De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (13)
Wormser, die in hel 7de hoofdstuk handelt over : „De doop betuigt en verzegelt wat wij in God hebben" — dus wat wij in God hebben ! — gaat dan over tot de bespreking van het Formulier om den Heiligen Doop te bedienen aan de kleine kinderen der geloovigen.
Hij zegt dan dat „de hoofdsom der leer des Heiligen Doops in drie stukken begrepen is". En het eerste stuk is dan : „dat wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren, en daarom kinderen des toorns zijn, zoodat wij in het Rijk Gods niet kunnen komen" (niet het Germanisme „mogen", maar „kunnen"), tenzij wijf van nieuws geboren worden. Dit leert ons de ondergang" (hier is gedacht aan de onderdompeling en het geheel óndergaan in het water) „en besprenging met het water, waardoor ons de onreinheid onzer zielen wordt aangewezen, opdat wij vermaand worden een mishagen aan onszelven te hebben, ons voor God te verootmoedigen, en onze reinigmaking en zaligheid buiten onszelven te zoeken".
Hier wordt dus gesproken in „voorwerpelijken" zin. Hier gaat het niet over wat de mensch in zichzelf voor goeds heeft, maar 't gaat om hetgeen de God der genade in Christus schenken wil, waarvan de Doop getuigenis aflegt.
„De Vaderen bedienden den Heiligen Doop" — zegt Wormser (blz. 39) — „aan de kleine kinderen der geloovigen. Zij deden dit, gelijk men dit nog heden doet, met de wetenschap, dat niet allen, die hun kinderen ten doop aanbieden, „de kennisse Gods deelachtig zijn". (1 Cor. 15 VS. 34). Zij zagen dus, gelijk betaamt, bij de regeering der Kerk, op het voorwerpelijk geloof, op de gemeenschappelijke belijdenis en erkenning der waarheid, en lieten het aan den mensch over zichzelven te beproeven".
„In het eerste stuk van het Doopsformulier beleden onze Vaderen omtrent ouders en kinderen niets gunstigs : volkomen ellende, de noodzakelijkheid der wedergeboorte en het zoeken der reinigmaking en zaligheid buiten zichzelven.
Zoo. wijst de Doop dus den gedoopte in ieder tijdperk van het leven wat ellende betreft op zichzelven, wat reinigmaking en zaligheid aangaat buiten zichzelven".
„Wat dit buiten-onszelven-zoeken beteekent, wordt in het tweede stuk omschreven.
Volgens het eerste stuk wordt ons door den Doop onze ellende en onreinheid geleerd en aangewezen ; maar onze verlossing wordt ons volgens het tweede stuk betuigd en verzegeld. Want zoo staat er : Ten tweede betuigt en verzegelt ons de Heilige Doop de afwassching der zonden door Jezus Christus. Daarom worden wij gedoopt in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes".
„Want als wij gedoopt worden in den Naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed verzorgen, en alle kwaad van ons weren, of ten onzen beste keeren wil".
„En als wij in den Naam des Zoons gedoopt worden, zoo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap Zijns doods en wederopstanding inlijvende, alzóó dat wij van al onze zonden bevrijd, en rechtvaardig voor God gerekend worden".
„Desgelijks als wij gedoopt worden in den Naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig Sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus /leb& en, 'namelijk de afwassching onzer zonden en de dagelij ksche vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden".
„Gewis — zoo vervolgt Wormser nu — „geen godvruchtige zal ontkennen dat in deze drie punten van het tweede stuk een volkomen verlossing en zaligheid, niet slechts wordt voorgesteld, maar uitdrukkelijk wordt betuigd, verzegeld en verzekerd. En al deze schatten van genade en zaligheid zijn het eigendom van den gedoopte, eenvoudig door te gelooven, dat 'het zoo is, zooals God betuigt, en door in waarheid en met het hart te zeggen : „Zie, de dienstmaagd, de dienstknecht des Heeren — mij geschiede naar Zijn Woord".
