De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

9 minuten leestijd

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (12)
„De leer van den doop, en vooral van den Kinderdoop, en zoo ook de formulieren van de Gereformeerde Kerk", zegt Wormser in het 7de hoofdstuk, „zijn onverstaanbaar, tenzij men ze voorwerpelijk (objectief), en niet onderwerpelijk (subjectief) opvat.
Een voorwerpelijke opvatting van de waarheid is velen geloovigen ergerlijk, en schijnt hun toe bij uitstek onvruchtbaar te zijn. Nochtans is van dit laatste het tegendeel waar, want alleen het voorwerp des geloofs (de waarheid) heeft vruchtbaar makende kracht, en door haar moet het onderwerp (de mensch) vruchtbaar gemaakt worden, wanneer zij (de waarheid) door het geloof overgaat en ontvangen wordt in het hart".
Velen gelooven in zichzelven, dat zij geloovigen zijn ; en dat is dan hun steunpunt. Dat is in zichzelven, in het onderwerp, in den mensch gelooven ; terwijl zij geroepen worden te gelooven in den Drieëenigen God, het voorwerp des geloofs.
„De doop", aldus Wormser, (blz. 37), „hetzij die aan bejaarden of aan kinderen bediend wordt, verzegelt dan ook nooit, dat wij geloovigen zijn, maar : wat wij in God hebben. Hij zegt en verzegelt niet, dat wij Hem liefhebben, maar wat Hij voor ons wil zijn — en wacht lankmoedig op ons antwoord.
De bejaarden- en de Kinderdoop zijn in dit opzicht volstrekt hetzelfde.
Indien de doop het bezit van onderwerpelijke genade verzegelde, zou men met de toediening moeten wachten, totdat onderwerpelijke genade onfeilbaar zichtbaar was.
Maar die onfeilbare zichtbaarheid zou, inzonderheid ook voor hem, die den doop toedient, altoos uitblijven, omdat niemand onfeilbaar van eens anders genadestaat verzekerd kan zijn.
Daarom is het gevoelen der Baptisten, wanneer zij door den doop onderwerpelijke genade verzegelen, en daarom alleen bejaarden (volwassenen) doopen willen, verkeerd ; vermits niemand dan de volwassene zelf weten kan of hij genade bezit en gelooft. De omstanders wachten, totdat hij het hun zegt, en nemen zijn belijdenis ter goeder trouw aan. Maar wanneer hij op grond van onderwerpelijke genade zich doopen laat, ontvangt hij geen zegel van God, maar verzegelt zichzelf. Dat zegel zal dan ook ten hoogste onzeker zijn, en zou eigenlijk dikwijls moeten herhaald worden, omdat het zijn grond heeft in en afhankelijk is van de wisselbare gemoedsgestalten en overtuigingen van den gedoopte omtrent zijn genadestaat, en niet vast is in de vrije en onwankelbare genade en trouw van God".
Het gaat om de verzegeling van de belofte des Evangelies.
„De doop, hetzij die aan kinderen, of aan volwassenen, welke nog niet tot de Kerk behooren, wordt toegediend, verzegelt nooit hetgeen de mensch reeds in zichzelven bezit, maar altoos hetgeen hij in God hebben kan en heeft. En het geloof bestaat niet in een zien op het eerste, maar in een zien op het laatste. Juist daardoor heeft de doop het, karakter van een zegel en onderpand, en is hij het beginsel en de aanvang van de verbondsbetrekking tusschen God en den mensch en van een leven, dat zijn grond heeft in den dood en de opstanding van Christus".
Daardoor is het voorwerp des geloofs vast en onwrikbaar, want bet is God Zelf, Die in Christus tot ons komt. En daardoor bestaat
de mogelijkheid, dut de onderwerpen : de individuen, de kerken en volken, zich door het geloof in het voorwerp, uit de grenzenlooze verwarringen van gemoeds- en verstandsberoeringen ontwikkelen tot Christelijke zelfbewustheid.
