De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

9 minuten leestijd

En aldaar zal een verhevene baan en een weg, zijn, welke de heilige weg genaamd zal worden: de onreine zal daar niet doorgaan, maar hij zal voor dezen zijn: die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen.Daar zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch aldaar gevonden worden : maar de verlosten zullen daarop wandelen, en de vrijgekochten des Heeren zullen wederkeeren en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen. Jesaja 35 vs. 8, 9 en 10.

De heilige weg, waarop zelfs de dwazen niet dwalen kunnen
Wij weten allen, hoe er in onze Vaderlandsche geschiedenis een eeuw is, die de Gouden Eeuw genoemd wordt, de zeventiende eeuw.
En er bestaat alle reden om de eeuw, waarin wij mogen leven, te noemen de Eeuw der Armoede. En zooals de Gouden Eeuw vooral in de eerste helft een sterke geloofskracht mocht vertoonen, openbaart onze Eeuw der Armoede ook een ontstellend gemis aan waarachtig geestelijk leven. Losheid in plaats van een gordel!
Verwarring en velerlei tegenspraak niet in 't minst op godsdienstig terrein.
Niet alleen de dwazen dwalen, maar ook de geleerden dwalen.
Maar de heilige weg van het volk des Heeren is niet zoek !
En voor hen, die geleerd hebben naar dien weg te vragen, is, ondanks blinde en verleidende leidslieden, nog betrouwbare voorlichting.
Ja, juicht Gods Kerk, óok wanneer zij gewezen wordt op verwarring en ontwrichting, ge moogt op nog zooveel verschijnselen van geestelijke armoede wijzen, wij hebben het Profetisch Woord, dat zeer vast is, en gij doet wèl, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster in uwe harten opga.
En ook in dit Profetisch Woord, uit den Evangelist van het Oude Testament, ligt een rijke, onbedriegelijke troost en bemoediging voor hen, die geleerd hebben tot God te bidden : Wijs Gij mij Zelf den weg der waarheid aan.
Er wordt hier in Jesaja 35 gesproken van een wonderlijk volk en een wonderlijke weg. De weg is heilig, maar dat volk dat daarop wandelt, allerminst. Blinden, dooven, kreupelen en stommen ; vreesachtigen en onbedachtzamen.
Dat is geen geestelijke keurbende ; geen helden des geloofs zijn dat, geen moeders in Israël. Neen, 't zijn juist zulken, en daarom beschrijft Gods Woord ze óns in zoo verschillende ongelukkige toestand, waaraan van alles mankeert. Zij missen het allernoodzakelijkste. Het gezicht, het gehoor, het vermogen om te loopen en té spreken. Ze verdwalen direct, zijn zóó den weg kwijt; zijn voor leeuwen verschrikt en gaan in droefheid en zuchting hun weg.
Daar worden mee aangewezen de zondaren, die door den Heere aan hun schuld en onvermogen zijn ontdekt. Van die blinden en stommen mocht de Heere het beste verwachten. Goed, zeer goed waren ze gemaakt, maar terwijl God in Zijn Wet terecht van hen vraagt, om Zijn geboden in alles na te komen, kunnen zij nog niet één gebod des Heeren houden. Dat is hun gebrek, dat door al die gebreken uit 't natuurlijk leven, zooals doofheid en verlamming, aangegeven wordt.
Nu moet er aan zulke menschen iets zijn gebeurd, anders kunnen ze op dien heiligen weg niet wandelen. De Heere houdt met den zondaar geen gemeenschap ; de Christus kwam om zondaren te roepen, maar tot bekeering !
En wat er nu vóór en aan hen gebeurd is, dat staat in Jesaja 34 vs. 17 : Hij zelf heeft voor hen het lot geworpen. De Heere heeft ze uit vrije gunst een erfenis toebedeeld.
Die ooren heeft om te hooren, verstaat dit. Daar hebben ze hun vastheid in mogen vinden: God Zelf heeft voor hen het lot geworpen. Vrije genade is hun bewezen, toen zij in het gericht schuldig waren bevonden, en naar recht gevonnist moesten worden.
