De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

5 minuten leestijd

DE LANDSVERDEDIGING (2)
In zijn radiorede van 11 April zeide Minister Colijn o.m. :
„De normale toestand, dat is de tegenwoordige regeling, is volstrekt onbevredigend voor Regeering en volk beide. Telkens wanneer de internationale spanning een acuut karakter krijgt, staat de Regeering voor de moeilijke vraag : moeten wij bijzondere maatregelen treffen, of kunnen wij ze nog achterwege laten ? En telkens wanneer zulke omstandigheden zich voordoen, rijst ook onder ons volk een soortgelijke vraag, waarmede dan ongerustheid pleegt gepaard te gaan. Daarom is 't noodig voorzieningen te treffen, die een meer permanent karakter dragen en van zoodanigen aard zijn, dat niet telkenmale tot het treffen van bijzondere maatregelen behoeft Ie worden overgegaan en men de ontwikkeling der gebeurtenissen dus met meer gerustheid kan afwachten, dan thans, het geval is".
Naar 't oordeel van den Minister-President is het dus noodig, dat er ten behoeve van de grens- en kustbeveiliging voorzieningen worden, getroffen van een meer permanent karak­ter, die dan tevens van zoodanigen aard zijn, dat niet telkens bijzondere maatregelen behoeven getroffen te worden.
Maar met die voorzieningen is niet in overeenstemming de maatregel van den Minister van Defensie om, zooals wij de vorige week aangaven, de lichting met klein verlof naar huis te zenden om ze in dagen van spanning weer onder de wapenen te laten komen.
Zoo geschiedt het ook op dit oogenblik. Daarbij maakt het voor de grens- en kustbeveiliging geen verschil of lichtingen van grootverlofgangers, dan wel lichtingen van kleinverlofgangers worden opgeroepen.
In beide gevallen moeten bijzondere maatregelen getroffen worden, tegen welke dr. Colijn in zijn radiorede waarschuwt.
Het is toch vóór alles noodig, dat de toegangsdeuren tot Nederland van slot en grendel worden voorzien. Die toegangsdeuren moeten niet openstaan, maar zij moeten gesloten zijn, niet alleen in dagen van spanning, maar ook in normale tijden. De Minister van Defensie wees bij de behandeling van zijn voorstellen tot wijziging van de Dienstplichtwet er terecht in de Tweede Kamer op, dat de tijden, waarin, na een oorlogsverklaring, een aanvallende Mogendheid zelf nog verscheidene dagen noodig had om te mobiliseeren, in zoover tot het verleden behooren, dat snel verplaatsbare troepenafdeelingen van voldoende sterkte doorloopend aanwezig zijn tot het uitvoeren van een plotselinge actie.
Die plotselinge actie is het nu juist, die een permanente grens- en kustbeveiliging ook in normale tijden noodig maakt.
In dat verband moge nog gewezen worden op een leemte, die zich bij de verdediging van ons land voordoet en op een onjuiste maatregel, welke ter zake van de grens- en kustbeveiliging getroffen werd.
De leemte betreft het niet aanwezig zijn van het kanaal Almen—Pannerden, dat als kanaalvak in het plan van de Rijn—Twenthe kanalen is geprojecteerd geworden. Doordat het genoemde kanaal er niet is, ligt de Geldersche Achterhoek geheel open en vormt het terrein daar de invalspoort voor vijandelijke legers. Alle deskundigen, zonder eenig onderscheid, zijn het er daarom over eens, dat het kanaal Almen-Pannerden een defensiebelang is van den eersten rang en dus niet kan worden gemist.
De onjuiste maatregel ziet op de legering van de grensbataljons in garnizoenen, ver van de grenzen verwijderd. Deze bataljons hebben dientengevolge voor de grensbeveiliging geen beteekenis.
De militaire medewerker van de Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef op 28 Maart 1939, een paar weken vóór den plotselingen inval van Duitschland in Tsjecho-Slowakije, zoo juist :
„De vraag rijst, of, gelet op het tempo, waarin verrassingen als die van Praag zich komen aandienen, het niet van een te groot optimisme getuigt aan te nemen, dat een eventueele aanvaller ons den tijd zal laten om onze grenstroepen nog te mobiliseeren en als gemobiliseerde eenheden naar de oorlogsopstellingen te vervoeren. Er dient met nadruk op te worden gewezen, dat het verloop der gebeurtenissen in Maart 1938 en in September 1939 een geheel ander, veel kalmer en geleidelijker beeld te zien geven dan die van Maart 1939. Of zulks toevallig is, dan wel wijst op een evolutie bij de toepassing van een systeem, kan hier buiten beschouwing blijven ; vast staat, dat wij sedert 14 dagen voor nieuwe feiten en aanwijzingen zijn komen te staan, die zich kunnen herhalen".
En in De Nederlander van 31 Maart was dit te lezen :
„Wat gebeurt er in dit opzicht" — d.w.z. ten aanzien van de kust- en grensbeveiliging — „in ons vaderland ? " Wij hebben nu de z.g.n. tweede bataljons. Deze bestaan echter uit miliciens, die bezig zijn aan het tweede deel van hun oefeningstijd. Zij zijn daarom niet aan de grens, doch in garnizoensteden. Zij nemen deel aan allerlei oefeningen, gaan op hun tijd naar Harskamp, enz., doch aan de grens en bij de kazematten zijn ze niet.
Wat is er dan wel permanent ter plaatse, waar bij een bliksemsnellen overval gehandeld moet worden ? Het antwoord moet luiden : Op sommige plaatsen enkele marechaussees of militaire politie, op veel andere plaatsen in het geheel niemand.
Wij vragen ons af, of deze toestand bestendigd mag blijven. Uit de uiteenzetting van Generaal Van Voorst op 22 Dec. 1937 voor de Vereeniging van Verlofsofficieren, weten wij, dat België — werkelijk niet rijker dan wij — een presente legersterkte heeft van 88.000 man, waaronder een beroepscorps van 6000 man permanent aan de grens (Ardensche jagers) .
Ook uit deze beide citaten, die de toestand zoo juist weergeven, blijkt, dat de veiligheid des lands eischt, dat te allen tijde, zoowel in tijden van spanning als in normale dagen over een voldoende grens- en kustbeveiliging kan worden beschikt.
Ontbreekt deze — en dat is het ergste van het geval — dan is de kans zeer groot, dat bij een plotselinge actie, die, zooals wij reeds hierboven schreven, ook door de Minister van Defensie niet onmogelijk wordt geacht, een derde van het veldleger verloren is.
De dienstplichtigen, wonende in de buitenprovincies, beoosten en bezuiden de groote rivieren, zullen de concentratieplaatsen der troepen niet meer kunnen bereiken.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's