De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Nederland en de Waldenzen.

5 minuten leestijd

Nederland en de Waldenzen.
I.

Na „iets over den oorsprong en de geschiedenis der Waldenzen" te hebben medegedeeld, willen wij in een paar artikelen in het bizonder nog een en ander opmerken over de wijze, waarop wij Nederlanders ons het lot der arme verdrukte dalbewoners hebben aangetrokken, toen in 1686 het Edict van Nantes door den Franschen Koning herroepen werd.
Werden de Waldenzen door de Roomsche vorsten der zestiende en zeventiende eeuw op de schrikkelijkste manier vervolgd en tegengewerkt, — aan de andere zijde waren er vele landen, die heftig tegen deze verdrukking protesteerden. We noemen in dit verband Engeland, Zwitserland', Zweden, Wurtemberg, Brandenburg en Nederland.
Eigenlijk trok de zaak der Waldenzen een scheur tusschen Roomsche en Protestantsche naties.
Ook Nederland heeft zich tijdens de ballingschap der Waldenzen, die duurde van 1686 tot 1690, niet onbetuigd gelaten, wanneer het er om ging, hun zware omstandigheden te verzachten. In het buitenland heeft men zelfs gesproken van de „verdiensten", die Nederland gehad heeft ten opzichte van de behartiging der Waldenzer belangen.
Aan de hand van resolutiën der Staten- Generaal en andere officieele bescheiden, heeft prof. H. J. Royaards indertijd een studie gepubliceerd over het onderwerp, dat ons in deze artikelen bezighoudt. Uiteraard zullen wij van de belangrijke gegevens, die deze hoogleeraar verzameld heeft, een dankbaar gebruik maken. De lezer weet, dat prof. Royaards zijn sporen op het gebied der Kerkgeschiedvorsching wel verdiend heeft !
Toen de Waldenzen in 1686 hun geliefde dalen moesten verlaten, en onze Staten-Generaal van de gebeurtenissen kennis kregen, zonden zij een schrijven aan den Hertog van Savoye, waarin zij een beroep deden op zijn welwillendheid, doch zonder resultaat.
Toonden onderscheidene Staten zich aanstonds bereid, om groepen vluchtelingen in hun gebied toe te laten, — ook hier was zulks het geval. Er bleken echter tegen opname hier te lande groote bezwaren te bestaan, zoodat het bij bereidheid bleef. Weliswaar schreven de Staten-Generaal, dat „zy oock met bysondere droefheydt hebben vernomen de sware en bittere vervolginge, die het Godt Almagtigh ghelieft heeft de Dalluyden in Piemont te laten overkomen", maar toch kwamen zij tot de conclusie, dat de verschillen van taal en klimaat een verhindering waren, om een aantal Waldenzen naar hier te laten overkomen.
Op andere wijzen zouden we echter wèl helpen.
Een Zwitser, met name David Holzhalb, die o.m. ook hier te lande het pleit kwam voeren vóór een algemeene collecte ten bate van de „Dallieden", werd op 12 Aug. 1687 door de Staten-Generaal ontvangen. Hij werd uit zijn hotel gehaald in „eene carosse van Staet, getrocken met vier paerden", en in de vergadering der Hoogmogende Heeren gezet in een groen fluweelen armstoel.
Tot een algemeene collecte werd inderdaad besloten. Zij zou plaats hebben „van Huys tot Huys", op Maandag 10 Nov. Des Zondags te voren zouden de predikanten vermanen tot „eene liberale gift".
Het resultaat der inzameling bedroeg de zeer aanzienlijke som van meer dan ƒ 223000.
Vanwege de ingewikkeldheid van ons Staatsbestel, duurde het vele maanden, voordat de Staten-Generaal kennis kregen van de opbrengst der collecte. Het jaar 1688 was reeds voor het grootste gedeelte verstreken, voordat het eindcijfer kon worden bepaald, en de bedragen uit alle streken des lands te 's-Gravenhage waren binnen gekomen.
Vele aanvragen om ondersteuning waren inmiddels ingezonden. Wilden de vluchtelingen, die te Heidelberg, in Brandenburg en Zwitserland een vriendelijke schuilplaats gevonden hadden, niet van honger omkomen, dan moesten zij gesteund worden, want hun getal was zóó groot, dat hun gastheeren onmogelijk alles doen konden.
't Moet betuigd worden, dat de Staten-Generaal zeer serieus te werk gegaan zijn met de distribuëering van de beschikbare gelden. Uiterst nauwkeurig werd elke aanvrage overwogen en onderzocht.
Van Januari tot Mei 1688 werden nieuwe pogingen ondernomen, om Waldenzen de gelegenheid te geven, zich hier of in onze koloniën te vestigen. Een tweetal afgevaardigden der Waldenzen richtten een verzoek in dezen geest tot de Staten van Holland, die aangaande haar onderhoud met deze lieden mededeelden, dat een gedeelte der Waldenzen, „haar onthoudende omtrent Neurenburg, bestonden in omtrent 200 familien, uitmaakende omtrent duisend menschen, soo mans, vrouwen als kinderen, bij haar hebbende vier Predikanten, dat sij haar alle verstonden in de Landbouwerije, en boovendien meest alle konden een Ambagt van metselen, timmeren, slootmaaken, kuipen of diergelijke ; dat de voorsz. Piemontoische wel geneegen waaren haar herwaards aan te begeeven, om haar alhier te Lande met den Landbouw of eenigerhande Ambagt of Handwerk te geneeren, of wel andersints van hier tot dien einde gesonden te worden na de een of andere plaats of Colonie onder het District van de Oost- of West- Ind. Compagnie deeser Landen ; alleen wenschende, dat deselve, sooveel doenlijk bij den anderen mogten werden gehouden, om haar Religie, die nu soo lange hadden geoeffent, gesaamentlijk ter eere Gods te cultiveeren, en voor het toekoomende bij continuatie meer en meer voort te setten".
In Nederland schijnt er niet veel genegenheid bestaan te hebben, om Waldenzen op te nemen. De Oost-Indische Compagnie voelde er echter wel voor, om de Waldenzen, waarvan sprake is in de zoo juist weergegeven uiteenzetting, over te plaatsen naar de Kaap De Goede Hoop. Hoewel alles geregeld is geweest, om aan dit plan uitvoering te geven, is het toch niet verwezenlijkt
Prof. Royaards merkt in dit verband op : „Wij zien daarin de zorg der Voorzienigheid. Terwijl toch menschen en Staten in den nood beraadslaagden over de verplaatsing der Waldenzen, waaruit noodzakelijk hunne verstrooiing ontstaan moest, zorgde de Heer der Gemeente, dat dit kleine kuddeke, hoe ook verzwakt en gedund, niet te ver verwijderd werd, opdat het eerlang de vaderlijke erven weder zoude kunnen innemen, en aldaar nieuwe proeven van geloofskracht en heldenmoed zoude kunnen geven. Daar moesten zij een opgericht teeken voor de volgende eeuwen blijven, wat het Christelijk geloof vermag te midden van duurzamen tegenstand, en hoe het daaronder verder geoefend wordt".
(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's