als vrijgemaakt en verlost, met ongedekten hoofde voor het aangezicht van God.
Wormser zegt : „Dit een en ander geeft aanleiding tot tweeërlei opmerking :
Nooit mogen de instellingen van God, om de afwijkingen eener trouwelooze natie of Kerk, zwak, twijfelachtig of krachteloos worden voorgesteld. Daardoor zou men ieder uitzicht op herstel en reformatie vernietigen. Want ook zij, die thans geloovigen zijn, waren dit niet altoos. Maar de Heere gebruikte Zijn waarheid en instellingen, om hen tot Zijn kennis en gemeenschap te brengen.
Altoos moet een Christennatie en ieder gedoopte gebracht worden tegenover de instellingen van God, voorgesteld in al haar kracht, zekerheid en voortdurende verbindbaarheid, zoodat op haar of zijn afwijkingen het volle licht van schuld, van moedwillige Godverzaking en strafbare ondankbaarheid valle.
Dat moet óók geschieden ten opzichte van den doop, die een heilige en aan Gpd toegewijde natie onderstelt, welke haar kroost zelfs van zijn geboorte af op God werpt en aan Hem opdraagt. Er moet dan ook voortdurend een vertroostend en een bestraffend, een uitlokkend en een bedreigend getuigenis in het midden des volks gehoord worden ! (blz. 36).
(Wordt voortgezet.)

MIJDING EN MIJDING IS TWEE
Er is een Doopersche en er is een Gereformeerde mijding. Beter gezegd : er is een mijding, die gevolg is van een verkeerd inzicht in Gods bestel over ons menschelijk leven, die uitgedacht is door het verduisterd menschenverstand, die voortspruit uit een vleeschelijke heiligmaking, met een schijn van godzaligheid overtogen. Maar voor God is 't zonder eenige waarde ; en het doet geweld aan het leven, dat God ons schenkt en waarin God ons een roeping geeft, keer op keer. Een mijding van het leven, waarbij met vleeschelijke betrachting scheiding gemaakt wordt tusschen natuur en genade. Dat heeft wel — zegt de apostel Paulus — een schijnrede van wijsheid en het lijkt wel heel nederig en ootmoedig, maar het is eigenwillige godsdienst, zonder eenige waarde, tot verzadiging des vleesches. Col. 2 VS. 20—23. Het gaat op in allerlei regels, als: raak niet en smaak niet en roer niet aan (vers 21). Dan verbiedt men te huwen, dan ontvliedt men het gewone leven, zooals God ons dat te leven geeft in Zijn kracht en naar Zijn gebod. In afzondering, in een klooster, in eigenzinnige en eigenwillige godsdienst zoeken we dan onze kracht. Maar aan Gods opdracht ontloopen we dan, want het is onze roeping om in de wereld ons leven te leven als Christen, nochtans niet van de wereld zijnde.
Dat laatste is de mijding naar Gods Woord. Van deze Schriftuurlijke mijding lezen we in den Efezerbrief : „Hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis". (5 VS. 11). Of, zooals Paulus aan Timotheüs schrijft: „hebt geen gemeenschap met anderer zonden". (1 Tim. 5 vs. 22).
De verkeerde mijding en de goede mijding liggen vlak naast elkaar.
1 Tim. 4 VS. 3 laat ons de verkeerde mijding zien : „verbiedende te huwen, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft tot nuttigheid met dankzegging voor de geloovigen en die de waarheid hebben bekend. Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde ; want het wordt geheiligd door het Woord Gods en door het gebed", (vers 4 en 5).
1 Tim. 5 VS. 22 (zie boven) laat ons de goede en de noodzakelijke mijding zien : „heb geen gemeenschap aan anderer zonden. Bewaar uzelven rein".
Die goede. Schriftuurlijke, noodzakelijke mijding, met ontvlieding van de zonden, houdt volstrekt niet in het ontvlieden van het leven, zooals God ons dat te leven geeft oi' het ontvlieden van den omgang met andere menschen. Integendeel. We hebben midden in het leven te staan en midden in de wereld, die vol zonde is, ons te bewegen (1 Cor. 5 : 10b), maar we hebben toe te zien, niet van de wereld te zijn en met de wereld mee te leven het wereldsche leven ; niet „in den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde brooden der oprechtheid en der waarheid". (1 Cor. 5 vs. 8).
We hebben ons zelfs te wachten voor den schijn des kwaads. En alles toetsende en beproevende of het is naar den wil Gods en naar het bevel van Zijn Woord en Wet, zullen we het kwade hebben te haten en te ontvlieden en te bestrijden, om het goede te doen overal en altijd, levend en ons bewegend in een zondige wereld, want we mogen en kunnen niet uit de wereld uitgaan. (1 Cor. 5 vs. lOb).
