WAT CALVIJN ONS LEERT
Zoo mag de zekerheid des geloofs niet aan een moment van tijd worden verbonden. Ook dat is vroeger en later voorgekomen en komt nog voor. Dit werd o.a. ook ingebracht tegen Calvijn's leer omtrent de zekerheid des geloofs, n.l. dat men op een zeker oogenblik wel zeker kan zijn, maar dat men niet weet, of men ten einde toe zal volharden.
Calvijn voert daartegen aan het getuigenis van Paulus in Rom. 8 : 38 en als de tegenstanders dan weer een uitvlucht zoeken in de opmerking, dat dat een geheel bijzondere openbaring aan Paulus was, dan keert hij zich tegen hen door er op te wijzen, dat Paulus wel zeer duidelijk over de goederen handelt, die den geloovigen in het algemeen toekomen.
Maar — zeggen de weersprekers, Paulus laat ook wel een ander getuigenis hooren b.v. 1 Cor. 10:12: Zoo iemand sta, hij zie toe, dat hij niet valle. Thans verwijst Calvijn naar 1 Petr. 5 : 6 om aan te toonen, dat Paulus niet een afval der geloovigen op het oog heeft, maar dat het Woord eischt dat wij ons zullen vernederen onder de krachtige hand Gods.
Daarenboven wijst Calvijn er op, dat het geloof zich uitstrekt over het graf tot de toekomende onsterfelijkheid. Hoe kan dan de zekerheid des geloofs van een moment afhangen ?
Immers is het de gave Gods dat het geloof door de verlichting des Geestes geniet van de aanschouwing van het hemelsche leven. Zulk een roem is dus geen opgeblazenheid, maar wanneer iemand uit valsche schaamte weerhouden wordt om daarvan belijdenis te doen, maakt hij zich schuldig aan ondankbaarheid. Hij onderdrukt Gods goedheid meer dan dat hij getuigenis geeft van eigen zedigheid.
Hef geloof een vaste grond.
Calvijn heeft de belofte als de eigenlijke substantie of het fundament des geloofs aangewezen. Wordt de belofte weggenomen, dan bezwijkt ook het geloof.
Toch zegt hij in deze omschrijving niet anders dan die, welke de Apostel geeft in Hebr. 11 : 1, met het oog op het onderwerp, dat hij gaat behandelen : „Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Het woord, dat de apostel gebruikt voor: vaste grond, (n.l. in den Griekschen tekst) is hetzelfde, wat Calvijn fundament of substantie heeft genoemd, m.a.w. een onderlaag, waarop een godzalig hart steunt. De dingen, die men hoopt, zien op het rustig bezit der dingen, die God beloofd heeft.
Die beloofde dingen nu, zijn tot op den laatsten dag, wanneer de boeken geopend worden, hooger dan dat zij door het gevoel zullen worden begrepen, door onze oogen gezien of door onze handen getast kunnen worden.
Men kan deze dingen niet bezitten, tenzij wij ook het begrip van ons verstand te boven gaan, en onze scherpzinnigheid uitstrekken ver boven deze wereld, ja
onszelven overwinnen.
Daarom is het een bezit van dingen, die in hope zijn en niet gezien worden.
De apostel zegt toch zelf in Rom. 8:24, dat het klaar aanschouwen geen hope is, want hetgeen wij zien, waarom zullen wij dat ook hopen ? Maar het geloof is een bewijs of overtuiging der dingen, die niet tegenwoordig zijn.
Calvijn gebruikt een geheel eigenaardige woordspeling om dit uit te drukken : het is een klaarblijkelijkheid van de dingen, die niet blijken, een gezicht der dingen, die niet gezien worden, een klaarheid van wat duister is, een tegenwoordigheid van wat afwezig is, een bewijs van wat verborgen is.
De verborgenheden Gods zijn van zulk een aard, dat zij niet worden gezien. Daartoe behooren ook de dingen onzer zaligheid, wij zien die dingen alleen in Zijn Woord.
Van de waarheid des Woords moet men alzoo verzekerd zijn, dat men voor uitgemaakt moet houden alles wat God spreekt.
Hoe zou het hart des menschen dan smaak van Gods goedgunstigheid kunnen hebben zonder in wederliefde te worden ontstoken ? Die goedheid is zoo groot, dat de mensch daardoor heftig wordt bewogen.
Die eenmaal daardoor bewogen werd, wordt door God opgetrokken tot zulk een liefde.
Doch deze gevoelens kunnen in het verdorven menschenhart op zich zelf niet komen. Het onzuiver gemoed kan niet opklimmen tot de verborgenheden Gods.
Wel heeft men beweerd, dat de liefde voorafgaat aan het geloof en de hope, maar dat is volkomen onjuist, omdat de liefde gewerkt wordt door het geloof.
Dan is het beter wat Bernardus (een theoloog uit de middeleeuwen) zegt: Het getuigenis der consciëntie, hetwelk Paulus noemt de roem der godvruchtigen bestaat in drie dingen: 1 ° Het geloof in de vergeving der zonde door de goedgunstigheid Gods. 2° Men kan geen goede werken doen, tenzij de Heere die geve. 3° Men kan het eeuwige leven niet verdienen 'met goede werken. Het wordt om niet gegeven.
