De Raad Gods.
Calvijn.
Calvijn.
Calvijn waarschuwt, dat men de middelen niet zal verachten. Er zijn er wel, die zeggen, (lat niets voor ons gevaarlijk of doodelijk is, dan hetgeen God als zoodanig over ons beschikt. Maar men vergete niet, dat de Heere den mensch heeft voorgeschreven om de middelen te gebruiken, waardoor die gevaren afgeweerd kunnen worden. De Heere gebiedt juist, dat de mensch de gevaren zal vermijden, omdat Hij niet wil, dat het voor ons doodelijk en onvermijdelijk zoude zijn. De kunst en de wetenschap om zich te beraden en te behoeden is immers den menschen van den Heere ingeblazen. Daardoor heeft een mensch de voorzienigheid Gods te dienen in het bewaren, van zijn eigen leven. Door dit niet te doen, loopt de mensch gevaar om zichzelf het kwaad op den hals te halen, hetwelk Hij voor hem verordineerd heeft.
Zoo komt het, dat een voorzichtig man zich uit het ongeluk redt en dat een dwaas man daarin omkomt. De dwaasheid van den een en de voorzichtigheid van den ander zijn dan eigenlijk niets anders dan instrumenten van Gods beleid.
Voorts trekt Calvijn op tegen hen, die misbruik willen maken van de leer van de voorzienigheid Gods.
Er waren er blijkbaar in zijn dagen ook al, die de zonde wilden wegredeneeren met een beroep op de voorzienigheid Gods. Er is geen dieverij of overspel of doodslag, of de wil Gods moet er immers in medewerken. Waarom zal dan — zoo zegt men— een dief gestraft worden als hij juist iemand beroofde, dien de Heere met armoede kastijden wilde ? Waarom zal een moordenaar gestraft worden als hij doodt hem, wiens leven naar den raad Gods beëindigd moet worden ?
Indien al dergelijke menschen den wil Gods dienen, waarom zullen ze dan gestraft worden ?
Calvijn ontkent echter, dat zulke menschen den wil Gods dienen. Wij moeten nooit zeggen, dat hij, die door zijn boos gemoed gedreven wordt, den Heere dienst bewijst, dewijl hij alleen aan zijn kwade lust en begeerlijkheid gehoorzaamt.
Het dienen Gods geschiedt alleen, waar er naar wordt gestreefd om den .wil Gods te volbrengen. En die wil Gods leeren we uit Zijn Woord kennen. Indien iemand iets tegen hel gebod Gods bedrijft, dan is er geen sprake meer van gehoorzaamheid, maar wel van weerspannigheid en overtreding. Een mensch, die zondigt, zondigt toch nooit met de bedoeling om Gode gehoorzaam te kunnen zijn. Neen, de ongetemperdheid van onze booze begeerlijkheid raast zoó in den zondaar, dat hij juist begeert om tegen den Heere in te gaan. Wel zijn we, als we zondigen, dienstbaar aan Zijn rechtvaardige beschikking. De Heere weet immers naar de oneindige grootheid Zijner wijsheid booze instrumenten wel te gebruiken om goed te doen.
Dwaas is het echter, om te meenen, dat degenen, die booze stukken bedrijven, ongestraft zullen henengaan, omdat die niet zonder de( beschikking Gods bedreven worden. Calvijn wil nog wel meer toegeven. Hij erkent wel, - dat dieven en doodslagers en andere boosdoeners wel instrumenten zijn van de goddelijke voorzienigheid, die de Heere zelfs gebruikt tot uitvoering van de oordeelen, die Hij bij zichzelf besloten heeft. Maar Calvijn blijft ontkennen, dat hunne boosheden daarom eenigszins verontschuldigd of verschoond moeten worden.
Wat dan ? Zullen ze God mede betrekken in de ongerechtigheid of zullen ze hunne boosheden met Zijne gerechtigheid bedekken ?
Ze kunnen noch het een, noch het ander doen.
Zich zelf van schuld te zuiveren, is onmogelijk, omdat hun consciëntie tegen hen getuigt. Ze kunnen God niet beschuldigen, omdat ze bevinden, dat het kwaad bij hen zelf is en er bij den Heere niet anders is dan een wettig gebruik van hunne boosheden.
