STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE LANDSVERDEDIGING (1)
Een paar weken geleden heeft de Tweede Kamer, zooals de meeste van onze lezers reeds zullen weten, de voorstellen tot wijziging van de Dienstplichtwet goedgekeurd.
Daarmee krijgt, zoo ook de Eerste Kamer zich met de voorstellen vereenigt en deze in het Staatsblad een plaats zullen krijgen, de Kroon de bevoegdheid den eersten oefentijd der dienstplichtigen tot twee jaar te verlengen. Verder wordt de duur van de herhalingsoefeningen van ten hoogste 40 op ten hoogste 85 dagen, verdeeld over verschillende tijdperken, gebracht.
Deze wijzigingen van de Dienstplichtwet komen ons van zooveel belang en beteekenis voor, zoowel ter zake van de veiligheid des lands tegen buitenlandsch geweld, als wegens de zware lasten, die ze den dienstplichtigen reeds in de naaste toekomst zullen opleggen, alsmede ook omdat over dit onderwerp nog wel niet het laatste woord zal zijn gesproken, dat, al hebben wij over deze aangelegenheid al meermalen geschreven, het goed is, nog een oogenblik bij het Defensievraagstuk, thans bezien in het licht van de aangenomen Regeeringsvoorstellen, stil te staan.
Gelijk bekend is, bedoelen de wijzigingen van de Dienstplichtwet : de vredessterkte van het. leger te vergrooten en de geoefendheid van kader en manschappen op een hooger peil te brengen.
Drie punten vragen daarbij onze aandacht,
1°. de noodzakelijkheid van de vergrooting der vredessterkte ;
2°. het stelsel, dat ter verkrijging van die vergrooting gekozen werd ; en
3°. de geoefendheid van het veldleger. In de eerste plaats de noodzakelijkheid van de vergrooting van de vredessterkte.
De uitbreiding van de legersterkte is noodig in verband met een voldoende beveiliging van de grenzen en de kust. Voor dit doel zijn troepen noodig, die zelfstandig, dus buiten het Veldleger om, aan grens en kust moeten kunnen optreden.
Vast staat, dat de Dienstplichtwet ten opzichte van de beveiliging van de grenzen en de kust onbevredigend werkt, en dat ook de wijziging van de wet, welke einde 1937 plaats had, daarin geen verandering heeft gebracht.
De Regeering had dan ook het groote buitenkansje, dat, èn in September 1938 èn in April 1939 genoegzame tijd aanwezig was om voor de grens- en kustbeveiliging te zorgen. Zou er in die dagen een onverhoedschen aanval op ons land hebben plaats gehad — aan oorlogsverklaringen denkt men sedert 1914 niet meer — dan was er vermoedelijk van de mobilisatie en de concentratie van het Veldleger niet veel terecht gekomen.
Vandaar de noodzakelijkheid, dat de grenzen en de kust te allen tijde beveiligd worden.
Is nu deze beveiliging door den maatregel van de verlenging van den eersten oefentijd verzekerd ?
Zij zou het inderdaad zijn, indien de Regeering den maatregel consequent doorvoerde. Doch dat ligt niet in haar bedoeling.
Immers strekt de wijziging van de Dienstplichtwet niet, om onder normale omstandigheden de vredessterkte van het "leger te vergrooten, doch de eenige reden — aldus de Minister van Defensie — waarom het voorstel tot verlenging van den eersten oefentijd werd ingediend, ligt in het latente (sluimerende) oorlogsgevaar, dat de laatste tijden ons werelddeel bedreigt.
De toestand op het stuk van de grens- en kustbeveiliging blijft dus, zooals hij op het oogenblik is, dat wil zeggen, dat in normale tijdsomstandigheden, wanneer er dus geen grens- en kusttroepen aanwezig zijn, bij de minste of geringste spanning in het buitenland lichtingen, dan wel niet meer van oudere, maar van jongere dienstplichtigen, worden opgeroepen.
De Minister van Defensie is echter van meening, dat de grensmobilisatie ook niet meer zal noodig zijn. Hij staat op het standpunt, dat de lichtingen, wanneer er geen internationale spanning is, na den gewonen eersten oefentijd van) elf maanden, met ver lof (niet groot-, maar klein verlof) naar huis gaan. Zij zullen echter bij het intreden van buitengewone omstandigheden, bedoeld bij artikel 32 van de Dienstplichtwet, anders als bij mobilisatie, snel en geruischloos onder de wapenen komen.
Doch zal het oproepen van deze klein-verlofgangers, ook al geschiedt dit nog zoo geruischloos, geheim blijven en niet de aandacht trekken ?
Zal het massaal met spoed terugkeeren van verlof van deze dienstplichtigen niet denzelfden indruk maken als het oproepen van lichtingen ? En wat wel het voornaamste is, zullen de klein-verlofgangers, over alle deelen das lands verspreid, bij een plotselinge buiteniandsche actie op tijd hun bestemmingsplaatsen aan grens en kust bereiken ?
De bezwaren, die aan het tegenwoordig stelsel kleven, om in tijden van internationale moeilijkheden voor de grens- en kustbeveiliging dienstplichtigen buitengewoon onder de wapenen te moeten roepen met het gevolg van :
1°. onvoldoende beveiliging bij strategische overvallen ;
2°. het wekken van onrust bij de bevolking en
3°. het in opspraak brengen van ons land in het buitenland ;
die bezwaren blijven, zij zijn ook inhaerent (onafscheidelijk verbonden) aan het systeem der Regeering : „het snel en geruischloos opkomen van de klein-verlofgangers."
Het waren juist ook de bezwaren, die de Minister-President, dr. Colijn, in zijn radiorede van 11 April liet hooren en welke bedenkingen — naar zijn zeggen — in den vervolge moesten worden voorkomen en weggenomen.
Wat hield die radiorede met betrekking tot deze dingen in?
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juli 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's