Maar nu is Hij, die om Zijn verdiensten voor hen de vrijspraak verkreeg, hun heilige weg, Christus Jezus, die de weg, de waarheid en het leven is.
In heerlijke pracht van beelden en taal schildert Gods Woord ons hoe nu door den Heiligen Geest alles voor dat volk wordt vernieuwd. De woestijn zal bloeien als een roos en juichen; de heerlijkheid van
Libanon, 't sieraad van Karmel en Saran, is haar gegeven.
Want ze zullen zien de heerlijkheid des Heeren, het sieraad van onzen God.
Daar is de Heere, verheerlijkt in Zijn deugden, doorgetogen. Daar heeft Zijn Geest alles levend en bloeiend gemaakt in Paradijsheerlijkheid voor Zijn volk. 't Kan aan de weelde en rijkdom zien, waar de Heere is doorgegaan.
Waar Gij Uw voetstap zet, Daar doet Gij 't al ten zegen Daar druipt het al van vet. dijen,
Nu is vervuld de belofte : Gij zult wonen in een lustig land. Waar de vrede gekend wordt van Immanuël, God met ons, daar bloeit de wildernis als een roos. Juicht daar niet zelfs de woestijn ? Daar wordt de kleinmoedige opgewekt, daar kan de blinde weer zien; daar worden de ooren des dooven geopend; de kreupele zal springen als een hert, en de tong der stommen zal juichen.
Van dit vernieuwend werk aan dat ellendige volk is de Heere Christus de Bewerker ; Hij Zelf verwijst ook Johannes de Dooper, die in de gevangenis twijfelt of Jezus de Messias is, naar ons teksthoofdstuk. Hij, die, komende in de wereld, vrede verkondigd heeft, zal nu ook als de Goede Herder de weg voor Zijn volk veilig maken.
Vrees, om van dorst om te komen, is ongegrond; in de woestijn zullen wateren uitbarsten en beken in de wildernis, en het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren.
Hoe heeft de Heere 't wonderlijk goed gemaakt. In de woning der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn. En daar loopt de heilige weg. Geen onreine zal daar doorgaan. Die niet gewasschen is met het bloed van den Zoon Gods, betreedt dien heiligen weg niet.
Laat dat maar eens een waarschuwing zijn, om u af te vragen of uw schuld al is weggewerkt of niet.
Maar die weg zal voor dezen zijn : die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. Voor hen is die weg, die door Christus Jezus bediend worden, en door den Heiligen Geest.
En wie op dien weg is, zelfs de dwaas kan daar niet dwalen. De man, die van alles, wat hij onderweg ziet, niets onthoudt ; die o zoo moeilijk leert. Altijd valt hij, telkens struikelen, stilstaan bij onzinnige dingen, waar hij niets aan heeft ; luisteren naar lokstemmen, om hem te doen verdwalen ; hartkloppingen hebben, als hij meent dat een leeuw of ander verscheurend dier in aantocht is.
Altijd weer naar den weg vragen, uit vrees dat hij verkeerd zal uitkomen.
Als 't licht is, gaat hij slapen; is 't donker, dan trekt hij op 't pad, de dwaas !
En was die man op den wereldschen weg van kennis, eer en geluk, hij zou vast en zeker zijn omgekomen.
Maar op dien heiligen weg des Heeren kan zelfs de dwaas niet dwalen.
Daar is wondere trekkende kracht van den Heiligen Geest, een bevrijden voor struikelen, een voorgaan met Gods heillicht, sterke armen, die uit 't moeras halen. Maar op die manier zullen ze den Heere niet makkelijk vergeten. Telkens is Hij weer noodig. Al hun kracht en hulp verwachten ze alleen van Hem. Ze gaan op dien weg, omdat ze niet anders kunnen. Ze kunnen maar niet verdwalen. Het wordt hun door God moeilijk gemaakt van geen weg af te gaan ! Wat een bewaring ! Wel laat de Heere 't soms toe, dat ze zich aan de zonde overgeven; denk maar eens aan David. Maar wat smeekt hij dan ook weer in Psalm 51 : Ai, laat van mij Uw Heil'ge Geest niet scheiden; Die kan alleen op 't rechte spoor mij leiden; Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet.