Calvijn gebruikt nu een aangrijpend beeld. Hij vraagt, waaruit de stank ontstaat in een dood lichaam, hetwelk door de hitte van de zon bezig is te ontbinden. Iedereen weet, dat de stank door de stralen van de zon verwekt wordt en nochtans zal niemand durven beweren, dat de zonnestralen zelf stinken. Evenmin kan God de auteur van de zonde wezen.
Al de lasteringen, die tegen den Raad Gods worden ingebracht, zullen het beste worden weerlegd door een godvruchtige en heilige overdenking der voorzienigheid Gods.
Een mensch, die God vreest, gelooft, dat alles geschiedt door de beschikking Gods en dat er niets geschiedt bij toeval. En daarom richt hij zijn oog op Hem, als op de voornaamste oorzaak van alles. Niettemin zal hij ook op de lagere en mindere oorzaken letten. Alles zal den godzalige ten beste moeten gedijen. De harten van alle menschen zijn in de hand Gods.
Calvijn wijst op vele voorbeelden uit de Heilige Schrift, die ons kunnen bewijzen dat de voorzienigheid Gods waakt over de zaligheid der geloovigen.
Psalm 55 vs. 23 : Werp uwe zorg op den Heere en Hij zal u onderhouden. Hij zal in eeuwigheid niet toelaten dat de rechtvaardige wankele.
Psalm 91 VS. 1 : Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.
Zacharia 2 vs. 8 : Want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.
Jesaja 26 vs. 2 : Ik zal uw schild en metalen muur zijn ; Ik zal wederstaan degenen, die u wederstaan.
De geschiedenissen uit de Heilige Schrift bedoelen te leeren, dat de Heere de gangen en de wegen der heiligen met vlijt bewaart, zoodat ze hun voet aan geenen steen stooten.
Ja, de Heere zegt, dat Hij zijn zorg zoover uitbreidt, dat Hij de haren van het hoofd van Zijn kind geteld heeft. Wat kunnen we nog meer wenschen, zoo roept Calvijn uit, indien niet één haar van ons hoofd kan vallen zonder Zijnen wil ?
Verder leert Gods Woord zoo duidelijk, dat alle menschen onder Zijn macht en heerschappij liggen, hetzij dat hunne gemoederen moeten worden tevreden gesteld, hetzij dat hunne boosheid ingetoomd moet worden. Soms beneemt God aan de vijanden Zijner kinderen het verstand. Hij zond den satan henen om den mond van alle profeten met leugentaal te vervullen, opdat Achab zou bedrogen worden. Rehabeam wordt door den raad der jongelingen verdwaasd, opdat hij door zijn dwaasheid van het rijk beroofd zou worden. En wanneer Hij hun al het verstand laat behouden, maakt Hij hen zoo verschrikt en verbaasd, dat ze niet durven uit te voeren wat ze voorgenomen hebben. En wanneer Hij hen soms heeft toegelaten om hunne booze lusten uit te voeren, dan breekt Hij hun geweld ter bekwamer tijd af en Hij laat hun niet toe om hun raadslagen te volbrengen.
Alzoo heeft Hij den raad van Achitofel teniet gemaakt. Zie 2 Sam. 17.
De duivel heeft tegen Job niets durven ondernemen zonder Gods toelating.
O, wie dit alles recht leert bezien, zal genoopt worden tot dankbaarheid in voorspoed en lijdzaamheid in tegenspoed en een stille gerustheid met het oog op de toekomst. Al hetgeen hem naar wensch is gegaan, heeft hij alleen aan God te danken, hetzij dat hij Zijn weldadigheid heeft gevoeld door den dienst van menschen, hetzij dat hij door de onbewuste schepselen is geholpen. Want hij zal bij zichzelf moeten zeggen : Het is de Heere, die de gemoederen der menschen gunstig jegens mij heeft gestemd. Die menschen waren slechts instrumenten van Gods goedertierenheid. Als er overvloed van vruchten is op den akker, dan zal hij denken, dat het de Heere is, die den hemel heeft verhoord, opdat de hemel de aarde verhoore en de aarde ook hare vruchten verhoore.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's