(Wordt voortgezet).

DE ZENDINGSVAKKEN en DE ZENDINGSDOMINE.
Wij zijn met het werk der Zending nog niet, waar we wezen moeten. Nu is dat het ergste niet. Als we het maar willen zien en als we maar alles in 't werk willen stellen wat mogelijk is, om te komen daar, waar we zijn moeten. Missie is organisatie — organisatie van ons Zendingswerk, van onze arbeiders, van de gemeenten, van de Kerk des Heeren in Oost en West.
Wij werden weer even door jaloerschheid vervuld. We zullen zeggen, hoe dat zit. We lazen een artikeltje van ds. F. C. Meyster, van Rotterdam, over een „examen in de Zendingsvakken", betreffende de examinatie van ds. J. Verkuyl, die straks naar Indië gaat als opvolger van dr. Esser.
Wij nemen dat artikeltje hier over, tot onze opscherping. Hier is 't :
„Wanneer in onze Kerken een Dienaar des Woords beroepen wordt als missionair predikant, dan moet hij eerst een studiegang in de speciale Zendingsvakken doorloopen, en de vruchten van die studie toonen op een kerkelijk examen.
Dat is goed en noodig, want, wanneer iemand eenmaal in de Zendingspractijk is, ontbreekt hem in den regel de tijd om zijn aandacht aan zulke bijzondere, diepgaande en veelomvattende studiën te wijden.
Wie met degelijke kennis gewapend tot het arbeidsveld komt, staat niet ongewapend in den geestelijken strijd, maar hij heeft zijn pijlkoker met scherpe pijlen gevuld, en hij is bedreven in de hanteering der wapenen.
Het is onze eer als Gereformeerde Kerken, dat wij niet maar Zendelingen uitzenden, die een zekere opleiding genoten hebben, doch het radicaal van Dienaar des Woords missen, doch dat wij naar Indië mannen zenden, die volledige bevoegdheid hebben, na studie aan een Hoogeschool, om het Woord en de sacramenten te bedienen.
Maar zelfs daarmee zijn we niet tevreden. Wij verlangen van onze missionarissen een breede aanvullende studie in alles wat voor hun Zendingstaak noodig is : theorie der Zending naar Gereformeerde beginselen, kennis van land en volk, van religie en cultuur in Indië, kennis van de elenctiek in verband met de pseudo-religies, en van de geschiedenis der Zending, vooral die van de Gereformeerde Kerken. Eerst wie van al deze speciale wetenschappen voldoende kennis heeft vergaderd, kan met vrucht tot den arbeid ingaan.
Aan het eind van den voorbereidingstijd wordt dan een examen in de Classis afgelegd. Als examinator fungeert daarbij de commissie, door de Generale Synode aangewezen. Deze broeders behooren natuurlijk tot den Generalen Staf van ons Kerkleger".
Dan gaat ds. Meyster van dat examen in de Zendingsvakken, waaraan de missionairdienaar des Woords in de Gereformeerde Kerken zich moet onderwerpen, en waarbij een bijzondere Commissie, daartoe door de Synode benoemd, optreedt, iets vertellen. Hij schrijft:
„Jongstleden Dinsdag — dat was 6 Juni '39 — hebben wij de eer gehad op de Classis Rotterdam te ontvangen om het examen in de Zendingsvakken af te nemen van onzen beroepen missionaris ds. J. Verkuyl, die de opvolger zal worden van onzen dr. Esser.
Aanwezig waren prof. dr. C. van Gelderen, prof. dr. J. Ridderbos, prof. dr. G. M. den Hartogh en ds. W. Breukelaar.
Het was een genot, dit examen bij te wonen.