Deze dingen zijn niet genoeg, maar strekken tot een beginsel des geloofs. Het is niet genoeg te weten, dat de zonden slechts vergeven kunnen worden door Gods genade, maar men heeft noodig daarvan verzekerd te zijn door het getuigenis van den Heiligen Geest, en dat de zaligheid voor ons is weggelegd.
Wij mogen niet nalaten de aandacht er op te vestigen, dat Calvijn telkens weer spreekt over wat de theologen uit vroegere, eeuwen, wij zouden zeggen, wat Roomsche theologen gezegd hebben.
Daarbij kan eveneens telkens blijken, dat hij vaak aanleiding heeft om hun leeringen te weerspreken, zooals hij vaak doet aan het adres der z.g. schoolleeraren of scholastieken. Deze mannen stelden zooveel vertrouwen op de menschelijke rede, dat zij den mensch meer toeschreven dan hem toekomt. Daarom zegt Calvijn zoo dikwijls, dat het menschelijke verstand niet bij machte is in de verborgenheden Gods binnen te dringen. Het geloof is geen schoolsche geleerdheid, maar geest en leven.
Daar staat echter tegenover, dat Calvijn evenzeer de gelegenheid aangrijpt om zijn instemming te betuigen met de vroegere leeraren, als zij overeenkomstig de waarheid Gods hebben gesproken. Een en ander maal hebben wij hem over Bernardus gehoord.
Waarom wij daarop wijzen ?
Omdat Calvijn nooit de eene heilige algemeene Christelijke Kerk vergeet. Hij houdt aan haar eenheid vast, en, waar hij waarheid tegen komt ook onder het Pausdom, erkent hij die. Zoo schrijft hij ook elders, dat God ook onder het Pausdom nog Zijn Kerk bewaard heeft.
Men moet dat goed verstaan. Hij zegt niet, dat de Roomsche kerk de ware kerk is, maar hij zegt, dat God onder het Pausdom nog hier en daar Zijn Kerk bewaard heeft. Dit zegt ook de belijdenis, n.l., dat God van den beginne der wereld aan Zijn Kerk in stand houdt.
Doch evenals wij gaarne de oude schrijvers laten spreken om de eenheid en gemeenschap des geloofs te onderhouden,
zoo is dat ook met Calvijn. Hij houdt de Kerk der eeuwen in het oog door al de verwarring en onrust der tijden heen.
De hope der zaligheid.
Waar een levend geloof is, moet het noodzakelijk met de hope der eeuwige zaligheid vergezelschapt zijn. Deze hope is met het geloof onafscheidelijk verbonden.
Neem deze hope weg en er blijft van het geloof niets over, al spreekt men nog zoo schoon over het geloof.
Indien toch het geloof een stellige zekerheid is omtrent Gods waarheid, die niet liegen kan, is het toch duidelijk, dat degenen, die zulk een zekerheid in het hart hebben ontvangen, ook zeker zijn van de beloften Gods, die Hij ook volbrengen zal. Zoo is dus het geloof een verwachting van de dingen, die door God beloofd zijn.
Het geloof gelooft, dat God waarachtig is, de hope verwacht, dat Hij Zijn waarheid zal volbrengen.
Het geloof gelooft, dat God onze Vader is, de hope verwacht, dat Hij zich als een Vader jegens ons zal gedragen.
Het geloof gelooft, dat God ons het eeuwige leven zal geven. De hope verwacht, dat het te zijner tijd zal geopenbaard worden.
Het geloof is het fundament, waarop de hoop steunt. De hope voedt en onderhoudt het geloof.
Niemand kan iets van God verwachten, tenzij God het eerst beloofd heeft en hij het geloofd heeft. Zoo moet ook de zwakheid des geloofs door de hope ondersteund worden tot lijdzaamheid.
Daarom stelt Paulus onze zaligheid in de hope. Wanneer de hope in stilheid den Heere verwacht, houdt zij het geloof staande.
Door voortdurende vernieuwing en wederoprichting, werkt de hope uit, dat het geloof steeds sterker en wakkerder wordt om met volstandigheid te volharden tot het einde.
De kracht der hope wordt bijzonder gekend in de aanvechtingen en worstelingen des geloofs.
De Heere houdt onze harten door uitstel van Zijn beloften dikwijls langer in twijfel dan wij wenschen.
Hier heeft de hope een taak (Calvijn spreekt van het ambt der hope. Hij bedoelt daarmede een taak en dienst) om te doen wat de profeet gebiedt: Zoo Hij vertoeft, verbeidt Hem.
Nog meer moet de hope te hulp komen als de Heere niet alleen laat wachten, maar ook een zekere verbolgenheid laat blijken. Dan heeft de hope de taak om te doen wat Jesaja zegt (8 : 17) : n.l. den Heere verwachten, als Hij Zijn aangezicht voor Jacob verborgen houdt.