Een zoutend zout en een lichtend licht te zijn, is de roeping des Christens, op elk terrein des levens vragend naar de .beginselen van Gods Woord en ijverende voor de eere Zijns Naams, daarin zoekende het heil van onzen naaste.
Geen mijding — maar wijding van het leven !
Maar wee ons, indien het zout zouteloos wordt ; dan deugt het nergens toe, dan om uitgeworpen te worden. Waakt dan en bidt, en strijdt den goeden strijd des geloofs, ziende op den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus Christus, Die telkens weer zegt: „zonder Mij kunt gij niets doen".
Dewijl wij met Hem alles hebben, zijn we zelfs in onze zwakheid door Hem sterk. Met Hem zijn we iméér dan overwinnaars, omdat Hij overwonnen heeft en omdat Hij Zijn sterkte in onze zwakheid verheerlijken wil.

UW NAAM WORDE GEHEILIGD
Deze bede komt overeen met de positieve inhoud van het derde gebod, om het voor Gods Naam op te nemen en Zijn eer te verbreiden en voor te staan overal.
Dit is maar niet slechts een zedelijke plicht in enger zin tegenover onzen naaste, maar allereerst een religieuse plicht tegenover God, Die eischt, dat Zijn Naam, zooveel aan óns staat, pok door anderen gekend zal worden en Zijn eer ook door anderen gezocht op alle terrein des levens.
Zulk een verbreiding van de kennis van God nu moet geschieden, niet alleen door onze woorden, maar veelmeer door een heiligen wandel, om daardoor onzen naaste voor Christus en den dienst des Heeren te winnen. (Cat. vr. en antw. 112; Ps. 115 : 1; Deut. 4:6; 1 Petr. 2 : 12). Dus door woord en daad, door leer en leven moeten wij Gods Naam aangenaam maken onder de menschen ; door het woord en dus mogen we geen zwijgende getuigen zijn ; maar ook geen getuigen, die alleen maar praten.
Als we de bede „Uw Naam worde geheiligd" overnemen, en het derde gebod ons voor oogen stellen, voelen we ook, dat hier verplichtingen uit voortkomen tot een christelijke opvoeding der kinderen, tot een onderwijs in al zijn vertakkingen naar Gods Woord ingericht, op onze Scholen met den Bijbel, zoowel voor lager- als ulo- en middelbaar- en voorbereidend hooger onderwijs.
Het sluit óók in de verbreiding van Gods Naam onder al de volkeren der aarde, door het werk der zending onder Mohammedanen, Heidenen en Joden.
Bij dit alles dient dan wel in het oog gehouden, dat dit niet alleen maar plicht is jegens onze medemenschen, zedelijke plicht, maar allereerst plicht en roeping jegens God, religieuse plicht.
Wat wij gelooven met het hart en inwendig niogen bezitten als de grootste schat, moeten wij uitwendig tegenover onze medemenschen belijden. Gelooven en belijden hooren bij elkaar. Rom. 10 : 10.
Reeds in het paradijs moest Eva belijden tegenover Satan en daarin de leugen bestrijden en de waarheid verdedigen. Petrus moest belijden den Naam van Christus en werd zalig geprezen door den Heiland (Matth. 18), terwijl hij zoo diep schuldig stond en zoo diep ongelukkig werd, toen hij Hem verloochende. Matth. 10 : 32, 33 : „Een iegelijk dan die Mij belijden zal voor de menschen, dien zal Ik ook belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is, maar zoo wie Mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal Ik ook verloochenen voor mijnen Vader, die in de hemelen is".
In een zondige wereld brengt dit belijden altijd risico mee, en niet zelden groot risico, met ellende en jammer. Het levert dikwijls gevaar op, ja verlies van eer, geld, goed, zelfs van het leven. Zijn de martelaren als bloedgetuigen niet ten bewijs ? De martelaren van vroeger en van — nu ? De Heiland heeft gezegd : „En vreest niet voor degenen, die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden, maar vreest veeleer Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel." (Matth. 10 : 28).
Moeilijk is dikwijls het belijden van den Naam des Heeren in den tegenwoordigen tijd, waar oppervlakkigheid de toon aangeeft en wuftheid en spotzucht gevonden wordt overal. Maar ook voor onze dagen geldt het woord van den Heiland : „Want zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, dien zal Zich de Zoon des menschen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige Engelen". (Mare. 8 : 38) [Zie : Geesink, Geref. Ethiek, I, blz. 289].

De Christelijke School en de Vaderlandsche Geschiedenis.