„Velen zullen" — zoo zegt Wormser — „zulk een geloof als loutere inbeelding beschouwen, omdat zij geen begrip hebben van vrije genade, zonder hun inspanning te ontvangen. Inbeelding zou het zijn, indien Gods beloften en toezeggingen hersenschimmen waren ; indien wij kunstig verdichte fabelen geloofden en navolgden".
En aan wie nu wordt die verlossing en zaligheid betuigd, verzegeld en verzekerd ? Aan allen die gedoopt worden.
Waarom — zoo vraagt Wormser — zouden wij in ons vaderland, waar de Kinderdoop zoo algemeen is, een beperkte voorstelling gaan maken van Gods genade ? „Wie zoudt gij bij de prediking van het Evangelie in het midden der gedoopten willen gaan uitsluiten ? Onkundigen, dwalenden, onbekeerden, kinderen, zuigelingen ? De Vader en de Zoon en de Heilige Geest hebben hun, volgens de leer van de Gereformeerde Kerk, in den Doop een overvloedige volheid van genade en de afwassching der zonden door Jezus Christus betuigd, verzekerd en verzegeld ; — van die doopsverzegeling mag niets worden afgedaan".
„Gij zelf" — zoo vervolgt Wormser — „hebt geen enkelen grond méérder om te gelooven dan zij. Want gij moogt niet gelooven in uzelven, maar moet uw reinigmaking en zaligheid buiten uzelven zoeken, evenals zij.
„Hun doop" (waarvoor gij misschien uw neus optrekt, bedoelt Wormser) „is volmaakt dezelfde als de uwe. Gij hebt voor uw geloof, hoop en vertrouwen geen anderen wezenlijken grond dan de betuiging, verzekering en verzegeling van den Drieëenigen God in het Evangelie en in den Doop. En die betuiging, verzekering en verzegeling hebben ook al de andere gedoopten met u ontvangen".
„Hierin bestaat dus tusschen u en hen volmaakte gelijkheid. En gij kunt geen enkele poging aanwenden om de gronden voor hun zaligheid weg te nemen, zonder de gronden voor uw eigen zaligheid te ondermijnen".
„Men ziet dus, dat de leer der Gereformeerde Kerk bij uitnemendheid ruim en mild is ; en dat de geest van uitsluiting en bekrompenheid, waar die ook heerschen moge, aan haar ten eenenmale vreemd is. Zij plaatst al de gedoopten, zonder onderscheid, op den grondslag van overvloeiende genade en in volstrekte verbondsbetrekking met den Drieëenigen God.
Het onderscheid moet dus gezocht worden in het waardeeren of niet-waardeeren door de gedoopten van den door hen gemeenschappelijk ontvangen Doop.
En alzoo worden al de gedoopten geroepen om zichzelven te beproeven, of zij. zich jegens God als bondgenooten gedragen", (blz. 42).
(Wordt voortgezet.)

De Zoon in den Raad des Vredes en in het Verbond der Genade.
Prof. Schilder is in „De Reformatie" met de afbraak van het pas verschenen boek van prof. Aalders, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit, getiteld : Het Verbond Gods, bezig. Dit moet zijn ter voorbereiding van de Synode in Augustus te houden te Sneek.
Eerst is prof. Hepp gekomen om de zaken verkeerd voor te stellen, toen dr. Thijs en nu prof. Aalders, maar prof. Schilder zegt : „Wij zijn er óók nog !"
En aanvallende het boek van prof. Aalders, brengt hij „de ouderen" onder de Gereformeerden van de Afscheiding hier en elders in 't geding en noemt de namen van Beuker, Hulst, Lindeboom, Bos, te Hoor e.a.
Het volgende citaat van Beuker uit „De Geref. Amerikaan" geeft prof. Schilder dan :
„Wij hebben vroeger gezegd, dat een verbond was : een vrijwillige overeenstemming van twee of meer partijen over dezelfde zaak. Dit geldt in zekeren zin ook van het Genadeverbond" (in „zekeren zin" staat er dus).
