De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bezinning.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bezinning.

13 minuten leestijd

We leven in een onbezonnen wereld.
Dit te constateeren valt niet moeilijk, want de bewijzen daarvoor liggen voor het grijpen, ver en nabij. Ieder dagblad legt daarvan getuigenis af. En de geweldige golfslag van de wereldzee, dreigt het eene schip van Staat tegen het andere schip van Staat te pletter te slaan, zoodat slechts wrakstukken zullen over blijven.
Er is wind gezaaid en de storm staat te rijpen.
Onze onbezonnen wereld heeft bezinning noodig. Opdat ze zoeke naar den zin van het wereldleven. En die zin is, zoowel voor de wereld in zijn geheel als voor de afzonderlijke personen, hierin gelegen, dat er gevraagd en geleefd wordt naar 's Heeren ordinantiën. Tot bezinning te worden geroepen, is voor ieder op zijn tijd noodig. Want het gevaar is lang niet denkbeeldig, dat men naar de eene of andere zijde doorvloeit. Waardoor de rechte weg maar al te dikwijls, vaak ongewild, uit het oog wordt verloren.
Bezinning is noodig op elk terrein des levens. Ook op de erve van het kerkelijk en geestelijk leven. En wanneer we thans op kerkelijk terrein blijven, dan is er velerlei, waarop we ons kunnen bezinnen.
Daar is b.v., en hierbij willen we ons in dit artikel bepalen, de onderlinge versplintering onder de Gereformeerde gezindheid, welke is verdeeld over tallooze kerken en kerkjes. Deze versplintering hangt weer ten nauwste samen met de prediking, welke men wenscht te hooren. Waarbij dan het droeve feit valt waar te nemen, dat hoewel men wat de belijdenis aangaat, staat op eenzelfde grondslag, men elkander om bijkomstigheden vaak op het felst bestrijdt.
Bijkomstigheden zijn niet zelden oorzaak van splitsing. Nog betrekkelijk kort geleden moet ergens (niet in onze Hervormde Kerk) het volgende zijn voorgevallen. Er was een plaats van ouderling open gekomen. Nu was er iemand, die het niet onder stoelen of banken stak, dat hij zoo gaarne de opengevallen plaats wilde innemen. Toen hij, ondanks alle pogingen die hij daartoe in het werk gesteld had, niet als zoodanig werd gekozen, gaf dit hem aanleiding met zijn Kerkverband te breken. Nadien is hij er toe overgegaan om persoonlijk een predikant, of iemand die daarvoor wil doorgaan, in de week in een of andere zaal te laten optreden. Van beginselen gesproken !
Is het wonder dat, wanneer een wereldling naar de geestelijke dingen gaat zoeken, hij zich wanhopig moet afvragen: waarheen moet ik mij nu begeven om de Waarheid te hooren?
Geeft men door dit alles de wereld geen aanleiding om den God van zulk een uit elkander verscheurd liggende Christenheid, te bespotten ? Want daar loopt het toch tenslotte op uit.
Moet deze, tot in het oneindige doorgaande versplintering, ons niet tot bezinning roepen? ! Wanneer ik het goed zie, dan is het zoo : De oorzaak van de verschillende scheuringen ligt, althans bij de Gereformeerde, gezindheid, niet in de Belijdenis, want die hebben allen gemeen, doch — naast het verschil van inzicht betreffende het kerkelijk uitleven van die Belijdenis — o.a. voor een niet klein gedeelte in de eischen, welke men aan de prediking stelt. En wat dan de één een volle maat vindt, vindt de ander nog geen kwart maat. Sommigen vinden alleen dat een. volle maat, wanneer de predikant of oefenaar groote „stukken" naar voren kan brengen, gevolgd door het vaak terugkeerende gezegde: Wie het vatten kan, die vatte het. Dit laatste is dan tegelijk een bewijs dat de gemeente een overvolle maat krijgt. Helaas vat men dan niet dat men dikwijls in zoo'n prediking ver i£ afgeweken van den eenvoud des Evangelies. Indien ergens, dan geldt het hier : eenvoud is het kenmerk van het ware.