Ja, als ik zie op mijn afdwalingen, had ik niet durven denken, dat de Heere me op dien heiligen weg wil houden. Ik loop op een weg, waarop de dwaas niet dwalen kan. En die dwaas ben ik!
Geen leeuw, geen verscheurend gedierte zal daarop zijn.
Ik vrees niet, neen, schoon ik door duistere dalen, in doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen. Daar zal geen leeuw zijn en geen verscheurend gedierte zal daarop komen, maar de verlosten zullen daarop wandelen, en de vrijgekochten des Heeren zullen wederkeeren en tot Sion komen met gejuich.
Dat, dat is 't heele geheim van dien wonderlijken heiligen weg, waarop zelfs de dwazen niet zullen dwalen.
Die daarop wandelen zijn verlost, ze zijn de vrijgekochten Gods. De Heere heeft voor hen moeten neerleggen, 't duurste wat Hij bezat; Zijn eigen lieven Zoon. Alle moeite heeft Hij gedaan, hen te verlossen. Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft. Hoe zou Hij ze dan nog los kunnen laten ?
Mocht Gods Kerk daarbij meer leven. Dat zij, die weten tegen dien duren prijs gekocht te zijn, daaruit meer bemoediging mochten hebben. Ze zijn zoo zwak van moed en klein van krachten. Maar hun sterkte ligt in Hèm, die ze kocht! De Koning is op de galerijen gebonden, dat is, om een bekende uitlegger na te zeggen: Hij staat maar op de galerij te zien naar Zijn Kerk. Hij is er niet van weg te slaan, verrukt van liefde tot de schoonheid van Zijn Kerk.
Hoe kan dat ?
Omdat Hij ziet, niet meer naar hun zonde en ongerechtigheid, maar op 't kleed, dat ze dragen, wit als sneeuw, die versch op 't aardrijk nederviel; naar hun roeping en zegel, naar dat bloed, waarmee ze zijn besprengd.
Daarom bloeit de wildernis als een roos. Daarom is alle vrees weg voor leeuw of verscheurend dier, hoe d' afgrond hen bestrijde, de wereld hen verschrikt.
Wondere heilige weg, waartoe ze, door Goddelijk licht geleid, gebracht werden, niet door den wil des menschen, maar door den wil Gods.
Wondere heilige weg, waarin ze ook een hartelijke liefde krijgen om hun treden te zetten in Gods spoor.
't Is de weg van het wederkeeren, van het terugkomen.
Ze zullen tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen.
Zalig dat volk, welks God de Heere is.
Op den heiligen weg wandelt het; de onreine zal daar niet doorgaan. Maar hij zal voor dezen zijn : die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. Komt, roepen ze tot blinden en dooven, kortom tot allen, die hun gebrek voor God hebben leeren kennen, kom, ga met ons, en doe als wij.
Want déze weg loopt niet naar den dood. Dit is de weg des levens, die voor den verstandige is, naar boven, opdat hij afwijke van de hel beneden.
Die heilige weg ligt er nog, ook in onze eeuw der armoede.
Bidt 't dan, lezers : leer mij, o God, Uw weg in allen nood.
Alleen op dezen weg zult gij voor de eeuwigheid niet bedrogen uitkomen. De " weg is Christus ; het volk is ellendig ; de Heilige Geest zal dien weg leeren, wie Hem need'rig valt te voet.
Dat is de heilige weg, waarop zelfs de dwazen niet zullen dwalen.
De verlosten zullen daarop wandelen, en de vrijgekochten des Heeren zullen wederkeeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen.
Zij gaan van kracht tot kracht steeds Elk hunner zal in 't zalig oord voort
Van Sion, haast voor God verschijnen.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's