We krijgen eerst : de Bijbelsche Geschiedenis. Daarmee beginnen we. En dan is de Bijbel niet voor ons een cultuur-boek, of een zedekundig-boek, met allerlei moraliseerende verhalen of zedelessen, opdat de kinderen zullen leeren „vriendelijkheid, verdraagzaamheid enz." Neen, dan is de Bijbel voor ons Gods Woord, en het gaat met onze gedoopte kinderen om den weg der zaligheid en den weg der godsvrucht ! De Bijbel maar niet als een „aanhang-wagen", een half uurtje in de week, ten gebruike van een ,,godsdienstleeraar" op school. De Bijbel als grondslag van alle onderwijs, zooals „het zout, dat niet naast de spijze, maar in en door de spijze gemengd moet worden, zal het zout z'n nut doen en zal de spijze smakelijk zijn".
Na de Bijbelsche geschiedenis is de Vaderlandsche het voornaamste vak op de Christelijke School. Zoo heeft mr. Groen van Prinsterer het begrepen, en zoo is dan ook in de Statuten van de Vereen, voor Christelijk-Nationaal-Onderwijs (van welke oudste Vereeniging mr. Groen van Prinsterer de geestelijke vader is) opgenomen, dat we streven moeten naar : „oprichting van Scholen, waarin bij onbelemmerd en doeltreffend gebruik der Heilige Schrift en trouwe voorstelling der volkshistorie, het onderwijs in nuttige kundigheden aan Christelijke opvoeding wordt dienstbaar gemaakt".
Zóó heeft Groen van Prinsterer het zich gedacht ; en we kennen allen zijn gevleugeld woord: „Er staat geschreven, er is geschied". Christendom en historie, ze zijn ten nauwste met elkaar verbonden.
Daarom moet de Vaderlandsche Geschiedenis op onze Scholen met den Bijbel (dus niet „Scholen èn den Bijbel", waarbij men den Bijbel er wel een oogenblikje wil ,,aanhaken" (en hoe dan nog dikwijls? ), maar „Scholen met den Bijbel", waarbij Gods Woord er in alles waarlijk bij hoort en grondslag is van alle onderwijs en van heel de opvoeding) een eereplaats hebben.
„Trouwe voorstelling der volkshistorie", zoo zeide Groen het in de dagen, toen het intellectualisme hoogtij vierde ; toen men poneerde : „kennis is macht !"
En nu zullen wij niet beweren, dat onze Christelijke Scholen zich van dat intellectualisme met de hooge vereering van de menschelijke rede geheel hebben kunnen los maken. De intellectualistische trek in het geschiedenisonderwijs is niet heelemaal uitgebannen bij ons ; de lange reeksen van jaartallen, die hun doel missen, de namen van de Hollandsche Graven, zonder zin, de onbegrepen algemeenheden, ze herinneren er nog aan.
Maar toch — er wordt op onze Christelijke Scholen nog verteld, gedachtig aan 't Schriftwoord : „Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgend geslacht, vertellende de loffelijkheid des Heeren en Zijn sterkte en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft, opdat het navolgend geslacht die weten zou, de kinderen die geboren zouden worden en zouden opstaan en vertellen ze hun kinderen. En dat zij hun hoop op God zouden stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren".
De School met den Bijbel staat er voor bekend, dat de geschiedenis er in eere is, dat de lotgevallen van ons volk daar worden beschouwd in het licht van Gods leiding met de menschheid. En zóó mag toch alleen maar de geschiedenis verteld worden. Gods eer is er mee gemoeid. En zonder dat alles zal ons altijd het rechte inzicht in de historie van ons volk en Vaderland ontbreken.
Op de Openbare School, die „neutraal" (!) moet zijn, kan de geschiedenis dan ook nooit op de rechte wijze worden onderwezen. Daar moet men het verbergen, wat de Heere gedaan heeft. De onderwijzers wenschen over 't algemeen volstrekt geen rekening te houden met „Gods sterkte en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft" ; en hun zorg is over 't algemeen niet „opdat het navolgend geslacht die weten zou — en dat zij hun hoop op God zouden stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren".
Men wil liefst zoo „neutraal" mogelijk zijn, maar geschiedenisonderwijs kan niet neutraal zijn. Men moet positie kiezen. En het komt Gods eer te na, wanneer men weigert het licht van Boven te laten uitstralen over de historie van ons Vaderland.
Alleen op de School met den Bijbel kan het onderwijs in de Vaderlandsche geschiedenis tot z'n recht komen.
Daar kan het zijn — en moet het zijn — Christelijk en Nationaal.
[Men leze : De Unie — tweemaandelijksch blad ter bevordering van den bloei van de School met den Bijbel. Uitgave : Sweelinckstraat 39, Den Haag.]
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's