Gelukkig komt er meer en meer vraag naar Calvijn's geschriften. Meer dan de schitterendste redevoering, die er ter gelegenheid van de herdenking van zijn 375sten sterfdag op 27 Mei j.l. zou kunnen gehouden zijn, kan tot zijn nagedachtenis medewerken het lezen van zijn Institutie, commentaren, preeken en brieven.
En wie bij de lezing daarvan niet willens blind is, die komt daardoor tot — bezinning. In ken iemand, die opgegroeid is en verkeerd heeft in kringen, waarin door velen alléén die predikanten of voorgangers den naam van echt Gereformeerd werden waardig gekeurd, die preekten in den geest van „wie het vatten kan, die vatte het".
Toen hij er nu toe overging om werken van Calvijn aan te schaffen, had hij dezen gedachtengang : Calvijn is de Reformator der Kerk en gereformeerd bij uitnemendheid. En dus, zijn geschriften zullen zoodanig zijn, dat ze nog gereformeerder zijn dan de „gereformeerdste" dominé. Dat waren ze inderdaad, doch in den goeden zin van het woord. Wat niet wegnam, dat aanvankelijk Calvijn's geschriften bedoelden persoon tegenvielen, omdat ze zoo betrekkelijk eenvoudig opgesteld waren. Heelemaal niet „diep", zooals diep vaak verstaan wordt. Zoo werd er in zijn Institutie een groote plaats ingenomen voor de bespreking van het geloof. En eerlijk gezegd, daar werd haast nooit over gepreekt, nauwelijks op gezinspeeld en nog veel minder toe opgewekt.
Lees b.v. eens Calvijn's preeken. Wanneer vandaag aan den dag iemand een preek houdt in denzelfden geest, zooals Calvijn die hield, dan is het niet denkbeeldig dat zoo'n prediker het gevaar loopt als oppervlakkig te worden beschouwd. „Hij zegt de waarheid, maar daar blijft het bij", is misschien nog 't zachtste oordeel dat men over hem uitspreekt.
En toch, Calvijn bracht een voorwerpelijk=onderwerpelijke prediking, maar dan onderwerpelijk in den Schriftuurlijken zin van het woord. De prediking zooals Calvijn in navolging der Apostelen bracht, heeft onze tijd, óók onze gereformeerde gezindheid noodig, doch wordt misschien minder gezocht dan verwacht zou worden.
Hiervan kan men overtuigd zijn, dat wanneer men alleen naar zulk een prediking, inzonderheid in de vorige en deze eeuw, gevraagd had en men uit denzelfden geest als Calvijn had geleefd, de gereformeerde gezindheid nog steeds een eenheid gevormd zou hebben in het midden onzer Hervormde (Geref.) Kerk.
Als Calvijn in deze dagen opstond, zou zeker het eerste zijn wat hij deed : verzamelen blazen. Maar dan niet om er nog weer een nieuwe Kerk bij te stichten. Het zou een terugroep zijn tot de Kerk der Vaderen, waarvan men uitgegaan is. Niet allereerst ter wille dezer Kerk, maar omdat de eenheid der Kerk ten nauwste samenhangt met de eere Gods. Zeer zeker zou Calvijn er niet aan denken het aantal Kerken nog weer met één te ver­ meerderen. En wanneer men, eenigszins onwillig tot terugkeer, hem zou toevoegen : „Kom, kom, het zit toch niet in de kerkmuren en het is toch zoo, dat waar twee of drie tezamen zijn in Christus' Naam, Hij daar Zelf in het midden is" — dan zou het niet onmogelijk zijn dat zijn oogen zooiets als vlammen gingen- schieten. Om in heiligen toorn er op te wijzen, dat het goddeloos is om met dezen tekst de scheuringen goed te praten. Deze tekst wil toch alleen maar zeggen, althans wal het kerkelijke leven betreft, dat indien in een burgerlijke gemeente slechts 2 of 3 Christenen zouden wonen, Christus ondanks hun gering getal toch in hunne godsdienstige samenkomst aanwezig wil zijn. Het is er dus verre vandaan dat deze tekst een vrijbrief zou zijn om de versplintering die er is, goed te praten.