En dan zegt Beuker verder :
„In het Verbond der Verlossing" (waarmee Beuker bedoelt den Raad des Vredes) „waren de verbondmakende of onderhandelende partijen : God de Vader als Handhaver van het goddelijk recht ter eener zijde, en God de Zoon als Borg en Middelaar ter anderer zijde. In dien Vrederaad werd wel gehandeld over den zondaar, maar niet met den zondaar. De vraag, waarover het in den Raad des Vredes liep, was daar niet genade en erbarming zoo zeer, maar recht en betaling, opdat genade en erbarming zonder krenking van Gods deugden mogelijk zou worden. In dit Verbond der verlossing — Vrederaad — wortelt het Genadeverbond, maar het is daarom het Genadeverbond zelf nog niet".„In
het Genadeverbond komt daarom de Zone Gods doorgaans voor, niet als verbond-makende of toestemmende partij, maar veel meer als de Borg en Middelaar des Verbonds, als de groote gave des Verbonds, als de verwerver van al de goederen des Verbonds"
„Werd het Verlossingsverbond (Verbond des Vredes) gemaakt door den Vader met den Zoon over den zondaar — het Genadeverbond wordt opgericht door God met den mensch over den Verlosser en Zijn heilgoed.
Wil men nu niet alles dooreen warren, maar het Genadeverbond in onderscheiding van het Verbond der verlossing (of den Vrederaad) behandelen, dan houde men zich aan deze wijze van voorstelling der Heilige Schrift. Doet men dat niet, maar stelt men óók het Genadeverbond voor als een onderhandeling tusschen den Vader en Christus als het Hoofd, niet van het organisme der gemeente, wat de Schrift óók doet, maar als Hoofd van het Genadeverbond, dan, zal men stuiten op deze moeilijkheden :
a. dat men niet zoozeer eene openbaring van genade, dus geen genade-verbond, maar van recht erlangt. Wat voor óns genade was en is, kwam voor Christus als recht te staan ;
b. dat men dan van het Genadeverbond den Raad des Vredes maakt, die er volgens de Schrift van onderscheiden is ;
c. dat dan voor de Sacramenten des Verbonds eigenlijk geen plaats meer overblijft. Want Gods eeniggeboren Zoon heeft geen Sacramenten van noode, omdat Hij gisteren en heden dezelfde is en tot in der eeuwigheid ;
d. dan is er geen uitweg te vinden met die teksten, waarin God verklaart : Ik zal Mijn verbond met u oprichten en met uw zaad na u enz. (Geref. Amerikaan, I, no. 11, blz. 429).
Christus — zoo herhaalt prof. Schilder — is niet Hoofd doch Middelaar van het Genadeverbond ; Borg en Middelaar ; de verwerver van al de goederen des Verbonds. Hij is hier niet „toestemmende partij", zooals in den Vrederaad, maar Borg en Middelaar des Verbonds.

BESTUUR EN BEHEER IN DE NED. HERV. KERK.
Een oude kwestie in de Nederduitsch Hervormde Gemeenten is die van „Bestuur en Beheer", van Kerkeraad en Kerkvoogdij. Nu sinds jaren (sinds 1921) was het weer stil. Maar nu is, mee door een brochure van den Bond van Predikanten, deze zaak weer aan de orde gesteld. Dat komt, omdat de Synode van 1938 een voorstel van de heeren ds. Van Empel, ds. Van Deelen en ds. D. Boer, verworpen heeft. De Vereeniging van Kerkvoogdijen en de Bond van Predikanten staan nu nogal scherp tegenover elkaar. Ds. Tammens schrijft in „Kerk en Wereld", blad voor Vrijz. Protestanten : „Wenschelijk ware het, dat eens de Kerk aannam eene door de Synode ontworpen regeling en zij niet op alle mogelijke en onmogelijke wijzen door het Algemeen College van Toezicht en ook Provinciale Colleges werd tegengewerkt, maar zij er toe konden worden gebracht mede te werken de zaak voor den burgerlijken rechter te brengen, opdat zoo een einde kon worden gemaakt aan de betreurenswaardige scheiding tusschen Bestuur en Beheer. Daartegen brengt men in, dat de kwestie niet voor den Hoogen Raad kan komen en dus de uitspraak moet blijven bij de gerechtshoven en zoo misschien verschillende uitspraken zouden worden gedaan, maar daartegenover staat, dat het volgens anderen volstrekt niet zeker is, dat de kwestie niet voor den Hoogen Raad kan komen".