Voorts staan daar ook spotters op, die vragen: Waar is de belofte Zijner toekomst ? De dingen blijven immers net zooals zij zijn ? (Vgl. 2 Petr. 3 : 4). Ook het vleesch en de wereld kunnen met zulke inblazingen ons geloof aanvechten. Hier moet het geloof door de hope gesterkt in de lijdzaamheid vasthouden en de eeuwigheid aanmerken. Immers duizend jaren zijn bij den Heere als een dag. (Psalm 90 VS. 4. 2 Petr. 3 vs. 8).
Zoozeer zijn geloof en hope verbonden dat de Schrift zelf het een voor het ander laat gaan, b.v. 1 Petr. 1:5: Dat wij in de kracht Gods bewaard worden door het geloof, totdat de zaligheid geopenbaard wordt. Hier schrijft Petrus aan het geloof toe, wat beter aan de hope gepast had.
Soms worden zij bijeen gevoegd. Opdat uw geloof en uw hope op God zouden zijn. (1 Petrus 1 : 21). Zie ook Philipp. 1 : 20 ; Hebr. 10 : 36 ; Gal. 5 : 5.
Petrus Lombardus, ook een theoloog uit vroeger eeuw^ bouwt de hope op tweeërlei grond : t.w. op de genade Gods en op de verdiensten der werken. Hij meent, dat het geloof geen ander doel heeft dan de hope.
Calvijn komt daartegen, zooals men verwachten kan, met nadruk op. Het geloof heeft èèn oogmerk, n.l. Gods barmhartigheid. Maar Lombardus zegt: Indien gij iets hoopt zonder verdiensten dan is het geen hope, maar vermetelheid en ijdel goeddunken.
Het behoeft niet meer gezegd, dat Calvijn zich daartegen met hand en tand verzet. De Heere wil toch, dat wij alles van Zijn goedheid zullen verwachten en hoe noemt Lombardus dat nu vermetelheid ?
De nieuwigheid des levens.
De korte inhoud van het Evangelie is boetvaardigheid en vergeving der zonde.
Wie deze twee hoofdzaken voorbij gaat, geeft slechts een kreupele verhandeling des geloofs. Daarom zal men bedenken, dat Christus deze gaven schenkt door nieuwigheid des levens en genadige verzoening.
Zonder boetvaardigheid kan de genade Gods niet gekend worden. Alleen zóó kan blijken, dat de mensch door genade wordt gerechtvaardigd.
De boetvaardigheid volgt op het geloof en wordt ook uit het geloof geboren. Wanneer iemand 't Evangelie wordt gepredikt, kan hij de genade des Evangelies niet aannemen, tenzij hij uit de dwalingen overga op den rechten weg. Daartoe zal hij zich naarstig op de boetvaardigheid richten.
Sommigen willen de boetvaardigheid aan het geloof doen voorafgaan, maar Calvijn legt den nadruk op het laatste n.l. dat zij uit het geloof geboren wordt.
Men wil dit bevestigen door er op te wijzen, dat Christus en Johannes het volk eerst vermanen tot boetvaardigheid en daarna prediken, dat het Koninkrijk Gods nabij is gekomen. Zoo doen de apostelen en ook Paulus.
Het zou er dus op neerkomen, alsof de prediking ware : Het Koninkrijk Gods is nabij gekomen, dus wees boetvaardig, doet boete.
Het is wel waar, dat de prediking luidt: Bekeert u, want het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Doch Calvijn is in het geheel niet eens met zulk een opvatting. Wat zegt toch Mattheüs ? Hij treedt op met de verkondiging, dat in Johannes de profetie van Jesaja vervuld werd aangaande de stem des roependen in de woestijn : Bereidt den weg des Heeren, maakt de paden van onzen God recht. (Jes. 40 : 3 en Matth. 3 : 2).
Dan wijst hij er verder op, dat de last van den profeet begint met vertroosting en een blijde boodschap. Zoo moet men dus deze zaak verstaan in het licht van Gods Woord als geheel en niet van een enkelen tekst uitgaan. De boetvaardigheid komt uit het geloof en de mensch kan deze niet ernstig betrachten, tenzij hij Gode eigen is.
Niemand kan dit laatste belijden, tenzij hij door de genade Gods is aangegrepen.
Daarentegen is het wel waar, dat sommige menschen in de consciëntie ontsteld worden en tof gehoorzaamheid gedrongen, alvorens kennis der genade ontvangen te hebben. Dat is een 'zekere vrees, welke door sommigen voor een deugd wordt gehouden, omdat zij op de ware gehoorzaamheid gelijkt.
Wij onderzoeken echter niet langs welke wegen Christus menschen tot zich trekt of voorbereidt, maar ik zeg alleen — zoo Calvijn — dat er geen oprechtheid kan worden gevonden, zoo de Geest geen heerschappij heeft, dien Christus heeft ontvangen om aan Zijn lidmaten mede te deelen. Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. (Ps. 130 : 4).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's