Om op de prediking terug te komen. In Calvijn's dagen waren er ook die meenden dat ze al te weinig „stichting" ontvingen, omdat de prediking te eenvoudig was naar hun zin. Daarop was zijn antwoord, dat dezulken zich moesten verootmoedigen en nederigheid leeren.
Zou het ook inzonderheid in onze dagen niet gelden, dat de menschen kittelachtig zijn van gehoor ? Dat men het vaak alleen in de groote en bijzondere dingen zoekt en den dag der kleine dingen veracht ? Dat men den Bijbel steeds maar weer en steeds maar méér wil vergeestelijken, terwijl de Bijbel van zichzelf toch reeds geestelijk is. Wanneer de H. Schrift b.v. de vruchten des Geestes opnoemt, welke zijn : „liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid", dan beschouwt menigeen verschillende dezer vruchten, al zegt men het niet, toch eigenlijk nauwelijks den naam van „geestelijk" waardig.
Door zulk een geestesgesteldheid komt het ook, dat men al meer en meer bijzondere eischen aan een prediking gaat stellen. En wanneer daaraan niet voldaan wordt, welnu, dan zijn er kerkgemeenschappen genoeg om het daar eens te zoeken. Wanneer al die anderen daar ook niet aan voldoen, of na verloop van tijd niet meer voldoen, omdat de eischen misschien weer anders of zwaarder zijn geworden, dan maar zélf een kerkje opgericht. De tel is men toch al kwijt !
Dit alles komt, het is droevig om 't te moeten constateeren, omdat velen zelfs een zuivere. Schriftuurlijke prediking, zooals de Apostelen en de Reformatoren die brachten, niet meer waardeeren.
Het is waar, de natuurlijke mensch verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Maar dat wil niet zeggen, dat de prediking daarom niet op eenvoudige, ook voor onbekeerde menschen te begrijpen wijze, moet worden gebracht. Immers zelfs de eenvoudigste prediking is voor den natuurlijken mensch, hoe vroom en godsdienstig ook, in den grond der zaak onverstaanbaar, zoolang hij de werking des H. Geestes mist. Want wat zal zulk een in waarheid verstaan van wat het zeggen wil om met een verbroken hart en een verslagen geest tot den troon der genade te naderen óf het getuigenis des Geestes te ontvangen waardoor er wordt uitgeroepen : Abba, Vader ?
En toch, met welk een eenvoudigheid spreekt de Bijbel over deze dingen. Zonder eenige omhaal van woorden. Nog eens : Eenvoud is immers het kenmerk van het ware ?
Zie het ook b.v. bij het uitspreken door den Heiland van de gelijkenis van den zaaier. Als Christus na het uitspreken daarvan tot Zijn jongeren zegt, dat het hun, in tegenstelling met anderen, gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, dan volgt daarop de verklaring dier verborgenheid, welke in de uitgesproken gelijkenis lag. En hoe is die verklaring ? Een soort geheimtaal ? Niets daarvan. Het is een heldere, eenvoudige uiteenzetting van hetgeen met die gelijkenis bedoeld is.
Wil dit dus zeggen, dat een prediking slechts een navertelling van een Bijbelsche geschiedenis of van een of ander Bijbelgedeelte moet zijn, zonder meer ? Zeker niet. Het zal voorwerpelijke-onderwerpelijke prediking moeten zijn, maar dan gespeend aan alle overgeestelijkheid.
Hierbij mag ook de aanbieding des Evangelies niet ontbreken. Ook op dit punt is bezinning misschien niet overbodig.
Heeft onder ons de aanbieding des Evangelies en de opwekking tot het geloof in Jezus Christus in de prediking, in het algemeen, wel de plaats die haar toekomt ?