„Nog altijd heeft een derde deel van de gemeenten vrij beheer en dat wijst op een toestand, die niet in orde is". „Het Algemeen College van Toezicht bezit niet de macht, de gemeente te dwingen zich onder haar toezicht te stellen, en geen wonder, want het heeft zich zelf in 1870 opgeworpen, zonder daartoe de noodige rechtsgrond te bezitten". „Jammer" — aldus ds. Tammens — „dat de Synode in de overgangsjaren tusschen 1866 en 1870, niet heeft gedaan, waartoe zij het recht bezat, ook voor deze materie aan al hare gemeenten een alle gelijkelijk verbindende wet op te leggen, dan zou het vrij beheer der kerkelijke goederen nu niet mogelijk zijn geweest".
„Maar was en is de Synode bevoegd, zulks te doen ? " vraagt ds. Tammens.
„Zietdaar een vraag, die altijd deze kwestie heeft beheerscht en de voorstellers van het Ontwerp 1938 hebben dan ook terecht deze vraag op den voorgrond gesteld. Naar hun oordeel is de Synode bevoegd, en zij gronden zulks op art. 65 al. 2 en art. 54 van het Alg. Reglement. En zij worden hierin gesteund door het rechtskundig advies der professoren A. I. de Blécourt en E. M. Meijers, die evenwel daartoe noodig achten, dat art. 65 al. 2 gewijzigd wordt". (Het gaat over het woord „ontwerpen").
„Is dat evenwel noodig ? ", vraagt ds. Tammens. „Wanneer „ontwerpen" alleen bedoelt het maken van bepaalde regelingen, zonder ze te kunnen vaststellen, wat beteekent dan deze alinea met betrekking tot de wetgevende macht der Synode ? Ontwerpen, daartoe heeft ieder zonder uitzondering het recht" (iets wat wij betwisten, tenzij de Synode volgens art. 65 al. 2 het ontwerpen dan zou overnemen en dus dan toch weer de eenige wordt, die hier een „ontwerp" kan en mag geven ; niemand anders !)
„Men moet" — aldus ds. Tammens — „art. 65 al. 2 Algem. Reglement beschouwen als in onafscheidelijk verband staande met het geheele Algemeen Reglement, inzonderheid met Hoofdstuk III en daarin vooral weer met de artikelen 55, 61, 62 en 64. Hierdoor krijgt het woord „ontwerpen" eene geheele andere beteekenis".
„De Synode moet" — aldus is het oordeel van ds. Tammens — „eene beheersregeling ontwerpen in overeenstemming met het bepaalde in art. 55, 61, 62 en 64 van het Algemeen Reglement, met dien verstande, dat de regeling, die zij, krachtens art. 65 al 2 ontwerpt, omtrent hetgeen, naar art. 55 en 64 aan haar is toevertrouwd, vervolgens op grond van art. 62 al. 1 en langs den in dat artikel aangewezen weg, wordt vastgesteld door de Synode".
„Terecht zegt dan ook mr. Van Stipriaan Luiscius (Syn. Hand. 1890, blz. 415) : „Het gevolg van art. 65 al. 2 was, dat beheersregeling, vroeger buiten den werkkring der Synode gehouden, nu werd erkend tot hare bevoegdheid te behooren, zoodat zij nu voortaan bevoegd was te ontwerpen niet slechts Reglementen omtrent het Bestuur, maar ook omtrent het Beheer".