Niet alleen om de wijze waarop gevraagd werd, maar vooral ook om de wijze waarop geantwoord werd. Er was niet één vraag, waarop de examinandus 't antwoord moest schuldig blijven, en zijn uiteenzettingen gaven blijk van zoo diepgaande studie, van parate kennis en van verrassende gemakkelijkheid om rustig en beheerscht te antwoorden, zoodat allen die aanwezig waren, met groote voldoening, bewondering en dankbaarheid op onzen collega zagen, die tot zulke praestaties in staat was, en zoo eenvoudig bescheiden tegenover de grootvorsten in het rijk der wetenschap zat, alsof 't heel gewoon was dat hij zóó antwoordde.
Het is toch zoo heerlijk en vertroostend, als we mogen opmerken dat God arbeiders in Zijn wijngaard uitzendt, die met rijke gaven door Hem gesierd zijn.
Laten wij dan maar dankbaar zijn, dat wij nu weer zulk een broeder met uitnemende capaciteiten mogen uitzenden. De examinatoren gaven bij monde van ds. Breukelaar, den bekenden Zendingsspecialist, het eervol getuigenis, dat, als er bij ben kerkelijk examen cum laude gegeven kon worden, ds. Verkuyl dit praedicaat stellig zou hebben ontvangen.
Zijn arbeid, reeds onder de vreemde Oosterlingen verricht, heeft hem een prachtige practische scholing gegeven.
Zoo is dus de weg van onzen beroepen missionaris tot dusver voorspoedig gemaakt.
Moge hij straks al de gaven van hoofd en hart, die hij van den Heere ontving, dienstbaar stellen op ons Zendingsgebied, tot de komst van het Koninkrijk Gods".
Wij verlangen naar het oogenblik, dat ook wij kunnen gaan spreken van „onze Zcndings-dominé".
Missie is organisatie — naar Gods Wooid en de beginselen van onze belijdenis.

DAAR ZIT NIETS ACHTER !
In het no. van 13 Juli j.l. vroegen wij : „Zit er wat achter ? " Het betrof een vraag van de Particuliere Synode van Gelderland (van de Gereformeerde Kerken) inzake het (door de Gereformeerde Kerken) voortaan niet toelaten van „doopleden" uit andere Kerkgemeenschappen. Wij dachten, dat er wellicht bezwaren tegen den doop van andere Kerken (ook van de Hervormde Kerk) bestonden.
Nu schrijft iemand, die der zake kundig is, (en dien wij voor dit schrijven zeer dankbaar zijn) ons : „Er zit niets achter van wat U vermoed hebt". En wij haasten ons, om nu ook dat stukje van 13 Juli terug te nemen. De zaak is eenvoudig als volgt : Men voelt bezwaar om personen, die dooplid zijn b. v. van de Hervormde Kerk, in de Gereformeerde Kerken op te nemen, als die doopleden geen toelating tot de belijdenis des geloofs vragen, en dus als doopleden overkomen en als doopleden in de Gereformeerde Kerken willen voortleven.
Het is duidelijk, dat men dan geen bezwaar heeft b.v. de gedoopte kinderen van ouders, die als belijdende leden overkomen, te accepteeren.
Ook is zelfs — aldus onze berichtgever — op de Predikantenconferentie, waarop wij doelden, niemand geweest, die er voor gepleit heeft den doop uit andere Kerken (in dit geval dus ook de Hervormde Kerk) niet te erkennen.
De vraag uit Gelderland (aan de Synode, die te Sneek in Augustus gehouden wordt) is dus : Kan iemand zich als lid van de Kerk aanmelden, dus erkenning vragen als geloovige, terwijl hij op 't zelfde oogenblik weigert van zijn geloof belijdenis te doen?
Heeft men eenmaal volwassen doopleden in z'n gemeente, dan moeten die voortdurend onder vermaan staan, om toch te komen tot het doen van geloofsbelijdenis, en zou men dan zóó maar, zonder meer, doopleden uit andere Kerken overnemen, die geen toelating tot de belijdenis des geloofs vragen.
Dat kan niet.
En zóó is ons de vraag van Gelderland (van den Kerkeraad te Harderwijk) volkomen duidelijk. Er zit dus (gelukkig) niets achter van 't geen wij even vermoedden.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's