Want al is het waar, dat niemand tot God kan komen, tenzij de Vader, Die Christus gezonden heeft, hem trekke ; dat we niet bekwaam zijn van onszelven iets te denken als uit onszelven, maar dat onze bekwaamheid is uit God ; dat God in ons werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen ; dat zonder Christus we niets kunnen doen — dit alles sluit de aanbieding des Evangelies niet uit. Daar schijnt men wel eens bang voor te zijn.
Wanneer er ooit doordrongen geweest zijn van de zoo juist genoemde waarheden, dan toch zeker wel de apostelen, die leefden in de dagen, waarin de Heilige Geest in bijzondere mate werd uitgestort. Toch beluisteren we uit hun mond volle Evangelieklanken.
Hoor slechts het antwoord, dat de apostel Paulus op de vraag van den stokbewaarder geeft : „Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis". En hoe is het thans in verschillende kerkgemeenschappen gesteld ? Wanneer menschen, door Gods Woord en Geest aan hun doodstaat ontdekt, met hun zielenood tot hun predikant gaan, zal dan bij menig voorganger niet tevergeefs-worden geluisterd naar zulk een krachtige opwekking tot geloof, naar zulk een volle Evangelieklank, als de stokbewaarder van den apostel Paulus vernam ? Geeft het achterwege blijven hiervan, ons niet iets te denken ?
Later zien we den apostel Paulus in gevangenschap te Rome. Tijdens die gevangenschap krijgt hij bezoek van eenige Joden, die nog niet tot het geloof in den Heere Jezus waren gekomen. En dan lezen we, dat hij hun het Koninkrijk Gods uitleidde, terwijl er dan zoo kernachtig volgt : „En hij poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, van des morgen? vroeg tot den avond". Is het niet, of we hier de woorden uit de gelijkenis hooren : „Dwing ze om in te komen, opdat het huis vol worde".
Blijkt uit deze enkele voorbeelden niet reeds duidelijk, welk een groote plaats de opwekking tot het geloof in den Heere Jezus Christus, in de prediking der apostelen innam ? Daarom moet naast de prediking van het dood zijn in zonde en misdaden, en het onbekwaam zijn tot eenig goed, evenzeer en met denzelfden aandrang de aanbieding des Evangelies uitgaan. Het een sluit het lander niet uit. Wat méér zegt, Gods Woord gaat ons daarin voor.
Treffend blijkt dat uit het gesprek, dat de Heere Jezus met Nicodemus hield. In datzelfde gesprek zegt Hij: „Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien", maar Christus laat daar even later ook op volgen : „Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".
Is het niet opmerkelijk ? Er zijn richtingen, die eenzijdig de nadruk leggen op de aanbieding des Evangelies, waarbij geheel of nagenoeg geheel gezwegen wordt van de noodzakelijkheid der wedergeboorte.
Er zijn ook richtingen, die eenzijdig de nadruk leggen op de wedergeboorte, waarbij de aanbieding des Evangelies niet genoeg tot haar recht komt.
En nu gronden beide richtingen zich op een waarheid, die Christus in Zijn gesprek met Nicodemus naar voren bracht. De eene richting op het : „Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, opdat enz.", en de andere richting op het : „Voorwaar,
voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt..." En wat deed Christus ? Christus zette beide waarheden naast elkaar. Niet het een óf het ander, maar het een èn het ander. Daarom, wat God samengevoegd heeft, scheide ook in dit opzicht de mensch niet.
Meer dingen zouden te noemen zijn, doch genoeg.
Moge het bovenstaande aanleiding geven tot bezinning. En de bezinning leiden tot een blijven bij of een terugkeeren tot de reformatorische beginselen. Opdat er weer kome een toenadering tot elkander van degenen die op eenzelfde grondslag staan en er samengewerkt kan worden in den dienst van Gods Koninkrijk.
Schenk ons, onmachtigen, o God van Alvermogen ! de krachten des geloofs, Uw Geest van uit den hoogen, bij 't daav'ren van de stem, terwijl Uw Rijk genaakt : »Ontwaakt, gij slapenden ! en, reeds ontwaakten ! waakt".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Bezinning.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's