[Wij vragen hier : is „ontwerpen" hier 't zelfde als „vaststellen" voor het Beheer ? Voor het Bestuur is „ontwerpen" èn „vaststellen" reglementair geregeld, is dat óók voor het Beheer hier het geval ? Of is met opzet hier indertijd wèl van „ontwerpen", maar niet van „vaststellen" gesproken ? ]
,,Ook mr. G. A. Visscher, Procureur-Generaal bij het gerechtshof te Leeuwarden, is in zijne conclusie inzake de kerkelijke procedure te St. Anna Parochie, van oordeel, dat de gemeenten óók inzake de stoffelijke belangen onderworpen zijn en blijven aan de Reglementen voor de geestelijke belangen der Kerk".
„Mr. J. M. Rens spreekt in de Synode van 1893 (Syn. Hand. blz. 416) : „Onze Kerk heeft sedert 1852 eene organisatie ; die organisatie sluit elke vroegere, op welk gebied dier Kerk dan ook uit, en wel omdat de organisatie het karakter van de Kerk bepaalt en dat karakter zich op geen enkel gebied mag verloochenen. Is dit juist, dan regele het Kerkgenootschap zelf het beheer door zijne organen, door het vaststellen van een Reglement langs den gewonen kerkelijken weg".
„In die organisatie nu is een groot verschil op te merken met die van 1816. Want luidde de titel van het Reglement van 1816 : „Algemeen Reglement voor het Bestuur der Kerk" — daar wordt thans gesproken van : „Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk", en is het dus niet meer beperkt tot het Bestuur alleen".
„De Regeering" — aldus ten slotte ds. Tammens — ,,heeft dan ook in 1852, ook reeds vroeger, verklaard, dat de Synode bevoegd is het Beheer te regelen".
Wij zullen, waar deze belangrijke kwestie weer ernstig aan de orde is, den gang van zaken met volle aandacht blijven volgen.
We weten, dat ook onder geestverwanten, de meeningen nogal verschillen.

DE UNIE-COLLECTE 1878 - 3 Augustus - 1939
De 61ste jaarlijksche Unie-Collecte, uitgeschreven door de Unie „Een School met den Bijbel", staat voor de deur.
„Augustus zou Augustus niet zijn", 'zegt het propaganda-geschriftje, „als de Unie-collecte voor onze Christelijke Scholen niet gehouden werd. Zestig keer reeds is bij onze vaderen eerst en bij ons nu aangeklopt. En onder alles, wat wij als geestelijke erfenis aan onze kinderen zullen nalaten, behoort ook onze Unie-collecte, het prachtige erfstuk, ons gelaten als een monument van geloof en trouw. Als jaarlijksche herinnering aan dien onvergetelijken 3den Augustus van het jaar 1879, toen aan Koning Willem III het smeekschrift van meer dan drie honderd duizend Nederlanders werd aangeboden : .de bede om vrijheid voor de School met den Bijbel , , op den klassieken bodem der gewetensvrijheid".
Toen is het pleit verloren. Maar dat is het begin van de zege geweest van de Christelijke School. Ook hier is gebleken, dat al de arbeid voor het Koninkrijk Gods heel goed tegenspoed kan hebben. Omdat dan het geloof zijn volle kracht ontplooien gaat, die in dagen van voorspoed zoo gemakkelijk dooft en zinkt.
Nu klopt de Unie weer bij u om een gave, een offer, aan. Ze kan die nog niet missen. Ze steunt uit de algemeene Uniekas allerlei algemeene belangen van het Christelijk Onderwijs. De propaganda. Scholen, die in nood verkeeren. De wetenschappelijke beoefening der Christelijke paedagogiek.
Wie de Unie-collecte gedenkt met zijn bijdrage, helpt mee in den strijd voor de Christelijke School".
Ook deze 61ste Unie-collecte, die door heel ons Vaderland in de steden en in de dorpen, in alle provincies, gehouden wordt, 't zij langs de huizen of op andere wijze, willen wij gaarne hartelijk aanbevelen.
