De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Nederland en de Waldenzen.

4 minuten leestijd

Nederland en de Waldenzen.
II (Slot).

Wij zeiden in ons vorig artikel reeds, dat de collecte van het jaar 1688, die de reusachtige som van 223000 gulden opbracht, goed en met overleg werd besteed. Verschillende groepen Waldenzen in het buitenland werden er door geholpen.
De Waldenzen te Neurenberg, die oorspronkelijk naar onze Kaapkolonie overgeplaatst zouden worden, doch waarvan niet kwam, kregen ƒ 8000.—.
Aan de ballingen in Zwitserland werd ƒ lO.OOO.-- overgemaakt, welk bedrag deels bedoeld was als steun in hun levensonderhoud, maar deels ook hun vertrek naar Brandenburg bedoelde te stimuleeren. Wat was namelijk het geval ? Daar het groote aantal Waldenzen, dat zich in Zwitserland bevond, financieele moeilijkheden met zich bracht, had de Keurvorst van Brandenburg zich bereid verklaard, tweeduizend Waldenzen over te nemen. De dalbewoners waren tot een vertrek daarheen niet bizonder geneigd, omdat zij altijd nog op terugkeer naar hun geliefde valleien waren blijven hopen. Ten einde Zwitserland nu wat te ontlasten, bestemde Nederland het voor hulp uitgetrokken bedrag mede voor deze emigratie. Slechts een duizendtal Waldenzen schijnt intusschen naar Brandenburg vertrokken te zijn. De overigen bleven in Zwitserland.
Het laat zich licht verstaan, dat de Waldenzen om verschillende redenen uitermate verbitterd waren op den Franschen Koning, die eigenlijk de veroorzaker was van hun verdrijving uit hun land en tevens van de ellende, die hun ballingschap met zich bracht. En het is te verstaan, dat bij sommige Waldenzen het plan opgekomen is, om Protestantsche naties te helpen in hun strijd tegen het Roomsche Frankrijk. Uit deze overwegingen is het te verklaren, dat op zekeren dag bij onze Generaliteitl het aanbod van 120 Waldenzen inkwam, om dienst te nemen in Nederlandschen krijgsdienst. Deze voorslag werd door ons aangenomen, en een bedrag van ƒ 1250.— werd naar Frankfort, waar bedoelde mannen zich bevonden, overgemaakt, ten einde naar hier te kunnen overkomen. Schijnen deze Waldenzen aanvankelijk door vijandelijkheden verhinderd
geworden te zijn, om aan de reis naar Nederland gevolg te kunnen geven, — later kwam er een gunstige mogelijkheid van uitwijking naar Engeland, waarmede onze Staten-Generaal genoegen namen. Bij resolutie van 2 Maart 1689 werd een en ander vastgesteld.
Evenals bij de mislukte onderhandeling inzake het vertrek van Waldenzen naar de Kaap De Goede Hoop, concludeert prof. Royaards bij de dienstneming van Waldenzen in ons leger, welke echter niet doorging : „Zoo waakte de Heer der Gemeente over deze verstrooide christenen ; en onder Zijn bestier moesten al de staatkundige gebeurtenissen telkens verhinderen, dat zij niet heinde en ver verstrooid werden, maar, trots alle menschelijke overleggingen, meer in elkanders nabijheid bleven !"
We noemden reeds enkele bedragen, welke ter beschikking van de verdrukte Waldenzen werden gesteld. Meerdere sommen zouden te noemen zijn, doch wij laten zulks achterwege. Wel willen wij er in dit verband nog de aandacht op vestigen, dat de administratie en overmaking der gelden veel en nauwkeurig werk vereischten. Uitstekende diensten zijn in dit opzicht verricht door een zekeren N. Clignet, postmeester te Leiden, wiens arbeid door den Waldenzer predikant Arnaud, toen deze eens hier te lande vertoefde, hoog geroemd is. Clignet is dan ook te beschouwen als de stichter van een geregeld postwezen in Nederland.
Op 10 November 1690 werd door de Waldenzen aan Nederland de som van honderdduizend gulden gevraagd (zegge : een ton). De aanvrage van dit reusachtige bedrag staat in verband met hun terugkeer naar de valleien, waarover wij reeds uitvoeriger schreven, en welke in Augustus 1689 was aangevangen.
We weten, dat niet terstond alle Waldenzen naar hun haardsteden konden terugkeeren. Velen vertoefden nog in Brandenburg, Hessen, Hanau en Wurtemberg. Onderscheidene vorsten verleenden hun medewerking, ook de terugkeer van hen mogelijk te maken.
Dat Nederland in de rij van hen, die zich het lot der Waldenzen hebben aangetrokken, een waardige plaats inneemt, stemt ons nog tot dankbaarheid. En dat de gevraagde ƒ 100.000.— verstrekt is, zonder dat ze gevonden werd uit de collecte, waarover wij herhaaldelijk spraken, bewijst de groote offervaardigheid, waarmede Overheid en Volk destijds
bezield waren.
Ook later hebben de Waldenzer broeders nog veel financieelen steun uit Nederland ontvangen. In 1731 op één dag bijvoorbeeld het vorstelijke bedrag van ƒ 308.00O.—.
Neerlands offervaardigheid ten bate van vervolgde Christenen in het buitenland is wel genoemd: „eene deugd, die de glory, aan overwinningen en zegepralen gehecht, verre te boven streeft".
En hiermede stappen wij van de Waldenzen af.
Want er ligt weer een nieuwe herdenking op behandeling te wachten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's