In 60 jaren is door middel van de Uniecollecte bijeengebracht de som van bijna 6 millioen gulden (5 millioen 860 duizend gld.) buiten alles wat plaatselijk voor het Christelijk Onderwijs geofferd is.
Hieruit blijkt gelukkig, hoe groot de liefde voor het Christelijk Onderwijs bij onze menschen geweest is en nog is.
Want verleden jaar is het bedrag weer geklommen in vergelijk van de laatste jaren, die een verminderend totaal bedrag gaven.
Laat het „excelsior" ook in 1939 ons deel worden !

WAAROM IS DE UNIE-COLLECTE NOODIG ?
Misschien is er hier of daar wel iemand, die 't zij hardop of bij zich zelf de vraag stelt : is de Unie-collecte nu, na de gelijkstelling van het Openbaar- en het Bijzonder Onderwijs, nog wel noodig ?
Laat ons dan, mee ter aanbeveling van d'n jaarlijksche collecte, waarmee een zoo groot deel van ons volk als „saamgegroeid" is, enkele dingen hier mogen zeggen : Waarom de Unie-collecte zeer zeker (nog) noodig is.
In de eerste plaats om te doen gedenken, hoe God de Heere ons Christelijk Onderwijs heeft grootgemaakt. Om een oogenblik te doen stilstaan, teneinde in herinnering te brengen de gebeurtenissen van Augustus 1878, toen alles voor de School met den Bijbel verloren scheen, en op te merken, hoe sindsdien door Gods wonderbare leiding ons Christelijk Onderwijs in ongebroken lijn van ontwikkeling tot grooten bloei is gekomen. En om dan door een gave te doen bezegelen de liefde en de dankbaarheid voor hetgeen God ons en onzen kinderen in de School met den Bijbel heeft geschonken.
In de tweede plaats is de Unie-collecte noodig, omdat haar opbrengst onmisbaar is.
1. Voor onze plaatselijke Scholen voor gewoon lager, uitgebreid lager en voorbereidend lager onderwijs. De vergoedingen uit de publieke kassen bewegen zich in de dalende lijn. Onze scholen mogen daaronder niet lijden en waar levensbelangen van het onderwijs worden bedreigd, moet worden bijgesprongen.
2. Om het Locaal Comité in staat te stellen handreiking te doen aan noodlijdende scholen in andere plaatsen (hoe dringend heeft het Christelijk bewaarschoolonderwijs, het Christelijk onderwijs voor schipperskinderen en niet minder het Christelijk buitengewoon lager onderwijs voor de misdeelde kinderen, dien steun noodig.
3. Om de plicht der dankbaarheid na te leven tegenover de Oud-Strijders bij het Christelijk Onderwijs, die midden in den schoolstrijd hebben gestaan en thans met een karig pensioen tevreden moeten zijn of in het geheel geen pensioen genieten, en om de Vereenigingen te steunen, die aan onderwijzers en hun
weduwen barmhartigheid bewijzen.
4. Om de plaatselijke propaganda voor de School met den Bijbel te kunnen bekostigen. 5. Om de algemeene Uniekas in staat te stellen, door een bijdrage uit de opbrengst der collecte, werkzaam te zijn voor de behartiging van de algemeene belangen van het Christelijk Onderwijs. Ons Christelijk schoolwezen is een éénheid, een gemeenschap. Zoolang behoeften van die gemeenschap om voorziening roepen, kan de plaatselijke toestand nimmer een voldoende verontschuldiging voor het nalaten der Unie-collecte zijn.
Maar vooral heeft de Unie middelen noodig voor de propaganda. Haar taak is, den strijd aan te binden en te bezielen tegen alle onverschilligheid en lauwheid in eigen kring ; te zorgen, dat ook het opgroeiende geslacht bekend zij met de beginselen en de historie van het Christelijk Onderwijs.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's